Europese politiek blijkt niet klaar voor EMU

De gebeurtenissen van de afgelo pen week hebben duidelijk gemaakt dat Europa nog lang niet rijp is voor een Europese Monetaire Unie (EMU).

Dan hebben we het niet over het al dan niet voldoen aan de convergentiecriteria door de aspirant deelnemers, maar over het gebrek aan acceptatie van een echt anti-inflatie beleid in de verschillende lidstaten. De druk die maandag door de ministers van financiën op de Duitsers is uitgeoefend om vooral terughoudend te zijn met een aanscherping van het monetaire beleid, was ronduit ontnuchterend. Gelukkig heeft de Bundesbank zich hier niets van aangetrokken, zoals donderdag bleek toen zij het disconto met 0,75 procentpunt verhoogde.

Op zichzelf is de vrees van veel ministers begrijpelijk. In de meeste EG-landen is de economisiche groei uiterst mager en loopt de werkloosheid op. In Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk is momenteel zo'n tien procent van de beroepsbevolking werkloos, terwijl de vooruitzichten voor verbetering bepaald niet zonnig zijn. Mede met het oog op de relatief lage inflatie in Frankrijk (3,0 procent in juni), België en Denemarken en de sterk gedaalde, maar nog altijd hoge inflatie in het Verenigd Koninkrijk (4,8 procent in juni), zou het accent volgens velen bij stimulering van de conjunctuur via lagere rente moeten liggen.

De Bundesbank is, zoals bekend, de leidende centrale bank in Europa. Momenteel kan een structurele verlaging van de Europese (geldmarkt)-renteniveau's slechts tot stand worden gebracht wanneer de Bundesbank het licht daartoe op groen zet. De hoge inflatie in Duitsland (4,3 procent in juni), de sombere inflatievooruitzichten en de forse groei van de geldhoeveelheid (8,7 procent in mei; ver boven de toegestane 3,5-5,5 procent), maken verlaging van de rente in Duitsland, en dus in heel Europa, op dit moment echter ondenkbaar.

Een belangrijk element in de strijd tegen inflatie is het bepalen van de inflatieverwachtingen. De Bundesbank streeft naar prijsstabiliteit en dit betekent nul procent inflatie. In het achterhoofd - maar nooit uitgesproken - neemt zij in de praktijk genoegen met 2 procent. De doelstelling om, ongeacht de stand van de conjunctuur en de werkloosheid, deze inflatieniveau's na te streven doet werknemers, werkgevers en de overheid rekening houden met lage prijsstijgingen. Loonmatiging en terughoudendheid ten aanzien van tarieven voor overheidsdiensten zijn daarvan (doorgaans) het resultaat. Sedert de Duitse eenwording is het er voor de Bundesbank niet makkelijker op geworden. Het regeringsbeleid in Bonn heeft bijgedragen aan een duidelijke versnelling van de Duitse inflatie, de loononderhandelingen hebben inmiddels geresulteerd in structureel te hoge loonstijgingen. Onder deze omstandigheden kan de Bundesbank niets anders dan het monetaire beleid krap houden. Dit laat onverlet dat de bank wellicht wel voor een andere inzet van haar instrumentarium had kunnen kiezen. Maar dat zij iets moest doen was evident.

Indien de Bundesbank donderdag had toegegeven aan de Europese druk, had zij zelf afbreuk gedaan aan haar geloofwaardigheid. Dit had Europa langs twee wegen op hoge kosten gejaagd. Allereerst hadden de financiële markten de "capitulatie' van de Bundesbank afgestraft met een forse stijging van de kapitaalmarktrente. In het geval van Nederland had dit minister Kok voor 1993 al snel een tegenvaller van enkelen honderden miljoenen opgeleverd.

Daarnaast zou het de geloofwaardigheid van de toekomstige Europese Centrale Bank al voor de oprichting ervan hebben ondermijnd. Immers, de statuten van de toekomstige Europese Centrale Bank bevatten exact datgene waar het beleid van de Bundesbank op gericht is: nul procent inflatie. Ook bevatten deze statuten terecht mooie formuleringen over de onafhankelijkheid van deze instelling ten opzichte van de politiek. In december 1991 was men, wijs geworden door lessen uit het verleden, nog unaniem van mening dat monetair beleid te precair is om aan politici over te laten.

De geloofwaardigheid van de Europese Centrale Bank stond daarmee de afgelopen week op het spel. De Duitse bevolking is huiverig voor het opgeven van de eigen, sterke munt ten gunste van een Europese gemeenschappelijke valuta. Deze huiver is de afgelopen week zonder twijfel versterkt. Het feit dat de verzamelde Europese ministers van financiën reeds nu trachten greep te krijgen op het Europese monetaire beleid, zal zijn uitwerking op de Duitse publieke opinie zeker niet hebben gemist.

Als er vandaag de dag een Europese munt zou bestaan, zou die waarschijnlijk - wederom los gezien van de convergentiecriteria - een zwakkere munt zijn dan de Duitse mark. De grote uitdaging waar regeringen en centrale banken in Europa voor staan, is de werkelijke omzetting van politieke theorie naar monetaire praktijk. In dit licht is het onbegrijpelijk dat diverse ministers, die landen vertegenwoordigen waar de inflatie ruimschoots boven de twee procent uitstijgt, de Bundesbank om terughoudendheid hebben gevraagd. De EMU heeft daarmee een dreun gekregen uit de hoek van degenen die zich juist als warmste voorstanders presenteren.