Demasqué van een "grote humanist'; Gedachtengoed van Pierre de Coubertin

Elke vier jaar wordt Pierre de Coubertin tijdens de Olympische Spelen geciteerd. Vaak verkeerd. Dat deelnemen belangrijker is dan winnen, bijvoorbeeld. Ook met de beeldvorming over de stichter van de moderne Spelen is wat mis.

(Françoise Hache: "Jeux Olympiques, La Flamme de l'Exploit'. Découvertes Gallimard, Parijs 1992.

Eugen Weber: "My France, Politics, Culture, Myth'. Harvard University Press. 1991).

Aan het begin van de Olympische Spelen in Barcelona staat het gedachtengoed van Pierre de Frédy, baron de Coubertin nog steeds even wijdbeens overeind als de vier poten van de Eiffeltoren die zowat uit dezelfde tijd stammen. De gietijzeren mythe van de Coubertins heldenrol in de ontwikkeling van de wereldsport heeft desondanks de verbazing aller francofielen levend gehouden. Want terwijl landen als bijvoorbeeld Engeland en Duitsland altijd hebben kunnen bogen op een welgefundeerde atletische traditie, zal men de Fransen vele in het oog springende eigenschappen toekennen, maar zeker niet meteen die van een opvallende sportiviteit.

Leven en werken van baron de Coubertin zijn ook in Frankrijk nog nooit met academische objectiviteit bestudeerd. Uit het 70.000 pagina's tellende geschreven oeuvre van Pierre de Frédy wordt door zijn aanhang, waaronder zijn familie - met name zijn verre neef graaf Offenbach - met grote voorzichtigheid en dan nog maar mondjesmaat geciteerd. De meest recente publikatie over de baron stamt uit het begin van dit jaar en ze kwam tot stand ter ere van de Spelen in Barcelona. Daarin wordt ronduit over de baron gesteld: “In feite was de Coubertin, deze "grote humanist', een kolonialist, een seksist, een racist en een elitaire conservatief. Hij heulde met Hitler en koesterde theorieën over "inferieure en superieure rassen'. Dit voor de opgroeiende jeugd geschreven en door de deftige Gallimard uitgegeven Pamflet van de Parijse academica Françoise Hache is door de Franse critici zonder uitzondering met grote instemming begroet.

Pierre de Coubertin was een dandy uit de jaren van het "fin de siècle'. Hij werd geboren achter de Ecole Militaire in een van de sjieke buurten van Parijs. Zijn ouders waren rijk, koningsgezind en ze bewogen zich als goudvissen in de lauwe vijvers van de eind-negentiende-eeuwse "beau-monde'. Vader Charles-Louis schilderde weinig opvallend in de academische stijl, "maman' was godsvruchtig en elegant. Pierre ging bij de jezuïeten op school en toonde zich daar een intelligente jongen.

Aristocratische neus

Voor iemand die zijn verstand bij elkaar heeft, over te veel geld beschikt en dientengevolge in het leven niets hoeft te doen, staat er een aantal rampzalige keuzes open. Na slechts kort te hebben geflirt met de politiek, waarin Pierre noch door links noch door rechts werd aangetrokken, bleek hij een aristocratische neus te hebben voor de zich nog maar aarzelend ontwikkelende nieuwste mode. Die mode kwam uit Engeland. Pierre las er over in Hippolyte Taine's "Notes sur l'Angleterre'. Taine beschreef daar met instemming de manier waarop de Britse jeugd lichamelijk werd opgevoed. En vanzelfsprekend verstond Taine onder "jeugd' slechts dat gedeelte van de Hope des Vaderlands dat in ouderlijke kastelen werd opgevoed. Omdat God een aristocraat was en de natuur die Hij schiep dus evenzeer, was de natuur per definitie on-gelijk. En er van uitgaande dat men de superioriteit van de adel als vanzelfsprekend beschouwde, was het een uitstekend idee ook de uiterlijke superioriteit van die adellijke jeugd door middel van lichamelijke ontwikkeling nog te onderstrepen.

“Coubertin paste duidelijk in de Gouden Eeuw van de idealistische rentenier-intellectueel”, zoals Eugen Weber opmerkt in een opstel over de Coubertin in "My France': “de invoering van georganiseerde sport in Frankrijk paste in de stromingen van de tijd en dat nog wel op verschillende niveaus.” De Coubertin roeide, fietste, zwom en reed paard. Terwijl de Britten hun jeugd opleidden niet alleen tot sportslui, maar bovendien tot wat onder "a good sport' wordt verstaan, hadden de Fransen geen notie van sport bedrijven met z'n allen. In de napoleontische traditie was het bovendien ondenkbaar dat scholieren zelf de organisatie van hun eigen sportactiviteiten in handen zouden nemen. Waarbij kwam dat de intellectuele elite - en dat is tenslotte de cirkel waarbinnen het "gedachtengoed' van de Coubertin zich bewoog - werd opgevoed in de traditie dat "mijn leren nimmer spelen' zou mogen zijn. De filosoof Alain (1868-1901) beschreef zijn jeugd als een hoogst ernstige zaak waarin het leerproces gericht was op het proces en niet in de eerste plaats op de verworven kennis.

Maar toch: als de Coubertin in 1896 zijn eerste triomf viert en hij de Olympische Spelen in Athene voor geopend verklaart, laat de schrijver Roger Martin du Gard in zijn roman "Jean Barois' in diezelfde periode de oprichting spelen van het tijdschrift "Le Semeur' dat een "nieuw elan' dient te geven aan "een vermoeide en ontkrachte wereld'. “Hoewel er geen enkele reden is om aan te nemen dat du Gard ook maar een moment aan de Coubertin en zijn olympische activiteiten gedacht zal hebben, wijst het toch op de mogelijkheid van een bepaalde sociale groep op een geprivilegieerd moment in de tijd”, aldus opnieuw Eugen Weber, die een der schaarse bronnen vormt op dit opvallend onontgonnen terrein.

