Het Grieks-Turkse heelal; Testament van een correspondentschap

Pas bij mijn vijfde bezoek aan Griekenland, in 1959, besloot ik niet meer naar Nederland terug te gaan. Sinds 1951 was ik er elke twee jaar geweest. Die eerste zomer had ik mij op het laatste moment aangesloten bij vijf andere studenten van mijn dispuut HOMERUS die de reis al maandenlang aan het voorbereiden waren. Van deze zes werd ik degene die genadeloos in de ban raakte van het land en zijn bewoners.

Het was liefde op het eerste gezicht, wederzijds. Voor de Grieken was dat niet moeilijk, die haalden, zo vlak na hun burgeroorlog, elke buitenlander die hun land bezocht enthousiast en warm in. En een groep was toen nog iets extra bijzonders. Wij waren zowat de eerste Nederlandse toeristen - dat woord kenden de Grieken toen nog niet, men sprak van periïgitis. In de vroege morgen stonden er twee auto's van wat toen nog het Nederlands gezantschap heette aan de haven om ons naar een ontbijt in de ambtswoning te brengen.

Zelf was ik vanaf het begin onder de bekoring van de gastvrijheid en gastvriendschap der Grieken, hun levensgemak, hun welbespraaktheid - al beheerste ik toen hun taal nog niet - en wat later ook van hun muziek. Toen ik na acht jaar het besluit nam bij hen te blijven, wist ik maar al te goed dat deze gaven mij zelf niet deelachtig zouden worden. Gastvrij: je bent het of je bent het niet. Het levensgemak: ik vergaap mij eraan, maar maak het mij niet eigen (alleen al die achteloze manier waarop zij de rekening betalen in het restaurant).

De Grieken praten zo veel en zo goed dat zij nooit uitgesproken raken. Daarom is iets ook nooit "afgesproken', moeten zij voor het begrip "afspraak' terugvallen op het Franse woord "rendez-vous', maar ik blijf Nederlander en hecht nog wel aan afspraken. En de muziek, de dans? Al kan ik nu wel wat liederen meezingen, het blijft toch voornamelijk luisteren en nog eens luisteren, kijken en nog eens kijken. Nee, ik ben geen Griek geworden.

Toen ik in maart '59 vanuit Athene begon te schrijven voor het Algemeen Handelsblad, deed ik mijn stukken gewoon op de post, soms niet eens per expresse. Zij hadden geen haast, want in Griekenland gebeurde eigenlijk niets dat internationaal de aandacht trok.

Het eerste artikel ging, als ik mij goed herinner, over een voorstelling van Aristofanes' komedie "Vogels', die door religieuze fanatici werd verstoord omdat er een moderne priester in voorkwam. Maar ook berichtte ik dat voorjaar over de oprichting van een politieke beweging waarin de diverse liberale partijtjes moesten samengaan onder generaal Grivas, van de toen juist voorbije guerrillastrijd op Cyprus.

Totaal vergeten intussen, die poging, ook in Griekenland. Het was helemaal niet zo erg als zo'n stuk pas een week later werd geplaatst. De meeste belangstelling in het Westen gold, een jaar later, het huwelijk van de Griekse prinses Sofia met de Spaanse prins Juan Carlos, dat op zo'n onverwacht succes is uitgelopen. In mijn berichtgeving liet ik blijken niet onverdeeld gelukkig te zijn met de geweldige pracht en praal - het Griekse volk moest zelfs een bruidsschat opbrengen - en weer een jaar later zette ik vraagtekens bij de nieuwe verkiezingsoverwinning van premier Karamanlis. Deze was door de liberale oppositie, ook weer met een dosis overdrijving, uitgeroepen tot produkt van ""geweld en fraude''. Eén van de dingen die mij aan het denken zetten, was dat Karamanlis in het hele land zo'n 50 procent had gekregen, maar dat het percentage bij de strijdkrachten, die apart stemden, 90 was.

Dat was gewoon een succes van de goede voorlichting in het leger, schreef de Griekse ambassade in een boze ingezonden brief. Ik mocht ongemoeid doorschrijven, het land was bepaald nog geen dictatuur, maar veel later merkte ik wel dat ik op een soort "zwarte lijst' was geplaatst.

In 1963 moest Karamanlis plaatsmaken voor Papandreou de Oude. De roerige zomer van 1965, waarin Koning Konstantijn een ernstig constitutioneel conflict met deze liberale premier uitvocht, kwam Athene eindelijk onder permanente internationale aandacht en mijn stukken gingen nu uitsluitend telegrafisch naar Amsterdam. De staatsgreep van april 1967 trok nog meer belangstelling, maar daarover kon ik niets kwijt, de verbindingen waren verbroken. Kort daarop werd ik, als eerste buitenlandse correspondent, het land uitgezet.

