IN EEN KLAMME KELDERWONING

Arm in Nederland 1815-1990 door L. F. van Loo 204 blz., Boom 1992, f 36,50 ISBN 90 5352 025 2

Alleen in onze verwende eeuw, en slechts in ons hoekje van de wereld, is armoede een uitzonderlijke, beschamende toestand. Daarbuiten is armoede nooit anders dan gewoon geweest. Historici schatten dat vóór 1800 in onze streken veertig tot vijftig procent van alle mensen op of onder het bestaansminimum leefde, wat betekent dat zij regelmatig kou en/of honger leden.

Het spreekt vanzelf dat zo'n leven voor ons, warm en droog, gezond en weldoorvoed als wij zijn, niet meer voorstelbaar is. Hoe voelde het om te wonen in een klamme kelderwoning, met een stuk of wat ziekelijke kinderen en zonder kostwinner? Wij hebben geen idee. Maar als we van vooruitgang kunnen spreken in de Westerse samenleving, dan schuilt die niet alleen in het feit dat dat soort levensomstandigheden in 1992 (hier) hoogst zeldzaam is geworden. Minstens even bijzonder is het feit dat academici - die altijd tot de geprivilegieerden hebben behoord - een dergelijke vraag nu interessant vinden. Vroeger zouden zij er geen moment bij stil hebben gestaan.

De vraag is trouwens makkelijker te stellen dan te beantwoorden. Wat je zou hopen van het boek Arm in Nederland 1815-1990 van L. F. van Loo, is dat het hem zal lukken om duidelijk te maken hoe het was om arm te zijn. Helaas is dat toch maar een beetje het geval.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het misschien ook niet zijn voornaamste streven is geweest. Armoede in Nederland is een literatuurstudie die veel cijfers bevat over wie er precies arm was, hoe arm ongeveer, en wat daarvan de individuele en maatschappelijke gevolgen waren. De ”beleving', zoals dat heet, komt in een drietal afzonderlijke hoofdstukken ter sprake, samen met de verschillende manieren waarop men het hoofd boven water hield, het onafgebroken schipperen en scharrelen, soms op de grens van het toegestane.

Van Loo verdeelde de 175 jaar die hij behandelt in drie perioden. De eerste loopt van 1815 tot 1890. Wat wij nu zien als onrechtvaardigheid zat toen diep verankerd in de samenleving. Naar huidige maatstaven was het leven voor bijna iedereen moeilijk, maar er was een vrij grote groep mensen die constant hulpbehoevend was. Sommigen kregen vanwege hun nooddruftigheid vrijstelling van belastingen (de boeken waarin dat werd bijgehouden zijn nu waardevolle bronnen); hun aantal kon oplopen tot wel de helft van alle huishoudens. Wie nog minder had, was aangewezen op de bedeling. Dat waren vooral - maar geenszins uitsluitend - oude mensen, invaliden, en weduwen, al dan niet met kinderen. Van velen is het eigenlijk onbegrijpelijk hoe zij überhaupt konden overleven.

SOCIALE WETTEN

In de tweede periode, van 1890 tot 1945, veranderde er veel. De gedachte dat de overheid een sociale taak heeft, begon veld te winnen. Tegelijk groeide de welvaart aanzienlijk. Er kwamen wat volksverzekeringen en sociale wetten, en allengs werd barre armoede vermijdbaar, uitzonderlijk. Zelfs in de crisistijd kwam honger nauwelijks meer voor.

Na 1945 begon de welvaart helemaal spectaculair te groeien. Vooral tussen 1960 en 1980 groeide de koopkracht explosief. In de jaren vijftig en zestig was er praktisch geen werkloosheid. Na 1973 zette een omslag in, die in de jaren tachtig leidde tot een toename van wat ””relatieve armoede'' wordt genoemd. Vooral mensen met een minimumuitkering hebben het, zoals bekend, moeilijk vergeleken bij de rest.

Van Loo, die een sociaal bewogen man is, maakt van de relatieve armoede in de nieuwste tijd veel werk. Hij vermeldt met nadruk dat nog steeds de laaggeschoolden, de mensen die leven in éénoudergezinnen, de sociaal zwakken het meest te kampen hebben met armoede en werkloosheid, niet anders dan in de vorige eeuw. Dat vrouwen en bejaarden nog steeds extra kwetsbaar zijn, en dat relatieve armoede nog steeds gepaard gaat met (relatief) slechte huisvesting en slechte gezondheid.

Maar al zal de auteur niet ontkennen dat een minimumlijder in 1990 het materieel een stuk beter heeft dan zijn tegenhangers in het verleden, toch is het beeld dat hij schetst door die bewogenheid wat scheef. Het belangrijkste bezwaar is, dat de toestand in de eerste decennia van deze eeuw in het boek te rooskleurig geschilderd lijkt in vergelijking met de huidige toestand. Het mag zo zijn dat het prettiger is te leven in een tijd waarin het de meeste mensen steeds beter gaat, en het is ook waar dat de werklozen het in 1937, vergeleken bij hoe het hun voorouders was gegaan, een stuk beter hadden. Toch zou, als je mocht kiezen tussen hun situatie of die van het kwart van de huishoudens dat volgens Van Loo vandaag de dag op of onder het sociaal minimum leeft, de keus niet moeilijk zijn.

Van Loo beaamt weliswaar dat voor oudere mensen die in onze tijd (relatief) arm zijn, de herinnering aan de moeilijkheden in vroeger tijd hun huidige problemen verzacht, maar hij schrijft het op een toon van ””dat telt niet''. Zelf is hij duidelijk beducht om ook maar enigszins de armoede van nu te relativeren. Dat is mooi in menselijke en politieke termen, maar minder als je geschiedenis schrijft.

BRAAFHEID EN WELVAART

Een meer algemene gedachte die zich opdringt bij het lezen van dit boek is hoe uitzonderlijk die paar decennia in deze eeuw zijn geweest toen de gedachte postvatte dat armoede een vermijdbare, uitzonderlijke, onwaardige toestand is. Decennia waarin, dank zij de groeiende welvaart, opeens gebeurde wat geborneerde negentiende-eeuwers altijd al zeiden: als je maar werken wilt, dan bereik je ook wat. Dit was de periode waarin braafheid en welvaart hand in hand triomfeerden.

De laatste jaren is de groei er uit, en de braafheid is ook al aardig op haar retour. Velen maken zich zorgen over desintegratieverschijnselen in de samenleving - en terecht - maar het kan misschien geen kwaad te bedenken dat veiligheid en stabiliteit tamelijk uitzonderlijk zijn en met veel moeite moeten worden verdedigd tegen de oprukkende, natuurlijke chaos.

Dat soort overpeinzingen valt buiten het bestek van Van Loos boek; hij is praktisch en houdt zich aan de feiten. Hij maakt veel duidelijk over armoede en hoe die gekwantificeerd kan worden, over wie vroeger arm werd, wie nu, en wat er is veranderd. Het is goed dat hij soms even een stem uit het verleden aan het woord laat, in een citaat uit een dagboek, of een brief van een berooide moeder aan de diakenen, want dat geeft dan een onverwacht indringend beeld van het leed. Als hij verhaalt hoe klein van stuk de slecht gevoede mensen in de negentiende eeuw bleven (de bron: dienstkeuringsrapporten) dringt - los van alle bedelings-cijfers - weer even tot de lezer door dat hij zelf leeft in een tijd van blakende reuzen. Van Loo heeft, kortom, wel goed werk gedaan. Maar zeker is dat nog heel wat meer te vertellen valt over het leven aan de onderkant van de maatschappij.