Elke Internationale Aidsconferentie kent eigen "hoogtepunten'

AMSTERDAM, 18 JULI. Voorafgaand aan elke Internationale Conferentie over Aids wordt gespeculeerd over de "topics'. Nooit hebben ze direct uitzicht geboden op een definitieve doorbraak. Maar met elkaar hebben ze wel geleid tot een relatief ongekende kennis over het virus, die uiteindelijk van doorslaggevend belang zal blijken bij de ontwikkeling van een doeltreffend geneesmiddel of vaccin.

Op het gebied van het basale onderzoek zal een belangrijk deel van de discussie gaan over "geprogrammeerde celdood', ook wel "apoptose' genoemd. Bij een infectie met het aidsvirus (HIV) worden T cellen geïnfecteerd, die vroeg of laat het leven laten. Door een voortdurende daling van het aantal T cellen wordt het immuunapparaat aangetast, waardoor de patiënt gevoelig wordt voor allerlei infecties. Merkwaardig is echter dat veel meer T cellen een vroege dood vinden dan dat er zijn geïnfecteerd. Uit een publikatie in Science vorige week, van de twee onderzoekers Linde Meyaard en Frank Miedema van het Centraal Laboratorium voor de Bloedtransfusiedienst in Amsterdam blijkt dat er sprake moet zijn van een zekere programmering van cellen om dood te gaan. In normale situaties gaan cellen dood door apoptose, wanneer celdood gewenst is, bijvoorbeeld door gebrek aan groeihormonen. In het afweersysteem is apoptose een manier om efficiënt en netjes T cellen te verwijderen die gericht zich tegen lichaamseigen weefsel. Het enzym endonuclease knipt het DNA in stukken en de cel deelt zich spontaan op in ronde fragmenten. Zo verliest de cel zijn identiteit en wordt opgeruimd door zogeheten fagocyten. Door HIV geïnfecteerde cellen, waarschijnlijk vooral macrogafen lijken dus een signaal uit te zenden naar T lymfocyten die vervolgens zelfmoord plegen. Het spreekt dat dit inzicht van groot belang kan zijn. Als immers dat signaal wordt onderbroken zal het veel langer duren vooraleer het afweerapparaat definitief slagzij maakt.Een ander "hot item' is de vraag of HIV moet worden aangemerkt als een superantigeen. Normaal gesproken activeert een binnendringer één T celdie zich vermenigvuldigt en vervolgens hulptroepen bijeen roept en de aanval opent. Zo'n witte bloedcellen is specifiek gericht tegen een bepaalde indringer. T cellen zijn op te delen in ongeveer dertig families. Een superantigeen, een kwalificatie waarop HIV aanspraak lijkt te kunnen maken is in staat in één klap één of meer van deze families te activeren. Deze activatie brengt geprogrammeerde celdoding van hele families van T cellen op gang. Dat zou een verklaring kunnen zijn voor de snelle ineenstorting van de menselijke weerstand.

De Amerikaan Fauci doet op dit gebied onderzoek met eeneiïge tweelingen, van wie er één is geïnfecteerd. Deze tweelingen hebben een identiek immuunsysteem en dus lenen zij zich goed voor vergelijkende studies.

Een ander fenomeen dat veel aandacht zal krijgen is dat van de "snelle en de slome' virussen. Het ene HIV is het andere niet. Het snelle HIV infecteert in hoog tempo verschillende cellen. Het slome HIV houdt zich in de macrofagen om pas laat in actie te komen. Waarom het ene virus zich sloom gedraagt en het ander virulent, kan aangrijpingspunten bieden voor vaccinontwikkeling en therapie.

Op het gebied van geneesmiddelen valt er weinig te voorspellen. Er zitten zeventig tot tachtig middelen in de pijplijn, maar slechts zes tot zeven worden enigszins serieus genomen. Een mogelijke belofte vormen de protease-remmers. Net als AZT blokkeren ze een enzym dat nodig is voor reproduktie van het virus. Maar het gaat om een ander enzym, protease. Daarmee zou opnieuw een mogelijkheid zijn geopend om mensen die AZT slecht kunnen verdragen met een combinatie van dergelijke stoffen te behandelen.