IN DIENST VAN DE DOODSVERACHTING

The French Foreign Legion. A Complete History door Douglas Porch 728 blz., geïll., Macmillan 1991, f 97,75 ISBN 0 333 43427 7

Eén ding is zeker: het Franse Vreemdelingenlegioen spreekt tot de verbeelding. Laurel en Hardy maakten er een film over (Beau Hunks, 1931), Edith Piaf bezong het (Mon Legionnaire), P. C. Wren beschreef het (Beau Ges-te, 1924), Marlene Dietrich en Gary Cooper "vertolkten' het (Morocco, 1930). Literaire verslagen uit de eerste hand zijn er ook: Ernst Jünger beschreef zijn ervaringen in Frankrijk en Algerije in Afrikanische Spiele (1978) en in ons land publiceerde Klinkhamer Gehoorzaam als een hond (1983), een indrukwekkend boek over zijn leven in het Legioen. Hierbij kunnen nog de honderden memoires worden gevoegd van van ex-legionairs, met beschrijvingen van het legioensleven en van gevechten in alle werelddelen. Er is nauwelijks een militaire organisatie waarover zo veel geschreven is, en, moet er aan toe gevoegd worden, waarover zo veel is bijeengefantaseerd als het Franse Vreemdelingenlegioen.

Vanaf de oprichting in 1831 is het legioen vrijwel onafgebroken in actie geweest (onlangs nog tijdens de Golfoorlog). Het heeft vooral een belangrijke rol gespeeld bij de verovering van de Franse koloniën, waarbij het zich niet zo zeer bediende van de mission civilisatrice-gedachte, als wel van de meer praktische shoot first benadering.

Het Legioen is uit angst geboren. Dat blijkt ook weer uit het recent verschenen definitieve, zeer gedetailleerde, maar helaas daardoor ook soms enigszins langdradige The French Foreign Legion. A Complete History door Douglas Porch. Tijdens de politieke crisis van 1830 werd Frankrijk door politieke vluchtelingen uit verschillende landen overstroomd. Al gauw ontstond de vrees dat deze ballingen de openbare orde in gevaar zouden brengen. In maart 1831 richtte Koning Louis Philippe daarom een apart korps op, een Légion étrangère, waarin de vreemdelingen bijeen konden worden gebracht, om hen vervolgens zo snel mogelijk buiten Frans grondgebied in te zetten. Op deze manier sloeg men vele vliegen in een klap: de potentiële oproerkraaiers vielen onder militaire discipline; militaire actie buiten de landsgrenzen zou op deze manier geen Frans bloed kosten; de vreemdelingen zouden even snel weer uit Frankrijk verdwijnen als ze gekomen waren, en er waarschijnlijk nooit meer levend terug te keren. Met militair beleid had dit alles niets te maken, het was simpelweg een poging de crisis het hoofd te bieden die door de vluchtelingenstroom was veroorzaakt. Het Legioen was, schrijft Porch, het ""onwettige kind van de Juli-revolutie''.

HANDJE HELPEN

De oprichting van het Légion was goed getimed. Vanaf februari 1830 waren Franse troepen actief in Algerije. Zonder succes trachtten zij het Algerijnse verzet te breken. De legionairs konden hierbij mooi een handje helpen. In 1832 bedroeg hun aantal reeds 3100, voor het merendeel Duitsers (2100) en Italianen (600); verder waren er kleine aantallen Polen, Zwitsers, Nederlanders, Belgen, Engelsen, Denen, Zweden, en zelfs Fransen.

De voertaal in het legioen was Duits, terwijl de mannen in nationale compagnieën waren georganiseerd (Nederlanders en Belgen waren toegevoegd aan de Duitsers). De sfeer was deprimerend, de meeste soldaten lagen permanent ziek, de militaire acties in het Noordafrikaanse bergland verliepen desastreus en kostten veel slachtoffers.

Maar met de inname van Constantine, in noordoost Algerije, in 1837 maakte het Legioen in één klap naam. Onder de nietsontziende leiding van luitenant Achille de Saint-Arnaud werd de stad tijdens een stormaanval veroverd en vervolgens uitgemoord en geplunderd. Een dergelijk "succes' was nog niet eerder behaald. Plots verdrongen officieren uit het Franse leger zich om bij het Legioen te mogen dienen. Vanaf dat moment bleef het onverbrekelijk verbonden met de Franse koloniale oorlogvoering in Algerije (tot eind van de jaren 1850), Indo-China (vanaf 1883), Dahomey (1892), en Madagascar (1895).

