DE ONVERMIJDELIJKE OPMARS VAN HET CDA

"Een eigen weg'. De totstandkoming van het CDA (1952-1980) door H.-M. T. D. ten Napel 424 blz., Kok 1992, f 65,- ISBN 90 242 6625 4

Een positieve grondhouding. De geschiedenis van het CDA door Dick Verkuil 307 blz, SDU 1992, f 49,50 ISBN 90 12 06599 2

In zijn aan de Rijksuniversiteit Leiden verdedigde proefschrift "Een eigen weg'. De totstandkoming van het CDA heeft H.-M. ten Napel ervoor gekozen de groei van het CDA al in 1952 te laten beginnen. Er vonden in dat jaar Tweede Kamerverkiezingen plaats die voor ARP, CHU en KVP een signaal zouden zijn geweest dat zij rekening moesten gaan houden met verschuivingen in de tot dan toe betrekkelijk stabiele kiezersvoorkeuren. Voorts troffen de drie elkaar toen weer in de regering, nadat de ARP vanaf 1945 zich in de oppositie had opgehouden. En ten slotte markeert 1952 voor Ten Napel het begin van samenwerking tussen ARP, CHU en KVP in Europees verband. De drie partijen sloten zich toen aan bij de christen-democratische fractie in de Gemeenschappelijke Vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en een jaar later traden ARP en CHU toe tot de Nouvelles Equipes Internationales, de christen-democratische Internationale die in 1947 was opgericht en waarvan de KVP van meet af aan deel uitmaakte.

Het laatste argument lijkt mij weinig deugdelijk. Nog afgezien van de vraag wat de samenwerking van politieke partijen op Europees niveau in de jaren vijftig en zestig precies heeft betekend (de NEI stelde niet veel voor), moet worden geconstateerd dat van een verwevenheid van nationale en internationale oriëntatie toen nog nauwelijks sprake was. Het ging hier overwegend om gescheiden circuits, waarbij de Europeanen - meestal geen partijleden van de eerste rang - betrekkelijk autonoom konden opereren omdat de partijen nog gefixeerd waren op de nationale politiek.

Ook het tweede argument mist kracht, omdat in 1952 hersteld werd wat al enkele decennia bij de regeringsvorming gepraktiseerd was. En dat de barsten in het electoraat toen voor het eerst verontrustende vormen vertoonden, is gezocht. Voegt men hieraan toe dat de confessionele partijen hun ideologische verscheidenheid en vooral hun eigen sfeer ook na 1952 nog lange tijd bleven cultiveren - toegegeven: met ontkenning van de tekenen des tijds, maar die zijn anno 1992 natuurlijk gemakkelijker te zien - dan is er veel voor te zeggen de wording van het CDA in de tijd niet verder terug te leggen dan ergens halverwege de jaren zestig. En dat doet ook Dick Verkuil, wiens Een positieve grondhouding. De geschiedenis van het CDA eveneens dit jaar verscheen.

VRIJE VAL

Men zou zelfs kunnen beweren dat het begin vrij plotseling kwam. Rond 1960 waren er wel al eens ballonnetjes opgelaten in de richting van christen-democratische eenwording, maar die waren vrij snel uiteengespat. De drie partijen waren nog teveel met zichzelf bezig om serieus naar elkaar te kijken. Zelfs een eventuele fusie tussen de twee protestantse partijen leek toen nog volstrekt onbespreekbaar. Pas na de dramatische verkiezingsnederlaag van de KVP in 1967, waardoor de confessionelen hun al in 1918 verworven meerderheid in de Tweede Kamer kwijtraakten, drong het besef door dat een vrije val had ingezet die uiteindelijk kon uitmonden in een verwijdering van de christelijke inspiratie uit het centrum van de macht. Dat besef werd versterkt door de desastreuze verkiezingsuitslagen van 1971 en 1972.

We weten inmiddels dat de vrije val met succes is gestuit, al was het totstandbrengen van het CDA in 1980 een moeilijk werkstuk. Men heeft er vanaf de start van de besprekingen in 1967 dertien jaar over gedaan. Dat lijkt lang, maar achteraf bezien is het verstandig geweest dat men er zoveel tijd voor heeft genomen. Er lagen teveel gevoeligheden, in iedere partij afzonderlijk en tussen de partijen, om die in een kortere periode te kunnen wegmasseren. Want wat is het fusieproces anders geweest dan een lang volgehouden massage? Door de electorale verschuivingen eenmaal tot elkaar veroordeeld, was het zaak een nieuwe partij geboren te laten worden die voldoende cohesie zou bezitten om niet onmiddellijk te bezwijken onder taaie tegenstellingen op ideologisch en psychologisch vlak tussen katholieken en protestanten en tussen protestanten onderling.

