Geen "Ons vir jou, Suid-Afrika'

Zuid-Afrika neemt voor het eerst sinds 1960 weer deel aan de Olympische Spelen. Na een typisch Zuidafrikaans voorspel van ruzie over nationale symbolen en de kleur van de atleten. De apartheid mag in de meeste sporten officieel zijn afgeschaft, de sporen zijn diep getrokken tijdens het olympische isolement van 32 jaar.

Tot het laatste moment streed het Olympisch Comité van Zuid-Afrika (Nocsa) met de sportbonden over het gehalte niet-blanken in de selectie voor Barcelona. Toen een Nocsa-delegatie in Lausanne kwam pleiten voor een ruimere afvaardiging, eiste Juan Antonio Samaranch, de voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), dat er meer zwarten in de Zuidafrikaanse ploeg zouden worden opgenomen. Zeven van de zestien atleten moesten zwart zijn, vond het IOC. Terwijl de nationale atletiekbond niet verder wilde gaan dan drie tot vier. In ruil voor een verdubbeling van het aantal zwarte atleten zou Zuid-Afrika's olympische quotum worden verhoogd van 68 tot 120: 97 deelnemers en 23 officials.

Zuid-Afrika is nog lang niet toe aan kleurenblind kijken. Twee boksers, één tafeltennisspeler en een paar zwarte atleten maken de olympische ploeg niet representatief voor de bevolking. Het is echter een goede afspiegeling van de verhoudingen in de sportwereld, waarin blank zich altijd veel grotere mogelijkheden heeft toegeëigend. Met ontwikkelingsprogramma's voor zwarte jongeren in verschillende sporten (cricket, tennis, atletiek, zwemmen) proberen de bonden die ongelijkheid nu weg te werken.

“De meerderheid van de Zuidafrikanen zal zich niet met het nationale team kunnen identificeren. Ze zal het een blanke ploeg vinden”, zegt Steve Tshwete, hoofd van de sportafdeling van het Afrikaanse Nationale Congres (ANC). Toch vindt hij deelneming aan de Spelen voor Zuid-Afrika nodig. “We moeten naar Barcelona. Voor het eerst gaan we onder een non-raciaal Olympisch Comité, dat nota bene een zwarte voorzitter heeft. Dat zegt iets over de veranderingen in het land.”

Mr. Fixit of Mr. Unity

Zonder Tshwete was Zuid-Afrika niet naar Barcelona gegaan. De voormalige gevangene van Robbeneiland was de drijvende kracht achter de fusies van raciaal gescheiden bonden in verscheidene sporten. Tshwete, die zich de bijnamen verwierf van "Mr. Fixit' of "Mr. Unity', dwong veel respect af bij de blanke sportbestuurders. Hij ziet sport als een belangrijk middel om eenheid te creëren in het diep verdeelde land.

“Sport spreekt een simpele taal en sport is zichtbaar. Zet kinderen op een atletiekbaan, wijs ze waar de finishlijn is en daar moeten ze overheen, of ze blank of zwart zijn. Zet ze bij elkaar en het werkt. En het gaat verder dan het stadion: de mensen in de blanke voorsteden beginnen te praten over zwarte atleten met moeilijke namen. Zo dringt een nieuwe geest de huiskamers binnen.”

Tshwete is tegen het geforceerd opnemen van niet-blanken in de olympische ploeg. Niet huidskleur, maar prestatie moet het selectiecriterium zijn. Hij vindt het belangrijker dat de zwarte jeugd de kans krijgt sport te beoefenen in de townships. De sport loopt voorop in het verenigen van bevolkingsgroepen die elkaar niet kennen. Het is niet toevallig dat het Olympisch Comité met het oog op Barcelona besluiten moest nemen over nationale symbolen, waar politici uit overgevoeligheid liever van afblijven.

Om alle pijnlijke herinneringen aan de apartheid te vermijden, ontwierp Nocsa een nieuwe vlag en een nieuw embleem ter vervanging van - heiligheid der heiligheden in de blanke sport - de Springbok. Het "volkslied' wordt geleend van Beethoven, want "Alle Menschen werden Brüder' klinkt neutraler dan "Ons vir jou, Suid-Afrika', een regel uit het volkslied "Die Stem' waarmee de meerderheid van de Zuidafrikaanse bevolking zich niet kan identificeren.

Het bracht een enorme schok teweeg onder de blanke Afrikaners, die zich hadden verheugd op de presentatie van "hun' gerehabiliteerde Zuid-Afrika in Barcelona. Ministers lieten zich afkeurend uit over de verkwanseling van hun erfgoed en president De Klerk nam het op voor volkslied en Springbok. Het baatte niet. De Afrikaners hebben het niet meer alleen voor het zeggen.

