Hockeyer Bolhuis: keihard voor zichzelf en de rest

André Bolhuis, chef de mission in Barcelona, maakte al drie keer eerder Olympische Spelen mee, twee als speler en één als manager van het Nederlandse hockeyteam. Het verhaal van de hockeyer Bolhuis, 128-voudig international. “Ik was wel een beetje als Jan Wouters, ja.”

Het WK van 1973 in het Wagener- stadion. In de herinnering van de doorsnee-sportfan zal André Bolhuis geen al te grote rol spelen in het gouden succes van Oranje. Want hij maakte geen doelpunten en was ook niet betrokken bij de zinderende strafballenserie in de finale tegen de Indiërs. De experts weten wel beter. Velen van hen noemen Bolhuis de belangrijkste speler van het winnende team en niet topscorer Ties Kruize, keeper Maarten Sikking of Bart Taminiau, die de laatste strafbal benutte.

Bolhuis was de motor van de wereldkampioen en redde Oranje bovendien van een zekere nederlaag in de finale. Hij haalde vlak voor het einde met een wanhoopsduik een bal achter de geslagen Sikking weg. “André pikte de winnende goal van de lijn”, omschrijft Ab van Grimbergen, toen de bondscoach, het. Bolhuis terug in de tijd: “Het was een sensationele actie, al zeg ik het zelf.”

Dat ene moment maakte destijds grote indruk op Bolhuis. Hij stond op het lijstje van Van Grimbergen om tegen India een van de vijf strafballen te nemen. De derde. Net zoals in de halve finale tegen West-Duitsland. Bolhuis bedankte echter plotseling voor de eer. “Ik durfde niet meer. Ik twijfelde. Volgens mij kwam dat door die redding.” Bolhuis werd vervangen door zijn kamergenoot Jeroen Zweerts. “Hij was de zesde man voor de strafbal. Hij kon 'm goed nemen, misschien wel beter dan ik. Dat zei hij ook altijd tegen me. Ik kan het beter dan jij.”

Het was Bolhuis die in 1973 na een tegenvallende WK-start van Nederland hoogstpersoonlijk de problemen signaleerde en zijn ploeggenoten vermanend toesprak. Die ingreep zorgde voor de ommekeer. Coach Van Grimbergen: “Nico Spits was officieel onze aanvoerder, maar eigenlijk was André het.” Bolhuis: “Ik denk dat ik vroeger geen makkelijke jongen was voor coach en medespelers. Ik dreef vaak mijn zin door. Daar ging ik soms te ver in. Ik heb weleens een vent uit het Nederlands elftal gespeeld. Hij beviel me niet en dan gaf ik hem passes die hij niet goed kon behandelen. Dan zei ik na afloop tegen de coach: Zie je wel. Hij bakte er niets van.”

Litjens als ideale compaan

Bolhuis' invloed zorgde er na de eerste paar mindere wedstrijden bij het WK van 1973 voor dat zijn vriend en clubgenoot bij Kampong, Paul Litjens, in het elftal werd gezet. “Paul had een geweldige Ausdauer. Hij bleef gaan. Ik kon bovendien uitstekend met Litjens samenspelen, een ideale compaan. Ik wist blindelings waar hij liep en wat hij ging doen. En ik moest het van mijn dodelijke pass hebben. Ik kon een speler in één keer vrij in de cirkel zetten. Ik gaf geen lullige balletjes, welnee.”

André Bolhuis negentien jaar later over het WK van 1973: “Dat toernooi is eigenlijk het enige dat ik écht goed heb gedaan.” Ander goud won hij namelijk niet in zijn interlandcarrière. Toch noemt hij het WK van 1978 in Argentinië zijn beste toernooi. Nederland werd tweede. Bolhuis kreeg in de halve finale tegen Australië op de doellijn een bal keihard tegen zijn hand geschoten. Hij vertrok geen spier en derhalve gaf de scheidsrechter ook geen strafbal. Na afloop bleek Bolhuis zijn duim gebroken te hebben.

Het typeert de wedstrijdmentaliteit van Bolhuis. Hij was keihard, voor zichzelf en voor anderen. Tegenstanders van toen herinneren zich hem als een gemene speler die constant praatte en provoceerde. Bolhuis: “Ik was op zijn minst een Diepeveen-type.” Hij geeft toe soms over de schreef te zijn gegaan. “Ik was een relativerende sportman. Totdat het beginsignaal klonk. Vanaf dat moment was ik verschrikkelijk enthousiast en liet ik me door niemand omverzetten. Dat was mijn eer te na.” Ties Kruize, een andere legendarische hockeyheld, noemt Bolhuis “een vuurvreter”. “Hij moest en zou winnen.” Kruize en zijn vriend Leefers botsten bij Oranje nog weleens met Bolhuis en Litjens, in de hockeywereld bekend als de Haags-Utrechtse vete. De betrokkenen noemen die verhalen nu overtrokken. Maar er was wel degelijk een verschil in instelling, de pure resultaat-hockeyers tegenover de "mooie'-hockeyers. Bolhuis: “Ties en Wouter hielden meer van het oogstrelende werk, pingelen, bal terughalen en nog eens pingelen. Ze hadden ook allemaal verschillende kleuren tape voor hun stick, roze, groen, blauw, verschrikkelijk.” Met name tijdens het WK van 1978 stonden de partijen lijnrecht tegenover elkaar. Een uren durend gesprek op de hotelkamer van Wim van Heumen (Bolhuis: “Een supercoach”) in Buenos Aires in de avond en nacht voor de halve finale loste niets op, maar er werd besloten tot een wapenstilstand en Oranje bereikte de eindstrijd.