De KVP had het meeste belang bij een fusie. Zij werd het ergste bedreigd in haar bestaan en wat haar betrof, kon de fusie niet snel genoeg een feit zijn. Zij heeft regelmatig geprobeerd tempo-versnellingen aan te brengen en schroomde niet ARP en CHU onder druk te zetten met het dreigement zich desnoods alleen als de nieuwe christen-democratische partij te presenteren, waarna de andere twee waarschijnlijk het nakijken zouden hebben gehad.

Het was vooral de ARP die het tempo laag hield. Zij koesterde grote argwaan jegens de KVP, waar nogal wat sympathie bestond voor het idee van een open christelijke partij waarvoor ook het humanisme inspiratiebron kon zijn. Dat zou dan naar een woord van de oude Hendrik Algra, met beide benen staande in de antirevolutionaire traditie, een partij worden ""op één plaats opgehangen aan het evangelie als aan een spijker''.

GRUWEL

De katholieken konden met hun zonniger mensbeeld maar moeilijk overweg met het gepreek van de protestanten over zonde en bijbel. Zij leken het organisatorische vraagstuk belangrijker te vinden dan het ideologische gehalte van de nieuwe partij. Dat was de ARP met haar in de jaren zestig eigen gemaakte evangelisch-radicale bevlogenheid een gruwel, temeer daar de protestanten toch al op hun hoede moesten zijn om niet door de veel grotere KVP te worden opgegeten. Niet ten onrechte. Toen de drie in 1977 voor het eerst een gezamenlijke fractie vormden, konden de katholieken, die in Van Agt al de premier hadden geleverd, maar ternauwernood van de onzalige gedachte worden afgehouden om ook nog eens het fractievoorzitterschap op te eisen.

Dat werd Willem Aantjes, in de jaren zeventig onbetwist de voornaamste antirevolutionair. Hij had volgens Verkuil onder invloed van een somber calvinisme en een wantrouwend karakter een scherp oog voor het vileine in de mens en zolang hij bij de ARP aan het roer stond, konden de katholieken verzekerd zijn van zijn achterdocht. Zijn ARP heeft er hardnekkig aan vastgehouden dat het evangelie als richtsnoer zou worden erkend. Aantjes vreesde dat het CDA anders uit zou zijn op het behoud van bestaande machtsposities, dat het geen bron van inspiratie, maar een poel van gezapigheid en zelfgenoegzaamheid zou worden, geen instrument van christelijke gedrevenheid, maar een anti-socialistisch blok. Als het aan hem had gelegen, zou iedere CDA-volksvertegenwoordiger persoonlijk aanspreekbaar moeten zijn op dit uitgangspunt.

Het gedram van de ARP kwam op de CHU nogal hautain over. Daar viel Aantjes' befaamde "Bergrede' uit 1975 bepaald slecht. Het deed deze partij ondanks antipapistische sentimenten opschuiven in de richting van de katholieken. Men kon er niet tegen dat de antirevolutionairen de exclusieve rechten op de evangelische radicaliteit claimden en zich zo weer eens als de beste jongetjes van de klas voordeden. De abrupte terugtocht van Aantjes uit de politiek in 1978 als gevolg van plotselinge negatieve publiciteit over zijn oorlogsverleden betekende in feite dat de rem op het fusieproces losging.

De beschrijving van dat proces is bij Ten Napel en Verkuil opmerkelijk eensluidend, tot in de keuze van citaten toe. Gelukkig vallen ook verschillen op, want anders zou ten minste een van beide boeken overbodig zijn geweest. Zo lopen de oordelen over een centrale figuur als Steenkamp uiteen. Steenkamp geldt als de founding father van het CDA omdat hij aan alle belangrijke besprekingen leiding heeft gegeven. Er werd hem teveel getheologiseerd. Hij moest er niets van hebben dat men elkaar voortdurend de maat van christelijke inspiratie nam. Bij het inspelen op vaak snel wisselende stemmingen legde hij een grote lenigheid aan de dag en als katholiek wist hij een taal te bezigen die de protestanten aansprak. Dat maakte hem geknipt om de tegenstrevende krachten bij elkaar te houden.

