Knalt er een renner op een auto dan lacht de rest: weer een minder' We moeten de Tour met z'n allen een jaar links laten liggen; Met 270 km zag ik in drie kwartier de Dom van Keulen

Hij is nog altijd even fanatiek, GERT - JAN THEUNISSE. En dol op zijn sport, maar de 29-jarige Tourrrenner haat de wereld daar omheen. Bang voor de dopingcontroles is de Brabander niet echt. Hij denkt dat de normen soepeler zijn geworden.

Een wielergezegde wil dat de Ronde van Frankrijk in bed wordt gewonnen. Gert-Jan Theunisse vindt dat die oude spreuk een beetje overdrijft, maar in de praktijk is hij wel degelijk een aanhanger van die gedachte. Hij is er 's avonds na de maaltijd nimmer bij als zijn collega's van TVM nog wat nakaarten over het wel en wee van de Tourdag, of als ze het hotel uit slenteren om te kijken naar de mecaniciens die met een eindeloos geduld de fietsen weer in perfecte staat brengen.

Theunisse gaat altijd met de kippen op stok. Hij voelt dat hij dat nodig heeft. “Ik kan niet goed slapen. Daar kom ik maar een uurtje of zes aan toe. Soms lig ik tot diep in de nacht tv te kijken, of luister ik naar muziek: de Rolling Stones of andere rock-classics. Dat gebrek aan slaap compenseer ik met rust. Elk moment dat ik plat kan, doe ik 't.”

Want Theunisse leeft, zoals hij het zelf omschrijft, nog altijd “superfanatiek” voor zijn sport. Er is voor hem geen tussenweg, voor wielrennen zet hij alles opzij. “Ik ga nooit naar een feestje, pik nooit een terrasje, ga nooit lekker winkelen. Ik zou niet graag een rennersvrouw willen zijn. Gelukkig kan Lieske er tegen, ze komt uit een wielerfamilie. Ze staat er achter, omdat ze ziet dat ik er nog plezier in heb. Afgelopen winter gingen we op zonvakantie - ik voor 't eerst sinds tien jaar. Ik werd gek. Weer een week achter op de concurrentie, dacht ik, ik werd er ziek van in mijn hoofd. Mijn lichaam vond 't ook niks, dat strand. Ik ben gaan zwemmen tot het zwart werd voor mijn ogen. Alléén om het idee te hebben dat ik had gesport.”

Bij TVM ervaart men Theunisse niet als een gemakkelijke klant. De kopman, verleden jaar ingelijfd na geruchtmakende dopingaffaires, heeft deze Tour al een paar interne botsingen achter de rug. De meest recente is die met Jesper Skibby. De Deen was afgelopen woensdag woedend toen Theunisse op de Ballon d'Alsace attaqueerde, waardoor Skibby werd gelost en zijn mooie derde positie in het algemeen klassement verloor. Theunisse reageert nuchter: “Konichev reed namens ons in de voorhoede. Hij sneuvelde op de Ballon. Toen was het mijn beurt, vond ik, om wat te proberen. Dus ging ik achter Laurent Fignon aan. Want aanvallen was onze opdracht.”

Zondag jongstleden zou teambaas Cees Priem in Valkenburg stevig op Theunisse hebben gemopperd, nadat diens achtervolging op de kopgroep met Gilles Delion en Stephen Roche het net niet haalde. Theunisse moet lachen om die kritiek. “De tekst van Priem is verdraaid”, verduidelijkt hij. “Cees was juist enthousiast over me, want hij zag dat ik 45 kilometer lang alléén tegen zeven man vocht. En dat bij een tempo van 48 per uur. ,Ik had hem er wel naar toe willen schoppen', zei Priem, zo jammer vond hij het. "Ik had hem wel een schop onder zijn kont willen geven', maakten sommige kranten daarvan. Dat is wel even iets heel anders.” Theunisse gedraagt zich als een Einzelgänger binnen de formatie. Toch zegt hij dat hij sociaal voelend is, van gezelligheid houdt en behoefte heeft aan contacten. “Maar dan met gewone mensen. En die zijn er tegenwoordig in het wielrennen niet veel meer. Vroeger hadden de coureurs óók verschillende belangen, maar de koppen stonden in dezelfde richting. Nu niet meer.”

Hij wil best een paar voorbeelden geven. “Staat er een auto verkeerd geparkeerd en er knalt er een op, dan lachen de anderen: zo, weer een concurrent minder. Een paar jaar geleden golden er nog wetten. Bij de bevoorrading hield iedereen zich even rustig, net als bij het pissen. Ik weet nog dat er in de vlakke etappes werd gewandeld tot zestig, zeventig kilometer voor het einde. Nu vliegt iedereen er vanaf het begin in, opgejut door de ploegleiders. Ze gedragen zich als amateurs, die nieuwe generatie profs en missen bovendien alle respect voor grote namen. Leuker is het er niet op geworden, hoewel ik het koersen op zich nog altijd fantastisch vind.” Theunisse zegt zich nog meer te ergeren aan het gedrag van de mensen rondom de renners: “De schreeuwers, poppenkast-makers en blazers, die thuis het hele jaar de afwas moeten doen, maar in de Tourmaand ineens belangrijk zijn. En de sponsors natuurlijk. Want die durven zich niet te verzetten tegen de dictatuur van de Tourdirectie.”

