De tijd van het aanhoudende plok, plok, plok

Vorig jaar was op Wimbledon de gemiddelde slagenwisseling 2,1. Voor dit jaar heb ik er nog niet over gelezen, maar alleen al door de 206 aces van Ivanisevic kan het cijfer waarschijnlijk niet veel hoger uitkomen. Hij mag dan de meest extreme exponent zijn van “het moderne tennis waarin een beestachtige service meer rendement oplevert dan een klassiek balgevoel” (Robert Misset in Het Parool), de andere topspelers zijn ook niet mis in hun streven naar het razendsnelle afmaken en scoren.

Er zijn veel mensen die van dit korte, harde spel genieten. In de diverse kranten worden in bewonderende zin woorden gebruikt als "verwoestende service', "messcherpe returns' en "huiveringwekkende slagkracht'.

Ik vond daarentegen de tijd van het aanhoudende plok, plok, plok op de baan leuker. En van het daarbij horende karakteristieke heen en weer gaan van de hoofden op de tribune. Zo dankbaar als beeld gebruikt in menige komische film. Ik kijk dan ook liever naar vrouwentennis, waar een rally tenminste nog enige tijd van leven wordt gegund. Maar Krajicek vindt tennisters niet alleen dik, maar ook lui. Voor echte kenners is vrouwentennis saai en sloom. Daarom verdienen vrouwen ook minder. Gek eigenlijk, want ze geven de toeschouwers meer tennis voor hun geld en minder krachtpatserij. Zelfs voor de scheids- en lijnrechters gaan de door mannen geslagen ballen vaak met een te grote snelheid voorbij om precies te beoordelen wat er gebeurt, laat staan voor het publiek.

Nu zou het verder niet zo belangrijk zijn - niemand hoeft per slot van rekening naar Grand Slamtoernooien te kijken - ware het niet dat de invloed ervan merkbaar is op een doorsnee tennisbaan, zelfs ook als er geen competitie wordt gespeeld. Ik ken iemand die om die reden bij haar club is weggegaan. Vrijwel haar hele veertigjarige leven heeft ze getennist, met sierlijke, strakke slagen, maar wel altijd erop gericht de bal zo lang mogelijk in het spel te houden.

Ooit - heel lang geleden - moet het zo ook begonnen zijn. Elkaar speels de bal toeslaan met hooguit het net als tegenspeler die je moest zien te ontwijken. Maar de mens zou de mens niet zijn als hij op een gegeven moment niet had ontdekt dat je het de ander ook zo moeilijk kon maken dat de bal wel in het net terecht móest komen. De match was geboren. Mijn kennis kon de laatste jaren steeds moeilijk clubgenoten vinden die er niet op uit waren zo snel mogelijk te scoren.

Ach ja, de tennisclub. Behalve het spel is er veel meer te beleven. Het verbaast me eigenlijk hoe weinig je het als onderzoeksterrein tegenkomt in de psychologische literatuur. Neem bijvoorbeeld de attributietheorie, op dit moment een van de populairste theorieën om de meest uiteenlopende menselijke gedragingen te verklaren.

De theorie komt er kort gezegd op neer dat er typische persoonlijkheidsverschillen bestaan in de manier waarop mensen de oorzaak zoeken van gebeurtenissen die hen direct aangaan. Denken zij vooral aan factoren die buiten hun eigen invloedssfeer liggen (geluk, pech, moeilijke omstandigheden of "zo ben ik nu eenmaal')? Of hebben ze oog voor hun eigen aandeel? Het gaat dus in feite om de mate waarin iemand een gevoel van controle heeft over het eigen leven. En zo heeft iedereen een hem of haar kenmerkende "attributiestijl'.

Een deel van dit soort "toeschrijven' betreft eigen succes en eigen falen, en het gaat om het verschil tussen "ik kan er zelf niks aan doen' en "dit heb ik aan mezelf te danken of te wijten'. De theorie voorspelt dat naarmate iemand zekerder is van zichzelf hij voor zowel succes als mislukking de oorzaak in eerste instantie bij zichzelf zoekt, en dat naarmate iemand meer twijfelt aan eigen invloed hij sterker de neiging heeft mislukkingen aan zichzelf toe te schrijven en bij alles wat wel goed gaat een oorzaak buiten zichzelf aan te wijzen.

De tennisbaan lijkt geschapen om zo'n theorie te toetsen. Iedere service en iedere return is immers onmiddellijk te beoordelen als goed of slecht, als gelukt of mislukt. En vooral wat misgaat wordt meestal door de speler zelf becommentarieerd. Waar schrijft hij of zij dat dan aan toe? Ik meen op het oor te hebben vastgesteld dat de attributietheorie hier niet opgaat, want dat weliswaar de zelfverzekerde spelers inderdaad vaak iets van zichzelf als oorzaak noemen (“Ik wil backhand ook altijd veel te hard slaan”), maar dat onzekere mensen - hoe goed ze ook kunnen tennissen - altijd naar iets buiten henzelf verwijzen. Te zachte ballen, zon in de ogen, te zwakke tegenstanders, steentje op de baan. Dit geldt naar mijn ervaring voor jonge en oudere, mannelijke en vrouwelijke, goede en middelmatige spelers. Het is een echt persoonskenmerk, alleen volgens mij anders verdeeld dan de theorie doet verwachten. Het is iedere keer weer leuk om stil voor jezelf te voorspellen in welke richting een mislukte bal zal worden verklaard.