Nu schoot ook de ambivalente reputatie van het Legioen wortel. Enerzijds is er het beeld van een militaire elite, waarvoor geen onderneming te dol is en die in de strijd voor niets terugschrikt; anderzijds bestaat ook het beeld van de legionair als misdadiger, geneigd tot dronkenschap, desertie, vernieling en marteling van vredelievende burgers.

In feite gaat het boek van Porch over deze beeldvorming. Gedrag en motivatie van de legionair staan centraal in deze studie, die beschouwingen bevat over de sociale herkomst van de legionairs en hun motieven om dienst te nemen, over desertie en het gedrag in het garnizoen en op het slagveld, over de kwaliteit van het leiderschap, training en discipline-handhaving; dit alles afgewisseld met uitweidingen over gevechten.

Het was de beruchte generaal Thomas Bugeaud die het Legioen in Algerije in de jaren 1840 aaneensmeedde tot een strijdmacht die in staat en bereid was de contra-guerrilla rücksichtlos te voeren. Hij leerde de legionairs snelle en geforceerde marsen te maken en die af te ronden met een hinderlaag of overval. Hij introduceerde de razzia, een onverwachte overval op een dorp of een oase, waarbij de mannen werden gedood, de vrouwen en kinderen gevangen genomen, kuddes vee buitgemaakt en oogsten en voorraadschuren systematisch verbrand werden. Hij liet de legionairs te voet enorme afstanden afleggen in onherbergzame gebieden, waarbij niet zelden soldaten bezweken onder de overmatige fysieke en mentale inspanningen. Onder Bugeaud moest je, zo schreef een legionair, ""de benen van een reebok, het hart van een leeuw en de maag van een mier'' hebben.

BORDELEN

Algerije werd de thuisbasis van het Legioen en zou dat blijven tot 1962. Sidi-bel-Abbès, ten zuiden van Oran in west Algerije, werd ingericht als hoofdkwartier. Het leven in de stad werd volstrekt beheerst door het Legioen; veel soldaten bleven er bovendien na hun diensttijd wonen. Vrijwel alle herinneringen van legionairs bevatten een beschrijving van Sidi-bel-Abbès, van de garnizoenen, de kroegen en bordelen (voornamelijk gevuld met Noordafrikaanse vrouwen), en natuurlijk ook van de pogingen om er uit weg te komen.

Honderden legionairs hebben in de loop der jaren een poging gewaagd te deserteren, meestal zonder succes. Waar zouden deserteurs ook heen hebben gekund? Omringd door een vijandige wereld, direct herkenbaar als voorvluchtige militairen, het veilige (Europese) buitenland ver weg, was desertie althans in Afrika tot mislukken gedoemd. Elders, waar de geografische situatie gunstiger was, kwam desertie wel vaak voor. Toch was het, zo blijkt uit dit boek, lang zo omvangrijk niet als wel gedacht wordt. Volgens Porch schommelde het desertiepercentage tussen de 5 en 15%, een aantal dat niet erg afwijkt van dat van het Franse leger in die jaren.

Het aardige is dat Porch als verklaring voor de desertie ook wijst op de Legioenscultuur. Een poging tot desertie ""hoorde er bij'', zoals overmatig alcoholgebruik of met elkaar op de vuist gaan. Een soldaat die deserteerde, om enige tijd later weer geboeid het garnizoen te worden binnen gesleept, kreeg prestige en gold vanaf dat moment pas als een echte legionair. Gepakte deserteurs werden dan ook niet voor de krijgsraad gedaagd, maar kregen een fysieke, vaak zeer pijnlijke, maar korte straf, waarna ze, zonder dat er verder woorden aan vuil gemaakt werden, in hun onderdeel terugkeerden.

Op het beeld dat het Legioen bestond uit het schuim der natie, brengt Porch een flinke correctie aan. De meeste mannen kwamen om te ontsnappen aan een pover bestaan als arbeider of boerenknecht, om te ontkomen aan werkeloosheid en armoede, of ook om een uitweg te zoeken uit een perspectiefloos leven. Nog weer anderen, vaak jongens van 16 of 17 jaar, namen dienst uit zucht naar avontuur en om wat van de wereld te zien. Zij hadden in het algemeen spoedig spijt van hun besluit.