“TVM”, verduidelijkt hij, “krijgt het hele jaar door Audi's. Voor niets. In de Tour mogen die wagens ineens niet mee, elke ploeg moet in Fiats rijden. Banesto is een bank. Tast diep in de beurs voor Indurain en Co. Wint Indurain, dan staat hij op het podium in een trui van Crédit Lyonnais, de concurrent. Een paar jaar geleden beleefden wij met PDM ook zoiets absurds. Omdat we de hele Tour aan de leiding gingen in het ploegenklassement moesten we steeds gele petjes op met de naam van een of ander vreemd bedrijf. Leuk voor PDM! Zette je je eigen petje op, dan kreeg je een zware boete.” Theunisse herhaalt niet te begrijpen dat de ploegen dat alles zo maar pikken. Hij vindt “dat ze samen moeten spannen door de Tour, een grote winstmaatschappij, een jaar links te laten liggen”.

Op die manier, meent Theunisse, zou ook Coca Cola minder kunnen profiteren. Hij zegt zich te storen aan het feit dat deze super-multinational - het concern is ook bij het WK voetbal en de Olympische Spelen niet meer weg te denken - in de Tour altijd wint. “Want wie er ook op het podium komt, hij moet zo'n rood blikje aan zijn mond zetten. Coke gaat op zeker, neemt geen enkel risico. Nee, wij renners zijn niet zo gek op dat zoete spul. In onze bidons stoppen we iets anders, geen coke. Zou ook stom zijn, want er zit zo veel gas in dat het kruikje door de warmte zou ontploffen.”

Theunisse windt zich op over de opmars van Het Kapitaal, maar aan de andere kant profiteert hij er als renner wel van. De prijzen- en premiepot van de Franse ronde is goed gevuld. Theunisse, bezig aan zijn vijfde Tour, stelt dat geld voor hem niet het belangrijkste is. “Ik houd van de fiets.” Maar toch ging hij al eens in op een bod van een miljoen van Peter Post. En nu zijn contract bij Priem afloopt lokken vermoedelijk de peseta's. Hij zegt te zullen kiezen voor een ploeg waar hij wordt geaccepteerd, waar hij zich thuis zal voelen. Waar hij “met liefde en plezier” kan fietsen. Hij beslist na de Tour, in overleg met zaakwaarnemer en schoonvader Piet Liebregts. Theunisse weet dat hij goed in de markt ligt. “Tegenwoordig heeft elke serieuze wedstrijd bergen in zijn parcours. Er zijn pakweg dertig goede klimmers en één van hen ben ik. Elke behoorlijke ploeg wil een stuk of drie van die berggeiten hebben. Dat ligt allemaal heel simpel.”

De prestaties in deze Tour zullen zijn nieuwe salaris mede bepalen. Theunisse hoopt op een explosie in de bergrit van vandaag (naar Sestrieres) of die van morgen naar Alpe d'Huez. Hij zegt dat zijn vorm goed is, maar ook dat hij een hekel heeft aan voorspellingen. “Als je bergop rijdt kan alles in één keer veranderen. Je kunt verbeteren of verslechteren. Dat is het prachtige van deze sport. Was het allemaal te programmeren, dan was het saai. Erik Breukink reed deze week een slechte tijdrit, misschien is hij dit weekeinde super in de cols.”

Theunisse reed voor zijn doen een goede race tegen de klok en was ook goed te spreken over de ploegentijdrit van vorige week. “Die ging heel goed. In '91 verloren we twee of drie minuten over dertig kilometer. Nu was de rit twee keer zo lang en raakten we maar twintig seconden op nummer drie kwijt. De sfeer was perfect, dat gaf moraal. We hielpen elkaar. Wie goed was ging 600 meter op kop, wie het zwaar had beperkte zich tot 100 meter.”

Toch staat Theunisse bijna een kwartier achter op Pascal Lino, de gele truidrager. Al in de eerste etappe ging het mis. Theunisse verspeelde in Noord-Spanje zes minuten door materiaalpech. “Er liep iets mis met de derailleur. En dat op de voorlaatste berg, toen er werd gedemarreerd. Iets heeft me geraakt of het kwam door de regen. Anderhalve minuut stond ik op nieuwe spullen te wachten. Dat was een verschrikkelijke teleurstelling. Weg waren de kansen op een mooie eindklassering.” Theunisse heeft echter geleerd zich over tegenslagen heen te zetten. De competitie van 1990 werd voor hem een ramp - drie keer was zijn hormoonspiegel bij de dopingcontrole te hoog - maar na een schorsing van een jaar keerde hij terug. Tijdens zijn uitsluiting trainde hij als een bezetene en reageerde hij zich nu en dan af in snelle auto's.

“Ik reed dan met mijn Renault Alpine naar de Duitse Autobahn. Daar was ik in tien minuten vanuit Berchem. Met 270 kilometer per uur zag ik in drie kwartier de Dom van Keulen. Gaf me 'n geweldige kick. Formule 1 vind ik niks, daar bepaalt het materiaal de winnaar. De Rallye Monte Carlo, daar droom ik van, lijkt me fantastisch om eens mee te doen. Maar voorlopig staat het fietsen voorop. Nog een paar jaar.”

“Nee, bang om bij de dopingcontrole te worden gepakt ben ik niet. Die dopingexpert Donike is in de Tour geweest om te experimenteren met de renners van Helvetia. Ik was drie keer de klos omdat de verhouding tussen épitestosteron en testosteron bij mij boven de toegestane 1:6 lag. Van mijn adviseurs weet ik intussen dat de norm is verhoogd tot 1:10. Mocht ik toch te hoog zitten, tja. Laat ik er maar niet aan denken. Ik kan er toch niks aan veranderen.”