Ten Napel is over het algemeen terughoudend in het geven van eigen oordelen, maar hij verhult zijn bewondering voor deze kameleon niet. Bij Verkuil daarentegen is Steenkamp het symbool voor de pragmatische bestuurderspartij, zonder veel intellectuele diepgang en reflectie, die zo lang mogelijk kool en geit wilde sparen, en er niet in slaagde ook maar één knoop door te hakken. Tijdens het fusiecongres, waar allesbehalve een uitbundige sfeer heerste, werd hij weliswaar op één rij gezet met Kuyper, Schaepman en De Savornin Lohman, maar, aldus Verkuil, het CDA kon toen moeilijk erkennen dat er nog grote aarzelingen bestonden en dat de fusie was doorgezet omdat het niet meer anders kon. Dat zou te pijnlijk zijn geweest. ""Het CDA had ten minste één held nodig die allen konden toejuichen.''

Voor dit soort smaakmakende zinnen moet men niet bij Ten Napel zijn. Wat dat betreft is zijn boek een echt proefschrift. Verkuil heeft de pen wat gemakkelijker gehanteerd en daardoor een leesbaarder verhaal afgeleverd. Ook in de afbakening van het onderzoeksterrein vallen verschillen in het oog. Ten Napel presenteert een nogal naar binnen gerichte studie, waardoor de verkeerde indruk kan ontstaan dat het fusieproces zich tamelijk gesoleerd van het algemene politieke klimaat van de jaren zestig en zeventig voltrok.

Verkuil heeft nadrukkelijk ook de invloed van exogene factoren op het verloop van de fusie proberen vast te stellen en komt daardoor met interessante observaties over bijvoorbeeld de hoogstmerkwaardige rol van de PvdA. Met haar van overmoed getuigende neerbuigendheid jegens de confessionelen ten tijde van het kabinet-Den Uyl, de voor haar traumatisch verlopen formatie van 1977 en de daarop volgende frustrerende oppositieperiode bereikte deze partij precies het tegenovergestelde van wat het doel van haar polarisatiestrategie was: de vernietiging van de christelijke partijen. De PvdA heeft zich door de electorale successen van de jaren zeventig laten verleiden tot een overwinnaarsmentaliteit die uitermate geschikt is om onderliggende partijen te stimuleren één front te vormen en de tegenstander eens flink op zijn nummer te zetten. Dat is onder Van Agt en Lubbers dan ook aardig gelukt. Niet voor niets zei het oud ARP-kamerlid Maarten Schakel ooit dat als het CDA nog eens legpenningen zou uitreiken voor verdienstelijk fusiegedrag, dan in ieder geval Burger begiftigd zou moeten worden. Bij de formatie van het kabinet-Den Uyl had Burger ARP, CHU en ARP uit elkaar gedreven, hetgeen voor veel confessionelen juist dé marsorder richting CDA is geweest.

GENERATIEWISSELING

Ten Napel geeft op basis van een gedegen onderzoek in alle beschikbare archieven een vrijwel volledig chronologisch verslag van de fusieperikelen. In dit opzicht onderscheidt hij zich positief ten opzichte van Verkuil die heel wat minder archieven heeft bekeken en aan de bronverantwoording niet de meeste zorg heeft besteed. Ten Napel is geen nuance van de complexe wordingsgeschiedenis ontgaan en toch mist de lezer bij hem een heldere analyse. Dat komt omdat hij te zeer in de inventarisatie is blijven steken. Op het einde van zijn boek probeert hij dat euvel te verhelpen door een aantal integrerende en complicerende factoren bijeen te zetten, maar daarmee heeft hij niet alle vragen beantwoord.

Zijn verhaal hangt Ten Napel voornamelijk op aan personen, en dan dringt zich vanzelf de vraag op, welke invloed de generatiewisselingen in de jaren zestig en zeventig tegen de achtergrond van ontzuiling hebben uitgeoefend. De cultuur van theologische haarkloverij die de drie confessionele partijen zoveel eigenheid had bezorgd, kon aan de naoorlogse generatie nauwelijks nog worden doorgegeven. Wie de onvermijdelijkheid van het CDA - die onvermijdelijkheid lijkt mij een gegeven - wil verklaren, moet hiernaar vragen.

Ook Verkuil komt aan de uitwerking van deze vraag niet toe. Toch biedt hij dank zij de bredere aanpak meer inzicht in het hoe en waarom van het succes. Desondanks bevredigt zijn boek niet helemaal omdat hij nogal vaak excursies maakt naar de Haagse politiek om incidenten te beschrijven die niet onmiddellijk iets te maken hebben met de CDA-geschiedenis. Maar van de twee is zijn boek wel het aardigste om te lezen.