Eindspelen

Zoveel sovjet-verworvenheden verdwenen, je vraagt je af of het typisch Russische schaakgebabbel de volgende eeuw nog zal halen. Zoals dit: ""In de loop van een partij zal een speler met een direct actieplan over het algemeen verscheidene zetten vooruit rekenen. Stop! Als we spreken over een serie zetten, ontstaan die dan op de een of andere manier ongecoördineerd, of vormen ze daarentegen een samenhangend geheel? Natuurlijk beogen ze het een of andere doel, zoals schaakmat geven, met een stuk of een pion, enzovoorts. Zeker, er is een geïdentificeerd doel, maar waar is het bindmiddel van alle zetten, de specie, zonder welke de stenen geen zin hebben? We zullen deze specie dopen met de naam "gedachte'. In studiecomposities worden gedachtes over het algemeen "ideeën' genoemd.''

Ja, ze hadden de tijd, zowel de schrijver als de lezer. Onvermoeibaar drukten de persen honderdduizend exemplaren van een schaakboekje, vijftig kopeken per stuk kostte het, en in de verste uithoeken van het rijk nam de trainer van de schaakclub het ter hand als aanleiding tot bespiegelingen over schaakcultuur en creatieve fantasie; hoog was de verwarming opgestookt, de uren vergingen zonder dat het gemerkt werd, een elfjarig pioniertje vond een nevenoplossing waar de studiecomponist niet aan gedacht had en vele weken later stuurde de beroemde componist, drager van de medaille voor verdienstelijk sportmeesterschap, een brief waarin hij de kleine pionier bedankte voor de succesvolle artistieke samenwerking.

Het citaat aan het begin kwam uit het boekje Deceptive simplicity van Leopold Mitrofanov en Vladimr Fyodorov. 52 Eindspelstudies van de Leningradse studiecomponist Mitrofanov. Fyodorov is een journalist en schrijft bij iedere studie een verhaaltje. Uitgegeven ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van Mitrofanov, niet in Rusland, maar in Nederland, door de zeer actieve eindspelstudievereniging ARVE. De Russische persen draaien niet meer zo hard voor schaakboeken. Vertaler Roycroft schrijft in een inleiding dat hij de verleiding heeft weerstaaan het taalgebruik aan te passen aan de westerse smaak. Zo hoopt hij, op het gevaar af soms onbegrijpelijk te worden, iets over te brengen van de sfeer van het Leningradse schaakleven van de afgelopen decaden.

Het boekje wordt ingeleid en uitgeluid door twee partijspelers, Aleksander Chalifman en Leonid Joedasjin. Ze presenteren deze studies als een tegengif tegen de moderne toernooipraktijk, waarover ze bitter gestemd zijn. Daar heerst oppervlakkigheid, pragmatisch rationalisme, spelen om het percentage, niet om de schoonheid. Chalifman schrijft over de heerschappij van de deprimerende saaiheid, die zelfs het spel van onze grootmeesters aantast. Ik moet zeggen dat die saaiheid mij niet opvalt in de moderne toernooipraktijk. Maar ik ben ook niet opgevoed in een zo hooggestemde schaakcultuur als die van de Sovjet-Unie. Chalifman heeft een tijd in Duitsland gewoond en schijnt nu weer naar St. Petersburg te zijn teruggekeerd. Over de verwachte emigratie van Joedasjin werd al jaren geleden bericht, maar hij woont nog steeds in Rusland. Wat er ook voor slechts over dat land te zeggen valt, schaakcultuur is er zeker te vinden.

Het gebied van de eindspelstudie is mij zo weinig vertrouwd, dat ik niet eens zeker weet wat ik mooi vind. De volgende studie is een ingenieus mechaniek en met zeven dameoffers zeer spectaculair. De voortdurende herhaling van steeds hetzelfde spectaculaire motief doet mij het mechaniek teveel steunen en kreunen, maar zoals gezegd, ik ben een leek. Mitrofanov werkt veel met dames in zijn studies en Fyodorov vergelijkt het met het temmen van een tijger. De studie schijnt zeer populair in Japan te zijn, waar hij steeds weer gepubliceerd werd. In het boekje krijgt hij een motto van Vladimir Nabokov mee. "The starry machinations of the queen'. Er is nog een ander citaat van Nabokov afgedrukt: ""You and I, we have chess, we have Shakespeare and Pushkin. It is enough.''

Zie diagram 1.

Wit begint en maakt remise. L. Mitrofanov en V. Korolkov, eerste prijs in de competitie van Revista Romana de Sah 1957.

1. Df4-e5 Zwart dreigde op verschillende manieren mat, en lopen met e-pion of g-pion zou weerlegd worden door 1...Da5+ 2. Kxa5 Kb7 en zwart geeft mat met zijn voorste e-pion of met zijn paard. 1...Dd2-a5+ Nu is dit de enige manier waarop zwart kan verhinderen dat hij zelf mat wordt gezet. 2. Ka6xa5 Kb8-b7 3. De5-b2+ Bij het doornemen van het manuscript wees Chalifman er op dat 3. Dc3 (of 3. Da1) niet weerlegd wordt door 3...Pd2? wegens 4. Db2+ Ka7 5. Db8+ Kxb8 6. Ka6 e1D 7. e7 en wit wint, maar door 3...e1D 4. Dxe1 Pd2 en nu wint zwart. 3...Kb7-a7 4. Db2-b8+ Ka7xb8 5. Ka5-a6 e2-e1D 6. g6-g7 Nauwkeurigheid is vereist. Met de andere pion lopen zou niet goed zijn: 6. e7? Da5+ 7. Kxa5 Kb7 8. e8D e2 9. Da8+ Kxa8 10. Ka6 e1D 11. g7 Dg3 12. f6 Dg4 13. f7 Dc8+ 14. Ka5 en nu 14...Ka7 of 14. Pd2 en wit wordt mat gezet. 6...De1-a5+ 7. Ka6xa5 Kb8-b7 8. g7-g8D e3-e2 Nog niet 8...Pd2, want na 9. Da8+ Kxa8 10. Ka6 Pxc4 11. e7 Pd6 12. f6 e2 13. f7 e1D 14. f8D+ wordt zwart mat gezet. 9. Dg8-a8+ Steeds hetzelfde motief. Zwart en wit offeren om de beurt dames, steeds om een tempo te winnen. Hier zou 9. Db8+ niet goed zijn wegens 9...Kxb8 10. Ka6 Kc8 9...Kb7xa8 10. Ka5-a6 e2-e1D 11. e6-e7 De1-a5+ 12. Ka6xa5 Ka8-b7 13. e7-e8D Pf1-d2 14. De8-a8+ Kb7xa8 15. Ka5-a6 Pd2xc4 16. f5-f6 Pc4-e5 17. f6-f7 Pe5-d7 18. f7-f8D+ Pd7xf8 19. a4-a5

Zie diagram 2.

Remise. Zwart kan de witte patpositie niet opheffen.

Veel minder spectaculair, maar een geschikte oefening in nauwkeurigheid, is de volgende, die door de auteurs ter oplossing wordt aangeboden.

Zie diagram 3.

Wit begint en wint. L. Mitrofanov, Sjachmaty/Sahs (Riga) 1990.

Oplossing volgende week.