Het leven in het Legioen was saai en hard. De verveling werd slechts afgewisseld met onderlinge vechtpartijen, overmatig alcoholgebruik en bordeelbezoek, voorzover de financiën het toelieten. De legionairs kregen niet meer dan 5 centimes per dag, hetgeen hen noodzaakte om te zien naar bijverdiensten. Het was niet ongebruikelijk in Sidi-bel-Abbès legionairs aan te treffen als straatzangers of allerlei karweitjes te zien verrichten voor burgers.

STRAATGEVECHTEN

Tijdens militaire acties was de situatie echter volstrekt anders, beklemtoont Porch. Daar onderscheidden de legionairs zich door drieste acties. Dat het Legioen een goede reputatie bij de Franse staat had opgebouwd, bleek in de jaren 1850 toen het voor het eerst werd ingezet voor de oorlogvoering in Europa tijdens de Krimoorlog (1854-1856) en de slag bij Magenta in Italie (1859). Hoe belangrijk het korps was geworden, bleek verder uit de deelname aan de Frans-Duitse oorlog (1870-1871), maar vooral uit de rol die het speelde bij het neerslaan van de Commune in 1871. Tijdens dagenlange, felle straatgevechten met de Communards leed het Legioen meer verliezen dan in de slag bij Magenta.

Intussen was het Legioen ook in Amerika in actie gekomen. Porch besteedt veel aandacht aan deze merkwaardige episode. Door toedoen van Napoleon III was aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk op de Mexicaanse troon terecht gekomen. Om hem een beetje op weg te helpen, deed Napoleon hem het Legioen cadeau. Dit Mexicaanse avontuur zou echter heel slecht aflopen. De aartshertog werd terechtgesteld en van het Legioen kwamen meer dan 1900 militairen om (waarvan 1600 door ziekte); honderden legionairs deserteerden naar de naburige Verenigde Staten of naar de Mexicaanse guerrilleros en meer dan de helft van het aantal officieren zocht een goed heenkomen in Europa.

Toch was het Mexicaanse avontuur in één opzicht geslaagd. Een op zich zelf onbeduidend gevecht bij El Camarón (Camarone) op 30 april 1863, waarbij 62 legionairs onder kapitein Danjou zich tegen een overmacht van Mexicanen vrijwel tot de laatste man dood vochten, werd in later jaren opgeblazen tot mythologische proporties en beschouwd als de expressie van de ware mentaliteit van het Legioen. Er werd zelfs een uitdrukking voor gevonden: ""faire Camarone'', dat wil zeggen vechten tot de laatste man in een geest van heroïsche doodsverachting. De herdenking van dit gevecht werd vanaf 1931 elk jaar gevierd, met een parade waarbij de houten hand van kapitein Danjou (gevolg van een verwonding in de Krimoorlog) in een glazen kistje werd meegedragen.

De twintigste eeuw bracht grote veranderingen. Een felle Duitse propaganda campagne tegen het Legioen, waarin het werd afgeschilderd als een verzamelplaats van misdadigers, leidde ertoe dat het aantal Duitsers sterk afnam. Hun plaats werd ingenomen door Fransen. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldden zich ook voor het eerst recruten met een uitgesproken politieke motivatie. Communisten en socialisten aller landen, moffenhaters en Francofielen uit de hele wereld, verdrongen zich voor de poorten van het Legioen.

Het resultaat was een gespannen sfeer tussen de oude legionairs, waaronder nog altijd veel Duitsers, en de nieuwe idealisten, door de veteranen geringschattend "les intellectuels' genoemd. Voor vaderlandsliefde was in het Legioen nimmer enige plaats geweest, dus waarom nu wel? Porch vertelt hoe een van de nieuwbakken legionairs na het voorlezen van de oorlogsverklaring de fout maakte luidkeels "Vive la France' te roepen. Onmiddellijke arrestatie en dertig dagen strenge opsluiting waren zijn deel.

ONTBERINGEN

Tijdens het Interbellum verloor het Legioen de aansluiting bij de moderne oorlogvoering en werd meer en meer een anachronisme. De opvatting bleef dat alles moest blijven draaien om een pure, geharde infanterie die uitblonk in het gevecht van man tot man en die bestand was tegen de ontberingen van klimaat en terrein. Moderne transportmiddelen, nieuwe technologie en zelfs artillerie waren frivoliteiten waaraan het Legioen zich niet mocht bezondigen.