Onder de Zuidafrikanen die straks onder neutrale vlag en met het nieuwe embleem (de woorden South Africa boven de vijf ringen) op het pak het olympisch stadion binnenlopen, bevinden zich weinig medaille-kandidaten. Door het jarenlange gebrek aan internationale competitie is de sport in het land achteropgeraakt. Als kanshebber voor een medaille geldt vooral de atlete Elana Meyer op de tien kilometer (beste tijd: 32.13,13). “Ik zou buitengewoon gelukkig zijn als ze een medaille wint. Ze is een fantastische atlete”, zegt ANC'er Tshwete, die samen met Nelson Mandela naar Barcelona gaat. Myrtle Bothma en Dries Vorster kunnen beiden op de 400 meter horden tot de finale doordringen en de tot Zuidafrikaan genaturaliseerde ex-Amerikaan Tom Petranoff maakt een kans bij het speerwerpen. De rest kan hooguit hopen op een ongekende vorm-van-de-dag en is er vooral om eindelijk mee te doen. Zoals Xolile Yawa.

Armoede op alle fronten

In Lady Frere, diep in Transkei, liep Xolile Yawa op straatwedstrijdjes van honderd en tweehonderd meter tegen jongens uit het dorp. Hij verloor meestal. Maar zodra de afstand achthonderd meter of meer was, won hij met gemak. “Dan vrat ik ze op.”

Hij leefde het gewone, “niet eens derderangs” leven van de kinderen in de Zuidafrikaanse "thuislanden', de kansloze etnische modelstaten van de apartheidsarchitecten. Het was armoede op alle fronten: de leefomstandigheden, het onderwijs en de sport. In zwarte gebieden zijn geen sportvelden of atletiekbanen. Een bij elkaar gebonden klomp lappen geldt als bal. Maar Xolile kon lopen.

Klasie Geldenhuys trainde zwarte atleten op de President Brandmijn in Welkom. De oud-atleet, fervent aanhanger van de Nationale Partij en president De Klerk, stond daarom in het zwaar conservatieve mijngebied te boek als de "kaffirboetie' (kaffervriend). Via een andere zwarte loper kwam Geldenhuys twaalf jaar geleden op het spoor van Xolile Yawa uit Lady Frere. Sindsdien is Xolile (29) zijn pupil, maar ze noemen elkaar vriend. De jongen uit Transkei kreeg een baan op de personeelsafdeling van de mijn. Tussen de middag gaat hij lopen, na het werk traint hij elke dag met Klasie Geldenhuys, de eerste blanke met wie hij ooit contact had.

Al twaalf jaar gaan ze in het weekeinde atletiekwedstrijden af. In 1983 werd Xolile Zuidafrikaans kampioen veldlopen onder 21 jaar. In 1985 won hij de Zuidafrikaanse titel op de tien kilometer. Hij kreeg het Zuidafrikaanse record op deze afstand (27.39,65) vijf jaar geleden in handen. Maar de belangrijkste wedstrijd, de bekroning van duizenden trainingsuren op de mijn, moet nog komen.

“Ik heb mezelf nooit kunnen ontwikkelen”, zegt de hardloper, die zich met een tijd van 28.03 kwalificeerde voor de Spelen. “Ik wist al vroeg dat ik talent had, maar ik kon nooit in het buitenland lopen. Ik was een veel betere atleet geworden als ik in Amerika had gewoond.”

Geldenhuys toont een ruime dosis trainerstrots. “Het is jammer dat Xolile nu aan het eind van zijn carrière op de baan is. Hij moet nu naar de langere afstanden. Hij is een van de meest gedisciplineerde atleten die ik heb gezien. Hij traint altijd, drinkt niet, rookt niet en doet niet aan politiek en dat soort dingen.”

Xolile Yawa belichaamt de tragiek van zwarte atleten in Zuid-Afrika, die hun sport nooit op het hoogste niveau konden beoefenen. Door het gebrek aan faciliteiten was het voor zwarte jongeren haast ondoenlijk de top te bereiken, in tegenstelling tot blanke sporters die van jongs af aan hockey-, voetbal-, rugbyveld en tennis- en atletiekbanen naast de school vonden. De enkeling die tot de top doordrong wist zich geremd door het hogere doel van de strijd tegen de apartheid.

Bij Yawa duurde het lang voordat hij zich mentaal bij die eeuwig lijkende blokkade kon neerleggen. “In het begin wist ik niets van politiek. Nu begrijp ik pas dat de sportboycot belangrijk was. Die heeft de blanke atleten in dit land aan het denken gezet en politiek effect gehad. In het blanke referendum van maart over de hervormingen in Zuid-Afrika was de sportboycot nog een belangrijk wapen: iedereen was bang dat het cricketteam uit het toernooi om het wereldkampioenschap zou worden gezet.”

Voor Geldenhuys was het moeilijker slikken. “Ik was niet voor de sancties. Ik wilde alleen maar dat Xolile kon lopen. Nu begrijp ik dat ze een bedoeling hadden, en ik moet zeggen: het heeft gewerkt.”

Atleet en coach zaten zich in 1985 samen te verbijten op de tribune bij de Grand-Prixwedstrijden. De Zuidafrikaanse atletiekbond had enkele atleten en coaches naar Europa gestuurd om wat sfeer te proeven. Yawa was er ziek van, hij had voorin kunnen meelopen. Geldenhuys herinnert zich hoe ze achter de grote atleten als Saïd Aouïta aanliepen voor een foto met handtekening. “Het was vreselijk. In Brussel won een Italiaan met een tijd van 28.11, en naast me zat iemand die harder kan, maar niet mee mocht doen.”