De Olympische Spelen op televisie; Natte moesson

Er is een merkwaardige analogie tussen sport op de televisie en regenval.

Veel mensen blijven er voor thuis. Je kunt in de krant kijken om te zien of het in aantocht is en dat klopt dan ook meestal - waarbij de aankondigingen van televisieprogramma's wat betrouwbaarder zijn dan de weersverwachting. Maar beide hebben het karakter van een fataliteit: het heeft geen zin je tegen de invasie van sport op de televisie te verzetten, zomin als het mogelijk is om een regenbui "een halt toe te roepen'.

En net als de regen komen ook de sportprogramma's in vlagen; de Olympische Spelen zijn wat dat betreft als de natte moesson in de tropen: eerst hangt het een poos dreigend in de lucht en daarna zal het blijven regenen, dag in dag uit, uren achter elkaar, tot je er wanhopig van wordt. Je weet van te voren dat het er aan komt, er is niets tegen te beginnen, je moet er doorheen.

Zo ontstaat onontkoombaar de dwangvoorstelling van een televisietoestel waarop alleen nog maar regen te zien is - regen waar je weliswaar niet nat van wordt (zoals je van kijken naar sport op de televisie ook niet zelf moe wordt), maar de overeenkomst is dat al die sportwedstrijden zo eentonig zijn als regen: steeds weer die vertrokken koppen van mensen die zich afbeulen om iets te doen dat niet de moeite waard is: heel hard lopen met een stokje, zoals een hond; vreselijk vlug fietsen, uit alle macht tegen iets trappen, een aanloop nemen en een heel grote sprong maken, met z'n allen om de beurt een bal in een mandje gooien - dingen die in mijn ogen al die drukte niet waard zijn; om daar met alle geweld nummer één in te willen zijn ervaar ik als kinderachtig.

De barometer zakt, er zijn Olympische Spelen op komst. Binnenkort is het dus weer alle dagen regen op de televisie. Niets tegen te beginnen. Je kunt de wens uitspreken dat al die sport geconcentreerd zou worden op één zender, maar hoewel mij dat volkomen redelijk en verstandig lijkt zal het niet gebeuren.

Niet dat ik er zelf erg veel last van zal hebben. Ik kijk weinig televisie en vooral sinds ik in het bezit ben van een videorecorder verspil ik vrijwel geen tijd meer aan dingen die me niet werkelijk interesseren. Wat me wel interesseert kan ik bekijken wanneer ik wil en zo vaak als ik wil, ook nog jaren later.

Dit leidt tot een interessante vergelijking: hoeveel sportliefhebbers doen dat ook? Zouden er veel mensen zijn die de Olympische Spelen opnemen op video, om er later opnieuw naar te kunnen kijken, net zoals ik dat doe met de dingen waar ik waarde aan hecht? Ik bedoel nu dus niet mensen die op het moment zelf verhinderd waren, maar echte liefhebbers van sport die wat ze al eens gezien hebben willen bewaren om er op een later tijdstip nog eens van te genieten. Welke voetbalfanaat gaat later weer met een krat bier voor de buis zitten om de volledige wedstrijd Nederland-Denemarken nog eens te bekijken?

Ik denk niet dat dat veel voorkomt, en de reden is duidelijk genoeg: er is geen belangstelling voor sportprestaties wanneer eenmaal bekend is hoe ze zijn afgelopen. Vandaar dat ze praktisch alleen maar live worden uitgezonden; vandaar ook dat je in videowinkels geen banden kunt kopen met de wedstrijd Bulgarije-Griekenland of F.C.Heerenveen-Amersfoortse Boys van vorig jaar, laat staan de vijfhonderd meter hordenlopen uit 1986. Daar is nauwelijks een markt voor, ook al waren het sublieme staaltjes van voetbal- of hordenloopkunst; niemand kijkt daar meer naar om de sport. Wat daaruit blijkt is dat het, in tegenstelling tot alle pretenties, niet om de schoonheid of de katharsis of de noblesse van de sport is begonnen, maar eenvoudig om de spanning, in de onzekerheid van de uitslag, en dan nog vrijwel uitsluitend wanneer de mensen zich met een van de partijen kunnen identiferen. Ze willen het eigen team of de eigen kampioen zien winnen (en een heel enkele keer een gehate tegenstander, waar we zelf van verloren hebben, zien verliezen).

Met sportiviteit heeft dat allemaal weinig te maken, laat staan met noblesse. Ik moet bekennen dat mijn geringe enthousiasme voor sport op de televisie niet alleen berust op het feit dat ik er meestal niet veel aan vind, maar ook op mijn afkeer van het aan bijna alle sport-evenementen verbonden chauvinisme. Toen Nederland een keer van Duitsland had gewonnen, gaf dat aanleiding tot stuitende manifestaties van haat jegens de verliezers; het meest verontrustende daarbij is eigenlijk dat daar in dit anders zo van morele verontwaardiging overlopende land als bij afspraak over wordt gezwegen, wanneer het al niet wordt gebagatelliseerd of goedgepraat, zoals ook met het door zulke wedstrijden opgewekte geweld en vandalisme gebeurt. Wanneer een politieke partij de mensen tot een dergelijk fanatisme zou opzwepen zou die vermoedelijk meteen worden verboden.

Met weerzin heb ik over de jaren bij sporthelden de gewoonte zien ontstaan na een overwinning dreigend met de vuist te schudden, alsof er iets of iemand moest worden gestraft of doodgeslagen; ook voetballers zie je na een doelpunt vaak verwoed over het veld galopperen, schuddend met hun gebalde knuistjes als bedorven kinderen. En dan zou sport nog wel moeten leiden tot verbroedering tussen de volkeren. De Olympische Spelen lijken wat mij betreft eigenlijk nog het meest op de voorbereidingen tot een stammenoorlog, zoals je wel op oude etnografische films kunt zien.

De atmosfeer van dit alles is op meeslepende wijze onder woorden gebracht door de Franse schrijver Georges Perec, die in een van zijn boeken een "Olympisch eiland' laat optreden, een staat waarin het onderwijs, het publieke leven, ja het hele bestaan systematisch onderworpen zijn aan het ideaal van de sport. Kampioenen en potentiële kampioenen worden voortdurend bewierookt, bevoorrecht en toegejuicht; slechts zij hebben rechten, de anderen alleen plichten, terwijl verliezers in concentratiekampen worden opgesloten en doodgeknuppeld. Het olympisch ideaal.

Nee, geef mij dan maar de Zuid-Amerikaanse Indianen waar Lévi-Strauss over schreef, aan wie een missionaris het voetbalspel had geleerd. In plaats van een gegeven aantal wedstrijden te spelen, waarna één elftal de winnaar zou zijn en het andere de verliezer, speelden ze net zo lang door tot beide partijen evenveel wedstrijden hadden gewonnen als verloren. Daarna vielen ze elkaar om de hals en stortten tranen van geluk. Heel ontroerend, maar ook hun wedstrijden hoeven van mij niet op de televisie.