In Watou klinkt de stem van Claus temidden van roerloze wezens

Het Vlaamse dorp Watou, in "het zakpuntje van het Nederlandse taalgebied', is een toevluchtsoord voor poëzie. Het zebrapad bestaat uit een gedicht, in een slechts door beelden bewoond huis klinken stemmen: “Hoor gefluister, en luister”.

Watou, metafoor '92. Dichters rond José Vermeersch. t/m 6 sept. Dagelijks van 14 tot 19 uur

Watou zit eenvoudig in elkaar. Wie er binnenrijdt houdt vanzelf stil op het grote plein voor de kerk, waar Christus met gespreide armen een ieder verwelkomt. Om hem heen liggen de doden in hun graven, bloemen op de stenen met grafschriften waarin de overledenen zeggen te wachten op de dag van de wederopstanding. Het plein heet het Hugo Claus Plein. Een zebra stelt de bezoeker in staat over te steken naar de kerk. "De doden', heet die zebra. De zebra is een gedicht, van Hugo Claus.

Watou is anders dan andere dorpen, Watou is een toevluchtsoord voor de poëzie, met straten die naar Rutger Kopland, Paul Snoek, Lucebert en Anton van Wilderode zijn genoemd, met poëtische oversteekplaatsen en met de Watouse poëziezomers, dit jaar al voor de dertiende keer.

De dichter Gwij Mandelinck woont zelf in Watou, een dorp gelegen "in het zakpuntje van het Nederlandse taalgebied' zoals hij dat noemt, wat betekent dat het al bijna Frankrijk is daar in het Poperingse. Elk jaar "in het putje van de winter' bedenkt hij hoe hij de poëzie deze zomer weer onderdak gaat bieden. Zij laat zich graag door hem verwelkomen, de kwetsbaarste aller kunsten, en hij strooit haar door zijn dorp, laat haar wonen in leegstaande huizen, opbloeien uit een perkje, zich zonnen tegen een muur. Overal om het dorp heen ligt het vlakke Vlaamse land, volmaakt beantwoordend aan Jacques Brels beroemde lied. Watou is niet mooi, het is een raar mengelmoesje van idylle en kaalheid, smakeloze nieuwbouw naast karakteristieke oude huizen, bakken vol geraniums boven breed leeg asfalt. En in het midden de kerk met het kerkhof.

Stilte alom, slechts een enkeling die toevallig in deze uithoek verzeild is geraakt, krijgt zin in een gedicht en gaat het dorp binnen. Op het Hugo Clausplein staat een soort kraam met een verlegen blond meisje erin dat een t-shirt draagt waarop een gedicht is gedrukt. Naast haar liggen boeken, de meeste opmerkelijk dun, zo dat je al van verre ziet: poëzie. Alle deelnemende dichters heeft ze in de verkoop: Hugo Claus, Ida Gerhardt, Anton van Wilderode, Benno Barnard, Rutger Kopland, Herman de Coninck - om er maar een paar te noemen.

Hun gedichten zijn dit jaar allemaal op één locatie ondergebracht, in het Douviehuis, opzij van het plein. Daar meten ze zich met beelden van de keramist José Vermeersch. Hij maakt mensen en honden van grijze, beige of terracottakleurige klei, vreemde gedrongen personages, bijna nekloos, met bolle lijven op lange benen en merkwaardig levendige ogen in hun ronde koppen. De honden kunnen glimlachen maar ook onverschillig kijken, ze dragen een meisje als dat nodig is, of zitten er ontspannen en wijdbeens bij. Er zijn zeventig van zulke beelden te zien en daarbij zestien gedichten. Die bestonden al, maar misschien worden ze anders als ze met de mensen en honden van klei geconfronteerd worden, of misschien worden de beelden wel anders, of misschien brengt de combinatie de toeschouwer op nieuwe gedachten, of misschien gebeurt er niets. Dat wil Gwij Mandelinck aan de bezoekers zelf overlaten.

Het Douviehuis bestaat uit veel kamers en kamertjes met geblutste tegelvloeren, trapjes naar boven en naar beneden, kale muren waar misschien ooit behang heeft gezeten; uit schuren en stallen langs een binnenplaats en tenslotte uit een tuin met een gazon, verweerde houten banken en een bosje in het midden. Uit dat bosje klinkt een lichtbrouwende stem "nee, loop niet, laat alles doodstil als een foto, ook schaduw en schemer zich schikkend, zo kan het, zo roerloos'. Voor het bosje staat een lange man van Vermeersch, achter het bosje een tuinbank in de zon, in het bosje zegt de stem van Benno Barnard steeds weer zijn gedicht "Tuin van Rodin'.