Als de Coubertin in Athene is in 1896 en ziet hoe zijn droom tot werkelijkheid wordt, liggen in de Franse boekwinkels de werken te koop van toen hedendaagse schrijvers als de ultrarechtse elitairisten Barres en Maurras, maar ook van de "decadente' romancier Huysmans, wiens held des Esseintes in "A Rehours' als symbool doorgaat van het individualisme in zijn meest geperverteerde vorm. Bovendien heeft de "Mercure de France' vertalingen uitgebracht van de Duitse filosoof Nietzsche die grote indruk op de Franse intellectuelen maakten, met name Nietzsches theorieën over de methoden tot het kweken van een supermens. Van grote invloed op de Coubertin was in het bijzonder de econoom en socioloog Frédérique Le Play (1806-1882), die de ongelijkheid onder de mensen predikte en bijvoorbeeld het werkgeversschap als “meer dan een deugd, als een plicht” verheerlijkte. De toenadering die La Play tussen werkgever en "arbeider' voorstaat heeft dan ook zwaar-paternalistische overtonen. Ook als de Coubertin propageert dat hij “wat kleur zal brengen op de wangen van de eenzame en in zichzelf besloten jeugd”, dient men daarbij niet in de eerste plaats te denken aan wat in een verlichtere tijd onder acties als die der "bleekneuzen naar buiten' werd begrepen.

Wedstrijd zaklopen

Hoe weinig het elitaire ideeëngoed van de Coubertin op zijn landgenoten oversloeg bleek bij de organisaties van de tweede Olympische Spelen na die in Athene. Ze werden gehouden in 1900 in Parijs, waar ze uit armoe gekoppeld moesten worden aan de Wereldtentoonstelling die daar tegelijkertijd gehouden werd.

“Het olympisch comité was noch gemotiveerd, noch geëngageerd”, schrijft Françoise Hache in haar "Jeux Olympiques, La Flamme de l'Exploit'. In de totale paniek - en in wanbegrip - waren er zelfs olympische wedstrijden in het zaklopen georganiseerd en de twaalf vrouwen die meededen aan de spelen (golf en tennis) deden dat tegen de felle protesten van de Coubertin in die het idee van vrouwen en sport levenslang bleef verfoeien als onesthetisch en onethisch.

Grote achterdocht ook bestond - en bestaat steeds meer - tegen de Coubertins "pyramide-theorie', die inhoudt dat er eerst "honderd' moeten zijn die zich "aan lichaamscultuur' wijden voordat er “vijf overblijven die in staat zijn tot verbazingwekkende heldendaden”. De Coubertin vierde zijn grootste triomfen tijdens de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn. Hij had een bewonderaar gevonden in Adolf Hitler en de bewondering was wederkerig. De Coubertin was een ijdele man en al in 1912 had hij tijdens de Olympische Spelen in Stockholm onder pseudoniem een "hymne op de sport' ingeleverd voor een wedstrijd die hij zelf had uitgeschreven en die natuurlijk met de eerste prijs werd beloond. Als Hitler de Coubertin in 1935 om een dienst vraagt, staat de Franse baron meteen in de houding: het ziet er naar uit dat de Duitse auteur Carl von Ossietzky de Nobelprijs voor de vrede zal krijgen en dat komt Hitler slecht uit, omdat hij Ossietzky juist in een van zijn eerste concentratiekampen opgesloten had. Wil de Coubertin zich niet als tegenkandidaat stellen? De Coubertin aarzelde geen ogenblik, al nam dat niet weg dat de prijs toch naar von Ossietzky ging. Als troostprijs ontving de Coubertin de rente van 10.000 rijksmarken, die Hitler hem twee maanden voor het begin van de Olympische Spelen cadeau had gedaan.

Grote revolutionair?

Aan het werkzame leven van Pierre de Coubertin kwam in 1937 een eind. Zijn vrouw was lange jaren in een krankzinnigengesticht verpleegd, een zijner zonen had het verstand verloren. De familiekastelen en het geld waren ten offer gevallen aan de hoge idee van de sportieve elite. De baron (die zijn titel niet aan het officiële adelboek ontleende) zwierf van de ene hotelkamer naar de andere en stierf ten slotte in een der lokalen in het hoofdkwartier van de Olympische Spelen in Lausanne.

“De werkelijke olympische held is de volwassen mannelijke individueel”, aldus de Coubertin nog vlak voor zijn dood, en hij ging voort: “Tijdens de Spelen is zijn rol bovenal om, net als bij de toernooien der antieken, de overwinnaars te kronen.” Nog steeds deed hij zijn negentiende-eeuwse leermeesters alle eer aan. Zijn eigen bekroning bleef tot een kleine kring van adepten beperkt.

Want was de Coubertin de grote revolutionair over wie men nog steeds spreekt? “Met zijn theorieën over sekse en ras paste hij op een bepaalde manier zeker in zijn tijd”, aldus vertelt me Françoise Hache, “maar als zodanig behoorde hij toch ook toen al tot een conservatieve en allerminst "revolutionaire' groep.”

“Bovendien”, aldus stelt Madame Hache in haar boek over de Coubertin en zijn Spelen, “ook wat die heilige mythe rond de Griekse Olympische Spelen betreft sloeg de Coubertin de plank mis. De Griekse samenleving werd immers gekenmerkt door oorlog, handel en slavernij en zijn Spelen waren daar de getrouwe afspiegeling van.”