""In zo'n Griekenland wil ik niet eens blijven'', had ik tegen de ondervragers van de geheime dienst gezegd, die van mij trachtten te vernemen - met oorvijgen en bedreigingen - waar de componist Theodorakis zich verborgen hield. Ik wist het niet, gelukkig.

Ik viel terug op Turkije. Vanuit Istanbul bleef ik ook het Griekenland van de kolonels in de gaten houden. Het waren niet alleen sommige lezers, maar ook kopstukken op de krant - intussen NRC Handelsblad geworden - die zich in de volgende jaren afvroegen hoe iemand over een land kan schrijven waar hij persona non grata is? Moet de negatieve toon die hij blijft aanslaan dan niet worden geïnterpreteerd als produkt van persoonlijke wrok?

Ik meen dat er van woede zeker sprake is geweest maar dat ik dat persoonlijke aspect erbuiten heb gehouden. Hoe het zij, zij had geen jaar langer moeten duren, die Griekse dictatuur. In juli 1974 loste zij in het niets op, temidden van de chaos rond Cyprus, waar ik getuige was van de Griekse staatsgreep tegen Makarios, en de Turkse inval, vijf dagen later. Het weer democratische Griekenland onder Karamanlis ontving mij met open armen.

Sindsdien ben ik over Griekenland en Turkije blijven schrijven, woningen in beide landen aanhoudend. De landen staan nog altijd met elkaar op slechte voet; vooral de Grieken vonden het maar vreemd dat ik steeds weer naar dat akelige Turkije terugging maar het was, journalistiek gezien, een vruchtbare ervaring gedurig van de ene in de andere vanzelfsprekendheidssfeer terug te komen, en zelf in geen van beide op te gaan.

Er kwamen klachten, soms van de ene, soms van de andere kant. Het zou wat oppervlakkig zijn daaruit te concluderen dat ik het goed, want objectief heb gedaan. De waarheid ligt namelijk lang niet altijd in het midden; als wij naar de conflictstof kijken die tussen Griekenland en Turkije ligt opgehoopt, resulteert de indruk dat de ene kant soms voor tachtig, soms voor twintig procent gelijk heeft.

Naar objectiviteit moet steeds worden gestreefd, maar in gevallen waarin ik van mening was dat het gelijk slechts twintig procent bedroeg, of nul - ontstaan en optreden van de Griekse junta, de Turkse houding jegens de Koerden, de folteringen - heb ik altijd gevonden dat dit in de toon mag meeklinken. Een zekere woede, dan wel een zeker sarcasme. Het is en blijft "correspondentie' (dus een brief, eigenlijk) en niet een bericht van een persbureau. Het lezerspubliek mag zijn correspondent leren kennen.

Wat ik in die jaren van heen-en-weer bijna tot vervelens toe heb gedaan, is vergelijken. Misschien al te veel mensen die mij kwamen bezoeken, heb ik doorgezaagd met opmerkingen als: Turken drinken meer dan Grieken, áls zij drinken. Turken zijn aardiger tegen dieren. Grieken onderhouden onderling minder afstand. In Turkije zijn geen te dikke kinderen, in Griekenland snuit niemand zijn neus met zijn handen. In Turkije is het eten lekkerder. De Turken zijn beleefder, de Grieken gezelliger, enzovoort, enzovoort. Griekenland kent antisemitisme, in Turkije hebben de vrouwen het moeilijk.

Overigens ben ik na al die jaren tot de conclusie gekomen dat, als het erop aankomt, de overeenkomsten tussen de twee volken, geobserveerd tegen de achtergrond van de rest van de wereld, toch groter zijn dan de verschillen. Je moet ook erg oppassen voor voorbarige conclusies. Ooit constateerde ik dat in Turkije autowegen vlak langs de zee worden aangelegd. ""Dat zouden de Grieken nooit doen'', poneerde ik. ""Die zitten te graag aan hun zee. De nomadische Turken hebben iets tegen de zee, want daar konden zij niet verder.'' Maar inmiddels komen er ook op Griekse eilanden steeds meer wegen langs zee. Zijn de Turken de Grieken gewoon voorgeweest?