Het is helemaal niet onplezierig om op die bank te zitten en zes keer Barnards gedicht te horen. Het bezwaar van voorgelezen poëzie is immers altijd dat het te snel gaat, elk halfverstaan woord is onherroepelijk voorbij, wie even nadenkt over een regel heeft de volgende alweer gemist. Dat probleem wordt hier opgeheven, de stem leest onsentimenteel en doeltreffend, de zon schijnt, het beeld houdt zijn handen zo dat hij lijkt te beduiden: wacht even, luister. “hoor gefluister, en luister, en, o, werd het verklaarbaar.”

Er zijn meer stemmen te horen in het slechts door beelden en woorden bewoonde huis. Waar een doodsbleke mannenkop onthutst in een felle schijnwerper staart hoort men Herman de Coninck zeggen "De dood heeft mij een aanzoek gedaan'. Aan de andere kant van een wandje luistert een al even ontzet vrouwenhoofd hoe hij verder gaat: "Ik werd wit van het blozen. (Ik bloosde als witte rozen.)' Dat is te zien. Hun onbeweeglijke gezichten, zijn ze al dood? Wachten ze af? Heeft de dood bevestigend geantwoord na de laatste regels: “Je vroeg me om mijn hand. //Mag ik haar terug?” Tot leven zullen ze niet komen.

Ook de stem van Hugo Claus, wiens eigen levende gezicht tweedimensionaal uit een televisie kijkt die op een zoldertje staat tussen onbeweeglijke vrouwen, kinderen en honden, heeft het over het onontkoombare afscheid van het leven: "Het wordt nu tijd Genummerd en gevouwd/ Zijn onze deugden: de hoogmoed en de dunne/ wrede tederheid'. Het is vreemd een gezicht zo groot en roze te zien praten, daar zulk een prachtig gedicht uit te horen komen, temidden van aardkleurige wezens die roerloos niet-luisteren. Door het dak vallen plekjes zonlicht, de planken kraken wat, ook als er niemand kijkt gaat dit theatertje van de dood gewoon door. Je hoort de stem van Claus als je het trapje afdaalt en de schuur uitloopt: “Hij zegt: "Dag lichaam als een huis'.”

De beelden van Vermeersch, natuurlijk zijn het geen levende mensen, dat zijn beelden nooit, maar deze doen ook wel erg weinig alsof. Het lijken, hoe langer je ernaar kijkt en hoe meer je ervan ziet, voorouderbeeldjes, geesten van overledenen, zwijgende aardmannetjes die de weg naar het dodenrijk kennen maar er niets over zeggen. Dat doen de dichters voor ze. Het is een groot bezwerings- en verzoeningsritueel daar in het Douviehuis, men neemt maar afscheid, men praat maar zonder stem, men fluistert tegen de dood. “Geen duizend angsten, maar één vrees:/ er is alleen jezelf als straks het leven/ boven je hoofd zich gesloten heeft.” Schuin op een muur naast een rij vlekkerige personages staan deze regels van Anton Korteweg geschreven. "Angst' heet zijn gedicht.

In een stikdonkere en ijskoude kelder licht één precieze schijnwerper een vers uit dat op de grond ligt als een grafsteen. Een blauw en demonisch vrouwtje kronkelt zich aan het boveneind. Het is een huiveringwekkende aanblik, en het grafschrift maakt het niet beter:

De gestorvene

Hier rust, met stof gevuld de mond,

zij, die mij heeft gedragen;

zij, die mij naar het leven stond

in al mijn levens dagen.

En nu mijn lichaam moet vergaan,

nu is zij in mij opgestaan.

-Ik kan haar niet verslaan.-

Ida Gerhardt

Zo overdag gaat het nog, maar het zou heel onprettig zijn om 's nachts in het Douviehuis terecht te komen. In de grafkelder van die moeder. Op die zolder waar een televisiebeeld afscheid neemt. Tegenover de krijtwitte geliefden van de dood. In de roerloze tuin waar het bosje je tot stilte maant. In de hal waar gemurmel van stemmen klinkt, maar er is niemand. Tegenover de honden die hun kaken spannen zonder te blaffen, deden ze het maar. Een vreemde ervaring, dat een bezoek aan een vriendelijk wit huis bij een goeiig dorpsplein ergens ver in Vlaanderen kan veranderen in een bezoek aan het schimmenrijk.

Kijk niet om bij het naar buiten gaan, waar in de zon de stille kerk staat. Eromheen liggen de doden, met hun eigen grafschriften.