De vliegende schimmel

Wat is de meest aangrijpende plant in de tuin? Niet, zoals je zou kunnen denken, de roos; de roos is meer tragisch. Maar de meest aangrijpende is zonder de geringste twijfel de clematis. Het is haar schuld niet; de clematis ziet zichzelf terecht als een loyale plant die bijna overal kan groeien en bloemen kan voortbrengen in de prachtigste vormen en kleuren. Zij heeft slechts één zwakheid, en wel een afmeting die geween en knersing der tanden veroorzaakt.

Met zeven van deze planten zou mijn gekners niet van de lucht moeten zijn, maar dat is het vreemde: de meerderheid is volkomen vrij van complicaties. Dat is duidelijk een list van de natuur om de tuinier te laten geloven dat sommige planten, en niet de minst interessante, gemakkelijk zijn te kweken en de kleinste inspanning tienvoudig terugbetalen. Maar wanneer je voor het eerst in de tuin loopt en ontdekt dat een clematis die gisteren nog dartel was als een lammetje finaal in elkaar is gezakt, alsof zij bij de wortel was afgesneden, dan laat de natuur zich van een meer sinistere kant zien.

Na die belevenis zul je een clematis nooit meer met dezelfde ogen bekijken. Carpe diem, denk je als je kijkt naar die tere loten en die broze bloemen. Daar staan ze, overgeleverd aan de genade van een onzichtbare vijand die op ieder moment kan toeslaan. Het meest onthutsende is dat het zo plotseling gebeurt; er is geen waarschuwing, geen tijd meer om iets te doen. En de clematis biedt ook geen verweer: zij kijkt de aanvaller één keer aan, zucht en capituleert. ""Ik geef me over'', zegt zij met een snik, ""ik zal rustig meekomen.'' Die aanvaller heet verwelkingsziekte.

De probleemvrije clematis, tenminste in mijn tuin, zijn de kleinbloemige soorten, C. macropetala en C. montana, en enkele hybriden met middelgrote bloemen. Drie daarvan bloeien nu: de "Jackmanii' met donkerpaarse bloemen die zeer fraai uitkomen tegen een schuurtje geverfd in die ouderwetse (en nu afbladderende) blauwgroene tint; een "Perle d'Azur', die lichtblauwe bloemen heeft en bekend is van Sissinghurst, waar zij tegen een hoge muur groeit achter een bank van Lutyens, en een C. viticella genaamd "Venosa Violacea'.

Deze laatste kocht ik volkomen toevallig toen ik degene die ik zocht niet kon vinden. Het verstandigste op zo'n moment is naar huis te gaan en de literatuur te raadplegen, maar dat deed ik niet; in feite koos ik de Venosa Violacea omdat zij de mooiste naam had. Het bleek een wonderplant te zijn, met lichtpaarse bloemen voorzien van een delicaat roomkleurig streepje over het midden van elk kelkblaadje, zo perfect passend bij de roomkleurige bloesems van de Hydrangea arborescens "Grandiflora' en enig zeer bleekgeel vingerhoedskruid, dat een buitenstaander zou kunnen denken dat het de uitkomst was van jarenlang experimenteren.

Het enige hoofdbreken dat deze clematissen je kunnen geven is dat je je moet herinneren hoe ze te snoeien; in de koude februariwind sluip ik door de tuin met in de ene hand een boek en in de andere de snoeischaar, onder het neuriën van bezwerende formules. De voornaamste les die ik hiervan geleerd heb is dat je je aan één boek moet houden; maar helaas heeft dat wat je in andere boeken hebt gelezen de neiging zich er in te mengen, met het gevolg dat het allemaal veel langer duurt dan nodig is.

De moeilijkheid zijn de hybriden, waarvan sommige alleen ontdaan hoeven te worden van het dode hout, terwijl weer andere gereduceerd moeten worden tot een paar knoppen vlak boven de grond. Dat laatste was, toen ik het de eerste keer deed - bij de Jackmanii - de meest zenuwslopende operatie die ik ooit in de tuin heb verricht. Zoveel weg te knippen in één keer, en zo weinig laten zitten: het leek eeuwen te duren voor die twee knoppen begonnen uit te lopen, maar het resultaat is dat de plant nu al twee keer zoveel bloemen heeft als vorig jaar.

Ik herinner me hoe Nigel Colborn op Gardeners' World uitlegde dat de eerste groep bloeide vóór de zonnewende, en de tweede erna. Op dat moment maakte dat een diepe indruk op me: Oude Traditionele Tuinwijsheid, dacht ik, dat moet ik onthouden. Maar in de misten van februari is het moeilijk zich er rekenschap van te geven dat er ooit een zonnewende geweest is, laat staan wat toen in bloei stond. En mijn "Venosa Violacea' stond al in bloei lang voordat het haar tijd was, maar toch behoort zij tot de tweede groep volgens Christopher Lloyd. Voor de echte twijfelaars is er nog een andere oplossing, de non-interventionistische methode van Lord Aberconway: ""Over clematissen hoef je maar één ding te weten'', zei hij eens tegen Beverley Nichols, ""als ze van je houden, blijf er dan af.''

Maar wat moet je doen als ze niet van je houden? Ik heb al eens verteld over "Mrs Cholmondeley's' vatbaarheid voor de gevreesde verwelking; welnu, dit jaar slaagde ze er in het in twee keer te doen. Eerst ging de helft er aan, en toen, terwijl wat was overgebleven in volle bloei stond, sloeg de ziekte opnieuw toe en bleef er niets over. Het gebeurde ook met een nieuwe, "Madame LeCoultre', die enorme witte bloemen heeft met een groenige tint (ik vond ze buitengewoon mooi maar een vriend noemde ze eens "kleurloos'). Er kwamen twee bloemen en nauwelijks hadden we tijd gehad die te bewonderen of ook zij ging voor de bijl.

De vijand heet Coniothyrium clematidis-rectae, een door de lucht vliegende schimmel (niet die van Sinterklaas, maar met hetzelfde vermogen om geheimzinnige bezoeken af te leggen). Ik stel het mij ongeveer voor als een miniatuur solitaire bommenwerper, bemand door microscopische Sterling Haydens, onvermoeibaar boven de tuinen cirkelend op zoek naar een doelwit: hij komt in duikvlucht over de tuinmuur - ""Daar is er een Captain, op twee uur! Bravo jongens, we gaan er op af - whoopee!'' En daar gaat Madame LeCoultre, geveld door een voltreffer.

Wel, helemaal morsdood is ze in feite niet, want ik had haar heel diep ingegraven. Behalve als een bezetene besproeien met chemicaliën (wattrouwens ook geen totale beveiliging geeft), zoals Van Steekelenburg en Slavekoorde (1) adviseren, is alles wat je kunt doen je clematis extra diep planten, zodat er nieuwe stengels kunnen opkomen nadat de rest uitgemoord is. Dat is een pessimistisch begin, maar ik deed het en nu heeft Madame LeCoultre een piepkleine nieuwe spruit. Heel teer en broos en ik twijfel er niet aan of Sterling Hayden met zijn bommenwerper zal die op den duur ontdekken. En dan zal ik weer knersen en het opnieuw proberen.

(1) N.A.M. van Steekelenburg, "Verwelkingsziekte in Clematis', Groen 28 (1972) No 8, pp 222-223; S.M. Slavekoorde, "De bestrijding van de verwelkingsziekte in Clematis', Groen 30 (1974) No 11, pp 382-383.