Het Toestel, Het mysterie van het verdwenen jongensboek

Het Geheim van...'. "Raadselen rond...' "De verdwenen...' Waar zijn toch de jongensboeken gebleven zoals ze in de dagen van weleer werden geschreven en gellustreerd? NRC Handelsblad laat dit fenomeen een zomer lang herleven. Deze week helpen Wim en zijn kameraden de UNO.

Een laatste klap met de hamer en het Toestel was klaar! Vol trots deed ons viertal een paar stappen achterwaarts en bekeek de glanzende stangen, het strakke doek, de sierlijke steven, de fraaie wielen, de stoere wijspompen, de schoorsteen, het kompas en de handgrepen, allemaal in een andere felle kleur om noodlottige vergissingen te voorkomen: een voor omhoog, een voor omlaag, twee voor opzij en de rest voor achteruit en vooruit. Maanden en maanden hadden ze eraan gewerkt, ieder zakcentje opzij gelegd, de hele zomervakantie er aan opgeofferd en zelfs hun huiswerk verwaarloosd. Maar de meester, die wel vermoedde wat er aan de hand was, had een oogje toegeknepen.

Nu was het november. De storm huilde om de schuur die af en toe blauw-fel door de bliksem werd verlicht maar wat deerde het noodweer! Ze wisten het zeker: het Toestel zou alle beproevingen glansrijk doorstaan. Niet voor niets had Felix, de geleerde van ons viertal, de hele zomer in drukke correspondentie met professor Piccard gestaan. Die had plezier in de vier ondernemende jongelui gehad. Toen het even mis dreigde te lopen had hij nog een speciale formule gevonden waardoor de zwaartekracht een onverwachte rol werd toebedeeld.

Wie waren de vier in deze schuur vol gereedschappen, meters, gewichten en stellages? Daar was eerst natuurlijk Wim, die op het idee was gekomen. Bovendien stond de schuur op het erf van Wims vader. Het plan was dat ze met een klein groepje de UNO zouden gaan helpen! Kordaat als hij was had Wim meteen een brief aan Trygve Lie geschreven. Uit het antwoord had hij opgemaakt dat de vriendelijke secretaris-generaal wel twijfelde maar er toch iets in zag. 't Was voldoende aanmoediging voor Wim om een groepje om zich heen te verzamelen en aan de slag te gaan. Natuurlijk had hij eerst Felix, de knapste kop van de klas, gevraagd. Felix had onmiddellijk al een paar berekeningen op papier gezet. Op een goede dag, in de pauze, was hun oog op Bart gevallen: een kleine bewegelijke jongen die, school of geen school, aan zijn fiets zat te sleutelen. Bart was enthousiast; hij popelde om aan de slag te gaan. Met hun drieen waren ze het er daarna gauw over eens dat er ook een meisje bij moest, en heus niet alleen om thee te zetten! Dat moest natuurlijk Suze zijn, de robbedoes van de klas. Maar wie zou haar vragen? Felix meldde zich als vrijwilliger, Wim dacht dat hij als voorzitter het misschien beter zou kunnen. Bart gooide een kwartje op: kop of munt? Wim won en, om kort te gaan, Suze vond het een geweldig idee. De volgende maanden zou ze de jongens nog verbluffen met haar timmerkunst.

ew,1lJa, nu was het zo ver. Trots maar toch ook met een beetje weemoed namen ze op deze laatste werkmiddag afscheid van elkaar. Die prachtige tijd van gemeenschappelijke inspanning was omgevlogen en nu was het plotseling voorbij. Morgen herfstvakantie! Als het weer zou opknappen zouden ze het Toestel naar buiten rollen en voor het eerst proefdraaien, waarbij ze om beurten in de stuurstoel zouden zitten. Zo was het afgesproken.

Die nacht kon Wim de slaap niet vatten. Zou hij misschien vast heel even in de stuurstoel gaan zitten, zonder dat de anderen er iets van wisten? En dan starten, gewoon om het te proberen? Dat kon toch geen kwaad? Had hij per slot van rekening niet dat hele plannetje bedacht? Voorzichtig klom hij uit bed en liep op zijn tenen naar het raam. De wind was gaan liggen, uit de sloten sloop de mist langzaam over de weilanden. Maar wat gebeurde daar? Dat kon niet de weerkaatsing van het maanlicht op het raam van de schuur zijn. Binnen flakkerde een lichtje. Daar was iemand aan het Toestel aan het morrelen!

Zonder zich te bedenken rende Wim de trap af, in zijn pijama het erf op. Te laat! Nog juist zag hij een dikke gestalte met onwaarschijnlijke vaart in de richting van de Achterweg rennen, daar sloeg een motor aan, het geraas verdween snel in de verte. Het Toestel! Wat was er met hun mooie Toestel gebeurd?

Vol angst en beven opende Wim de schuurdeur. Een zucht van verlichting ontsnapte hem. Hun schepping stond er nog even gaaf en glanzend als op het ogenblik dat ze er die middag afscheid van hadden genomen. Tevreden snoof hij de geur van versekb,10c2 verf op. Hij had het toestel gered. Muisstil keerde hij terug naar zijn kamertje en kroop weer in bed. Die nacht droomde Wim dat het feest was in het dorp. Midden op het voetbalveld van de Veenwouder Duivels stond het Toestel, en op de eretribune zaten Trygve Lie, de burgemeester, zijn vader en moeder en daar kwam warempel ook de Koningin aan! Terwijl er saluutschoten klonken begon hij de handgrepen te bedienen en jawel, zwaar ronkend zette het Toestel zich in beweging. Suze zat naast hem. Op dat ogenblik werd hij wakker.

