Labour hoopt met Smith het tij te kunnen keren; "Het socialisme is het slachtoffer van zijn eigen succes'

Herstel van vertrouwen van de kiezers in de partij - dat is zonder twijfel het belangrijkste doel dat John Smith zich heeft gesteld. Vandaag volgt hij, tenzij er zich nog een zeer onverwachte verrassing zou voordoen, de afgetreden Neil Kinnock op als leider van de Britse Labour Party. En hij weet wat hem te doen staat: “De uitdaging voor Labour in dit parlement is onze aantrekkingskracht te verbreden tot de gehele gemeenschap en degenen die ons niet hebben gesteund ervan te overtuigen dat het beleid dat wij voorstaan goed is voor hen en hun gezinnen.”

Want het gaat niet goed met Labour. Voor de vierde achtereenvolgende keer in dertien jaar verloor de partij, op 9 april van dit jaar, de algemene verkiezingen van de Conservatieven. Het was voor het eerst sinds 1820 dat een regeringspartij zich zo lang wist te handhaven. De 50-jarige Kinnock trok daaruit de voor hem onvermijdelijke conclusie: hij trad af. Afgelopen dinsdag nam hij voor de laatste keer als leider van de oppositie deel aan het vragenuurtje in het Lagerhuis.

Niet dat er onder Neil Kinnock, die in 1983 Michael Foot opvolgde na een zware nederlaag voor Labour, niet veel veranderd is in de partij. Hij schakelde de extremistische vleugel Militant Tendency uit, die als partij in de partij opereerde. Hij stemde in met terugdringing van de macht van de vakbonden en zwoer het dogma van de eenzijdige nucleaire ontwapening af, alsmede de leer van het publieke eigendom van de produktiemiddelen. Ook werd de partij onder zijn leiding voluit Europees. Kinnock was voor het Britse socialisme wat De Gaulle was voor Algerije en wat Gorbatsjov was voor de Sovjet-Unie, schreef The Sunday Times op de zondag na zijn nederlaag.

Hij kon al die veranderingen doorvoeren, omdat hij zelf op de linkervleugel van de partij was begonnen en alle standpunten van zijn latere tegenstanders had gedeeld. Maar zijn wijzigingen hebben nooit een voldoende aantal kiezers overtuigd. Bij de verkiezingen van 1979 haalde Labour 36,9 procent, dit jaar 34,4. Meer kiezers hadden misschien wel op Labour willen stemmen, maar voor tal van hen bleef de persoon van Kinnock nog een struikelblok.

Het is nu aan de drie jaar oudere John Smith, jarenlang schaduwminister van financiën, om het vertrouwen van de kiezers te herstellen. Hij genoot al voor de verkiezingen een grotere persoonlijke populariteit dan Kinnock. Geboren en getogen in Schotland, trad John Smith al vroeg toe tot Labour, de partij die zijn vader ook al toegedaan was, maar waarvan hij, als dorpsonderwijzer, nooit lid was geworden.

Radicaal is John Smith nooit geweest. Toen in Schotland gedemonstreerd werd tegen de vestiging van een basis voor Amerikaanse kernonderzeeërs deed hij daar niet aan mee. In 1961 deed John Smith, die toen 23 was, mee aan tussentijdse verkiezingen voor zijn partij, maar verloor die volgens de verwachtingen. Hij maakte toen eerst zijn studie rechten af, om eventueel als advocaat te kunnen gaan werken, trouwde in 1967 met Elizabeth Bennett, een studiegenote, om vervolgens pas in 1970 tot Lagerhuislid te worden gekozen. Een van zijn medestudenten zei tegenover The Independent deze week: “Hij was nooit een spreker, maar hij was een goede debater - op zijn best als hij op tegenwerpingen moest antwoorden.”

Smith, een van de weinigen van de huidige Labour-generatie die nog op regeringservaring kan bogen (in 1974 werd hij staatssecretaris, in 1978 minister van handel), komt nu voor de weinig te benijden taak te staan om Labour uit het moeras te trekken. Daarvoor zal zijn persoon alleen onvoldoende zijn. Ook in de politieke cultuur van zijn partij zal het nodige moeten veranderen. Want Labour is de aansluiting met de veranderingen die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan kwijt geraakt.