Juist in deze jaren bouwde het Legioen bewust aan het eigen imago. Was er in werkelijkheid nooit een echte uniform geweest - de legionairs trokken aan wat ze wilden, vaak zelfs Arabische kleding die tenminste bescherming bood tegen zon en zand en bovendien de vijand in verwarring bracht - nu werd ""het traditionele uniform in ere hersteld''. Het ging om de witte kepi (met couvre-nuque), de rode en groene epauletten en de blauwe heupband. Dit uitvinden van tradities ging natuurlijk gepaard met officiële geschiedschrijving: in 1931 werd met Le Livre d'Or de la Légion étrangère een poging gedaan het verleden te reconstrueren en de identiteit te verwoorden. Er werd strikt op toegezien dat hierin geen concessies werden gedaan aan burgerlijke waarden: Legio patria nostra was het adagium.

De Tweede Wereldoorlog bracht nog grotere schokken dan de Eerste. De traumatische breuk tussen Vichy-getrouwen en aanhangers van De Gaulle betekende een fatale politisering van het Legioen. Tijdens de oorlog kwamen regimenten van het Legioen ook daadwerkelijk tegenover elkaar te staan: in juni 1941 raakte het 6de regiment (Vichy) in Syrië slaags met het oprukkende 13de regiment (De Gaulle). Nu waren het de politiek gemotiveerde troepen die het best vochten. Het Legioen zag zich voortaan als de hoeder bij uitstek van het Franse nationale belang in de koloniën. Het zou zich daarmee steeds sterker identificeren hetgeen ten slotte zou leiden tot de staatsgreep van 1961 in Algerije.

De naoorlogse jaren stonden in het teken van de grote conflicten in Indo-China en Noord-Afrika. Zij brachten het Legioen, dat in 1948 grotendeels werd omgevormd tot parachutisten-korps, het Bataillon étranger de parachutistes, overwinningen, maar ook schokkende nederlagen, zoals bij Dien Bien Phu (waar het legioen faalde in zijn zelf-opgelegde historische opdracht van faire Camarone), tot uiteindelijk de schande van de staatsgreep van 1961 en de daaropvolgende ontbinding en zuivering. Porch geeft van de gebeurtenissen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog een voortreffelijke beschrijving, zonder overigens veel nieuws aan onze kennis toe te voegen.

MARTELINGEN

Na jaren van afwezigheid was het Legioen in 1954 weer in Algerije teruggekeerd. Het was de terugkeer van een verslagen leger, dat niettemin onmiddellijk moest beginnen aan een oorlog die nog wreder zou zijn dan die in Indo-China. Bij de verharding van de strijd stond het Legioen vooraan. Door de combinatie van offensieve contra-guerrilla met hulp van helikopters, een inventief inlichtingen-systeem, een succesvolle infiltratie in de gelederen van de Algerijnse bevrijdingsbeweging en een ongeremde toepassing van marteling tijdens verhoren, slaagden de Fransen er in de Algerijnen aanvankelijk op de knieën te krijgen. Maar internationaal was het Franse prestige geschonden en in Frankrijk zelf raakten velen het vertrouwen in het nut van de strijd kwijt. Ook militair gezien vielen er de nodige kanttekeningen bij te maken. Toen marteling een issue werd, was de oorlog eigenlijk al verloren. Bovendien gaven de gemartelden veelal informatie waar men volstrekt niets aan had.

De militairen reageerden op het verzet van het publiek en de pogingen van politici om het conflict te beëindigen met toenemende woede en frustratie. Aan de Generaalsputsch van april 1961 namen ook officieren van het Legioen deel, vooral van het 1ste regt. Parachutisten. Voor het Legioen ging het om leven en dood; Algerije en Sidi-bel-Abbès waren sacrosanct, onaantastbaar. Na de smadelijke mislukking van de coup werd het Legioen gezuiverd: het 1ste regt. para's en het 1ste regt. cavalerie werden ontbonden. Officieren kregen hun congé en na meer dan een eeuw het centrum van het legioensbestaan te zijn geweest werd Sidi-bel-Abbès ontruimd. De legionairs namen verbitterd afscheid. De archieven werden in brand gestoken, de geweren leeggeschoten, de inboedel kort en klein geslagen, de decoraties weggesmeten, waarna de gefrustreerde militairen werden afgevoerd in vrachtauto's naar hun nieuwe behuizing in Zuid-Frankrijk onder het zingen van "Je ne regrette rien'.