Aan zijn bed stond Moeder, metew,16l een kopje thee en een beschuitje. “Wat was jij aan het dromen, jongen. Het leek wel of je met een beer aan het worstelen was! Hier, dat heb je verdiend.” Ze zette de geurige thee op het nachtkastje. “Maar wat droomde je precies?” glimlachte ze.

Moeders zijn altijd nieuwsgierig, wist Wim. “Ach”, zei hij, haalde zijn schouders op en probeerde er iets omheen te mompelen.

“Dan hoor ik het straks wel”, zei Moeder. “Maar nu niet weer onder zeil hoor! Je slaapt een gat in de dag.”

Een gat in de dag! Hij keek op de wekker, sprong meteen op de vloer en rende naar het raam. Het was al negen uur, een prachtige najaarsochtend, het beste weer van de wereld om het Toestel te gaan proberen. Hij haastte zich naar de keuken, hield zijn hoofdew,16l heel lang onder de koude waterstraal, schoot zijn werkpak aan en ging voor de spiegel staan om een mooie scheiding in zijn weerbarstige haar te leggen. Met een natte kam ging het wel. Tien uur hadden ze afgesproken, Felix was er het eerst, op de fiets met Suze achterop. Na een kwartiertje kwam Bart ook opdagen. Ze hadden afgesproken dat ze zouden wachten tot iedereen er was om dan met z'n allen de schuur te betreden en zo ging het ook. In stilte was Wim blij dat hij die nacht niet op eigen houtje vast even gestart had en hij vertelde ook niet wat er was voorgevallen. Dat kwam later wel als de proefneming was gelukt.

Zwijgend gingen ze binnen, allen in eerbiedige bewondering voor wat ze eendrachtig met elkaar tot stand hadden gebracht.

“Ze is mooi he?” verbrak Felix het stilzwijgen.

Toestel is onzijdig, dacht Wim, maar hij zei niets.lk,44c4kb,10c2 In plaats daarvan keerde hij zich met een ruk om, duwde de grote dubbele schuurdeuren open, liep vastberaden op het Toestel af en ging in de stuurstoel zitten. De anderen weken in gespannen afwachting een stapje terug.

Op het ogenblik dat hij, ademloos van spanning, de startknop wilde indrukken, stak Suze plotseling haar hand op. “Wacht! Ik hoor iets!” riep ze.

Uit de richting van de Achterweg naderde snel sirenegeloei. Met gierende banden stopte een politieauto en daarachter nog een gesloten auto met tralievensters aan de zijkant. Uit de politieauto renden vier mannen op de schuur af, voorop de veldwachter. De anderen hadden gleufhoeden en regenjassen.

“Halt! Stop! Niet starten! Om 's hemelswil, niet starten!” riep de veldwachter.

Wim was weer uit de stuurstoel geklommen. Samen met de anderen wachtte hij aan de ingang van de schuur de mannen op.

De veldwachter was doodsbleek. “Op tijd”, stamelde hij. “Nog net op tijd.” Hij zette de pet af en wiste zich het zweet van het voorhoofd.

“Wat is er? Wat is er dan?” vroeg het viertal bevreemd en geschrokken door elkaar.

“Ga maar mee”, zei een van de mannen, die onder zijn gleufhoed nog een zonnebril droeg. Hij liep voorop naar de achterste auto met de getraliede raampjes. Nog altijd diep onthutst keek ons viertal naar binnen. Daar ontwaarden ze een dik opgezwollen mannenhoofd waar uit kleine boze ogen een brandende haat straalde.

“Maar dat is... dat is... maar dat kan niet”, kon Wim nog uitbrengen.

“Juist!” zei een van de mannen. “Dat kan wel, en het is Dik Trom!”

“Maar waarom!” riep Suze uit.

“Kom maar mee, dan zal ik het jullie uitleggen, en, a propos, wij zijn van de Geheime Dienst.”

Terwijl ze terugliepen naar de schuur begon hij te vertellen. “Kijk eens, jullie begrijpen natuurlijk wel dat niet alleen de UNO belangstelling voor jullie Toestel heeft. De laatste tijd spreken de Russen ook een woordje mee. Moskou zocht naar iemand die het dorp door en door kent en toen stuitten ze vanzelf op Trom. Die wist van de proef die jullie vandaag zouden gaan doen. Afgelopen nacht is hij de schuur binnengedrongen en daar heeft hij in opdracht van Moskou alle handgrepen in een andere kleur geverfd. Groen van vooruit werd rood van achteruit, en blauw van omhoog werd zwart van omlaag en zo verder. Op die manier heeft hij het erop aangelegd het Toestel met zijn bestuurder te laten ontploffen. Begrijpen jullie?”

“Ja, ik begrijp het wel”, zei Felix. “Maar hoe en waarom? Wat was zijn motief en hoe is de Geheime Dienst erachter gekomen?”

“Dat kunnen wij niet zeggen”, zei de man. “Daar zijn wij Geheime Dienst voor. Nooit teveel vragen. Jullie mogen blij zijn dat het zo goed is afgelopen. Wees daar maar tevreden mee. Het was op het nippertje.”

“Jij hoorde de sirenes van de Geheime Dienst het eerst”, fluisterde Wim in Suzes oor. “Jij hebt me het leven gered.” Hij greep haar hand en drukte die dankbaar en hij voelde hoe ze een kneepje terug gaf.