Bolhuis en Kruize zeggen jaren later “nog steeds vriendjes” te zijn. “Er was ook absoluut geen sprake van persoonlijke rancune”, vertelt Bolhuis. “Zo kwam het voor dat Ties en ik de dag voor KZ-Kampong relaxed een golfwedstrijdje speelden.”

“André Bolhuis zou”, oordeelt Wim Cornelis, de voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Hockey Bond, “ook een goede individuele sporter zijn geweest. Hij had een buitengewone mentaliteit.” Cornelis vindt Bolhuis de beste hockeyer die Nederland ooit heeft gehad. Maar hij is misschien niet helemaal objectief. De twee hebben een speciale band. Bolhuis spreekt over Cornelis als zijn “godfather in de sport”. De bondsvoorzitter was manager van Kampong toen Bolhuis als “broekje van achttien” van Soest naar de Utrechtse club kwam. Cornelis: “Veel jongens uit het team studeerden en ik lette een beetje op of ze wel gezond aten en zo. Dat heeft kennelijk indruk gemaakt.” Cornelis is de voorganger van Bolhuis als olympische chef de mission. “Maar ik heb zijn naam niet genoemd. Die van Ard Schenk wel. Uiteraard heb ik wel met de benoeming van Bolhuis ingestemd.”

Alweer zijn vierde Spelen

De Olympische Spelen van Barcelona worden de vierde voor André Bolhuis. In München (1972) en Montreal (1976) was hij speler, in Los Angeles (1984) manager van de hockeyers. Moskou '80 miste hij door de boycot. “Dat was heel vervelend. Ik was toen aanvoerder en het zou mijn laatste grote toernooi worden.” De gouden medaille lag in Moskou simpel voor het grijpen, herinnert Bolhuis zich. “De meeste goede hockeylanden deden niet mee.” München en Montreal hadden Bolhuis en zijn ploeggenoten slechts vierde plaatsen opgeleverd.

Opmerkelijk genoeg was Bolhuis in 1980 een van de initiatiefnemers van de olympische boycot. “Vreemd eigenlijk, hè?” Bolhuis ziet het achteraf als een reactie op eerdere gebeurtenissen. Hij had in 1978 in tegenstelling tot anderen - de huidige bondscoach Hans Jorritsma vooral - zonder protest meegedaan aan het WK in het politiek besmette Argentinië. En ook na de Palestijnse terreuractie in het olympisch dorp in München was hij gewoon blijven hockeyen. Zijn vriend Litjens vertrok toen wel naar huis. “Paul was ook wisselspeler”, zegt Bolhuis lachend. “Ach, in die tijd sportte en studeerde ik en had voor andere zaken geen oog. Later veranderde dat. Voor Moskou vond ik waarschijnlijk dat ik ook eens een daad moest stellen.” Nu spreekt hij van “een over-reactie”. “Want wat heeft die boycot nou voor een effect gehad?”

Bolhuis maakte van dichtbij mee dat het karakter van de Olympische Spelen volledig veranderde door de aanslag op de Israelische ploeg in 1972. Hij herinnert zich München “voor de grote knal” als gezellig en vrij. “Er was geen bewaking. Iedereen liep het dorp in en uit. Bij de poort stonden de vriendelijkste mensen en maar heel af en toe zag je een politieman. Vier jaar later in Montreal reden er militairen met stenguns met de spelersbus mee, cirkelden er voortdurend helikopters boven je hoofd en stond er een kordon politie om het veld als we trainden.” Leuk vindt hij die verandering niet. Maar hij accepteert het wel. “Want het is niet de schuld van de sporter.”

Bolhuis was in 1968 overigens al kandidaat voor de Olympische Spelen van Mexico. Het ging toen tussen hem en Jan Benninga om de laatste plaats in de selectie. Bolhuis verkoos min of meer zelf thuis te blijven. Hij zat vlak voor zijn kandidaatsexamen en besefte dat hij het zich niet kon permitteren vijf weken van huis te zijn. “Achteraf ben ik blij met mijn keuze”, oordeelt hij. “Benninga speelde in Mexico niet één wedstrijd.”

Hockey ging voor André Bolhuis altijd samen met zijn opleiding tot en zijn werk als tandarts. “Dat vak vond ik minstens zo boeiend en interessant als hockey.” Hij beseft dat het combineren van studie en werk met het bedrijven van topsport tegenwoordig nog moeilijker is dan in zijn tijd. “Maar topsport is hoe dan ook verdomd leuk werk. Soms wordt weleens de indruk gewekt dat dat niet zo is. Maar het is echt geen strafkolonie in Siberië. Het is altijd nog beter dan achter een duf bureau zitten.”

Hoe zal de 45-jarige tandarts uit Utrecht zich straks in Barcelona voelen tussen al die frisse en jonge sportmensen? “Als een sporter tussen de sporters, maar dan wel een oude die de anderen niet echt stoort en daarom geduld wordt. Hij kan het niet meer zo goed, maar laat 'm toch maar meedoen.”