Labour staat nog altijd met twee benen in de traditie van het arbeiders-socialisme. De organisatie, de werkwijze, de manier waarop beslissingen worden genomen, en niet het minst de nog altijd grote invloed van de vakbeweging, die negentig procent van de stemmen uitbrengt op de jaarlijkse partijconferenties, veertig procent van de kandidaat-Lagerhuisleden helpt aanwijzen en veertig procent van de stemmen in handen heeft bij de verkiezing van een partijleider - het zijn allemaal relicten uit een voorbije periode.

De arbeidersklasse, de basis van Labour, bestaat niet meer in zijn vroegere vorm. Het vakbondslidmaatschap is sinds 1979 teruggelopen van dertien naar tien miljoen, het aantal partijleden daalde van 900.000 naar ruim 300.000. “Voor een deel is het democratisch socialisme het slachtoffer van zijn eigen succes”, schreef de Britse journalist Peter Jenkins vijf jaar geleden al. De stijging van het levensniveau van de voormalige arbeidersklasse heeft tot haar gedeeltelijke opheffing geleid. Een groot deel heeft nu een eigen auto en een eigen huis en wil die houden. Het materialistische individualisme heeft het collectivistische denken van het socialisme aan de kant geschoven. De macht van de vakbonden irriteert alleen nog maar en wordt door steeds minder mensen als een bescherming ervaren.

De grote vraag is of John Smith zal kunnen bereiken, waartoe Neil Kinnock niet kwam, het tot nieuw leven wekken van Labour. Pessimisten hebben al gezegd dat de partij eerst dood zal moeten gaan, voordat ze tot nieuw leven kan worden gewekt. Zij menen dat Labour nooit meer op eigen kracht de verkiezingen zal winnen en een akkoord zal moeten sluiten met de Liberaal-Democraten van Paddy Ashdown om een nieuw soort alternatief tegenover de Tories neer te zetten. Een dergelijk "Lib-Lab' pact zou het collectivistische van het socialisme moeten inruilen voor het individualistische denken van het liberalisme. Ook nieuwe waarden als het milieu zouden in zo'n coalitie een prominentere plaats moeten krijgen.

Hugo Young, de bekende politieke columnist van The Guardian, noemde de vorming van een dergelijk pact, in ruil waarvoor de Liberaal-Democraten toch tenminste de belofte van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging zullen willen hebben, buitengewoon moeilijk, maar eigenlijk onontkoombaar. “De overleving (van Labour) is alleen te bereiken door een nieuwe relatie te smeden met zijn potentiële stemmers en met de partners die zo lang vernederend zijn afgescheept, de Liberaal-Democraten”, schreef hij kort na de verkiezingen. In zo'n samenwerking zou de weg gevonden kunnen worden naar een politiek die de individuele keuzes van de vrije markt combineert met het verlangen naar sociale en economische rechtvaardigheid. Want in die richting zal Labour het moeten zoeken, wil de partij overleven.

Velen betwijfelen of Smith de man is die dit proces kan leiden. Hij is tenslotte degene die enerzijds de volledige steun van de door velen verguisde vakbeweging heeft, terwijl hij anderzijds gezien wordt als de man van de hoge belastingen, die Labour de das om deden op 9 april. Smith zal als het ware over zijn eigen schaduw heen moeten springen om zich te ontwikkelen tot een geloofwaardig en acceptabel alternatief voor Labour. Hij zal de partij aansluiting moeten geven bij een post-collectivistische cultuur en zich politiek los moeten maken van zijn eigen machtsbasis. Labour is steeds gezien als “een partij van het verleden (...) die de klok probeert terug te draaien”, schreef Larry Whitty, de algemeen-secretaris van de partij. Aan John Smith de ondankbare taak om dat beeld in zijn tegendeel te veranderen.