Gedurende de ruim 33 jaren dat ik dit werk heb gedaan, is er in de positie van beide landen veel veranderd. In de jaren zestig waren zij nog "eilanden' op het gebied van publiciteit. Wat er gebeurde, was nauwelijks van invloed op de buitenwereld, en omgekeerd, die buitenwereld beïnvloedde de ontwikkeling ter plaatse niet sterk. Als correspondent voelde je je vaak beschrijver van het exotische.

Sinds de jaren zeventig echter heb ik in Athene en Istanbul te maken gekregen met een uitdijend heelal. Griekenland, in 1981 lid geworden van de EG, kreeg steeds meer met "Europa' van doen, maar ook met de Balkan. Turkije, dat in 1987 een lidmaatschapsaanvrage indiende, keek eveneens meer en meer naar Europa en de Balkan, maar ging ook een grotere rol spelen in het Midden-Oosten, niet het minst omdat het daar via eigen en andermans Koerden bij betrokken raakte.

Maar de apotheose voor het Turkse heelal kwam door de ontbinding van de Sovjet-Unie, waardoor een hele melkweg van Turks-sprekende en ook christelijke staten bloot kwam te liggen, waarmee een gloednieuw scala van innige tot en met moeizame betrekkingen viel uit te stippelen. Tussen 1959 en '74 schreef ik, vanuit Athene en Istanbul, over Griekenland en Turkije (en Cyprus). Nu ik afhaak heb ik, met enige overdrijving, zowat de halve wereld tot mijn rayon gekregen.

Er is een groot verschil in de wijze waarop Griekenland en Turkije het uitdijen van hun heelal ondergaan. In Athene - en ik kan mij daar heel goed in verplaatsen - meen ik vaak een zeker heimwee te bespeuren naar de tijd dat de Grieken een wereldje op zichzelf vormden, met eigen tradities, zeden en gewoonten (dus hebbelijkheden), eigen muziek en een politieke constellatie waar de rest van de wereld niets mee te maken had. Die hele EG is natuurlijk wel verrijkend en heilzaam, vooral voor 's lands economie, maar zij blijft als "pottekijker' een zware druk, en van het "Balkanprobleem' Macedonië begrijpt men in Brussel niets. De Grieken op hun beurt begrijpen niets van de drukte die Europa maakt van het feit dat hier nog steeds ruim 400 dienstweigeraars in de gevangenis zitten. De Grieken weten dat hun gedragspatroon in de Brusselse gelederen als schilderachtig en bizar overkomt, maar zij willen er o zo graag aan vasthouden.

De Turken maken de indruk, met hun uitdijend heelal voornamelijk blij te zijn. Het kan hun niet groot genoeg worden. Doorstoten naar Europa, "terugkomen' op de Balkan en Centraal-Azië, contreien die alleen in de schoolboeken voortleefden; zij doen het met een elan dat steeds meer om zich heengrijpt.

Misschien komt het proces tegemoet aan hun aloude nomadische mobiliteit, die gepaard ging met verovering, nog altijd een woord dat wordt gecultiveerd. De enige Griekse veroveraar was Alexander de Grote, en nu die opnieuw wordt gecultiveerd - in het kader van de Macedonische kwestie - voelen de Grieken zich juist extra eenzaam en onbegrepen.

Het bovenstaande zou de indruk kunnen wekken dat, van de twee landen die ik als regelmatig correspondent "loslaat', het ene in een negatieve en uitzichtloze, het andere in een positieve en toekomstzwangere situatie verkeert. Die indruk zou onjuist zijn. Van beide landen is de toestand hoogst netelig, maar bij de Grieken heeft dit tot een complex geleid, bij de Turken nog niet.

De Grieken waren vooral de laatste maanden onrustbarend verongelijkt aan het worden. In die Macedonische kwestie hadden zij volgens mij wel voor meer dan vijftig procent gelijk, maar ook de zekerheid van eigen gelijk kan tot een obsessie leiden, en nationalisme kan gaan afglijden. Buitenlanders - niet alleen Nederlanders - merkten dat de oude xenofilie in xenofobie omsloeg.

Het jongste besluit van de EG, Athene inzake de naam van de Republiek Skopje zijn zin te geven (met als duidelijke Griekse tegenprestatie een elastischer opstelling tegenover Turkije) kwam geen dag te vroeg, het wordt hier als een overwinning gevierd, maar of de opluchting blijvend zal zijn, moet worden afgewacht. Er kunnen nog moeilijke tijden komen als de naam Macedonië toch voor binnenlands gebruik wordt aangehouden, bij voorbeeld op paspoorten en bankbiljetten, en als de boze buitenwereld dat slikt.

Feit is ook dat Griekenland door zijn zenuwachtige buitenlandse politiek het laatste jaar vrijwel uitsluitend vijanden heeft gekweekt op de Balkan: Albanië, "Skopje' en ook Bulgarije, landen waarnaar Turkije nu juist zo succesvol de vriendenhand uitsteekt. Het oude bondgenootschap met Servië, dat oppositieleider Andreas Papandreou nog wil versterken, werkt daarnaast in toenemende mate compromitterend.

De Grieken weten inmiddels dat hun land de laatste maanden mikpunt is geworden van spot in zowat alle toonaangevende bladen ter wereld, die er met meer of minder kennis van zaken over schrijven. Het ergst maakte het The Economist toen zij sprak van "De zieke man van Europa', een aanduiding die vroeger voor Turkije werd gebruikt. De Griekenland toebedeelde rol van "zwart schaap' in de EG (de uitdrukking is van Delors) is in de eigen pers al een begrip geworden: als Griekse karikaturisten premier Mitsotakis met lange oren uitbeelden, weet iedereen wat daarmee wordt bedoeld.

De aanduiding "zwart schaap' is overigens voornamelijk economisch beladen. De rapporten die vanuit EG en OESO over Griekenland worden opgesteld, kunnen worden samengevat met de bekende formule: hopeloos maar niet ernstig. Nog steeds leeft het land ver boven zijn stand. Het zwarte schaap kent de zwartste economie van Europa, nu geschat op vijftig procent.

Het kwam ook als bijna symbolisch over dat Griekenland zowat het enige land ter wereld was, waarvan geen leider aanwezig was op de recente mondiale milieuconferentie in Rio de Janeiro. Premier Mitsotakis, die tevens het ministerschap van buitenlandse zaken bekleedde, kon zich eenvoudig niet vrijmaken wegens de allesopslokkende Macedonische kwestie.

Het wachten is op een realist, een man die de Grieken de politieke werkelijkheid voorhoudt en hun duidelijk maakt waar de grenzen van de mogelijkheden liggen. Die het hele land ook naar buiten toe weer een serieus imago geeft. Te vrezen valt dat de Grieken daarvoor eerst toch nog door frustrerende ervaringen moeten gaan.

Ook in Turkije is wat meer gevoel voor de werkelijkheid broodnodig. De ontegenzeggelijk succesvolle politiek op de Balkan en de opening naar Centraal-Azië hebben het land in een roes gestort die kan doen vergeten dat ook hier de economische situatie uiterst zorgelijk is. De banden die met Tasjkent, Alma Ata en de andere Turks-sprekende hoofdsteden werden gelegd, bleven tot nu toe voornamelijk tot mooie Turkse woorden beperkt; het ontbreekt veelal aan de middelen om de opgedoken perspectieven waar te maken. Binnen Turkije wordt de kloof tussen rijk en arm steeds dieper.

Ernstiger nog is de bijna dagelijks verslechterende situatie in het Koerdische zuidoosten, die zich meer en meer aan de rest van het land mededeelt nu de Koerden ook daar bij miljoenen neerstrijken. Turkije verliest zijn "modelfunctie' bij al die landen en volken - van Albanezen in Tirana en Kosovo via Tataren die naar de Krim terugwillen tot en met Kirgiezen en Ughuren in Chinees Chinquiang - die naar zelfbestuur streven, als het zulk zelfbestuur onthoudt aan een zo grote minderheid op eigen gebied. Dit laatste leidt tot een barre interne oorlogssituatie waarin de civiele regering-Demirel, hoe liberaal ook van beginselen, machteloos is tegen de onderdrukking.

Hoe sterk men ook met de nieuwe regeringscoalitie, die zojuist lokale verkiezingen succesvol heeft doorstaan, kan sympathiseren, men kan zich bij tijd en wijlen niet onttrekken aan de gedachte dat de oplossing van Turkijes grootste probleem, nu dat Algerijnse proporties aanneemt, alleen zou kunnen worden voltrokken door een Turkse De Gaulle.

Maar De Gaulle of geen De Gaulle: Turkije zal de komende jaren geopolitiek een supermogendheid in de regio blijven, en het is niet toevallig dat mijn opvolger in Ankara moet worden gezocht. Zelf zal ik vanuit het aloude Athene de Griekse problematiek, die vaak wat kleinschaliger maar ook curieuzer overkomt, naar beste weten blijven voorzien van de exegese (goed Grieks woord) waar zij om vraagt.