Club als broederschap; Santa Monica groot door gouden regels

De club van Carl Lewis, Leroy Burrell, Steve Lewis en Danny Everett. De meest succesvolle atletiekclub van de wereld. De Santa Monica Track Club. Portret van een zorgzame familie.

Manager Joe Douglas noemt Carl Lewis “de lijm die de club samenhoudt”, “de knoop die alles verbindt”, “de motor en de turbo tegelijk”. En Carl Lewis noemt Joe Douglas “het anker van de club”, “de motorolie”, zonder wie alles hopeloos vastloopt. Zonder Joe Douglas zou er helemaal geen Santa Monica Track Club zijn geweest. Zonder Carl Lewis zou de club nooit zo succesvol zijn geworden.

De Santa Monica Track Club is de meest succesvolle atletiekclub van de wereld. Vier jaar geleden won ze in Seoul zes gouden medailles, drie keer zoveel als de hele Nederlandse afvaardiging, zestig procent van de Amerikaanse oogst bij de atletiek. Vorig jaar haalde ze bij de wereldkampioenschappen in Tokio ook weer zeven medailles: vier keer goud, twee keer zilver, één keer brons. En in Barcelona zal ze opnieuw sterk vertegenwoordigd zijn, ondanks het falen van Carl Lewis bij de olympische selectiewedstrijden.

Carl Lewis is weliswaar nog altijd het boegbeeld van de Santa Monica Track Club. De vlaggedrager. Maar de club steunt voor haar successen allang niet meer alleen op de goeroe van de sprint. Toen Carl Lewis zich niet wist te plaatsen voor de 100 meter, waren er altijd nog zijn ploeggenoten Leroy Burrell en Mark Witherspoon die daar wel in slaagden. Terwijl clubmaat Mike Marsh zich in elk geval kwalificeerde voor de 4 x 100 meter-ploeg. Toen de zesvoudige olympisch kampioen ook weer te kort kwam op de 200 meter, veroverde Mike Marsh wel degelijk een startbewijs. En Carl Lewis kan in Barcelona toch nog altijd excelleren in de verspringbak.

Daarbij telt de Santa Monica Track Club ook andere coryfeeën. Zoals Steve Lewis, olympisch kampioen in Seoul, en Danny Everett, winnaar van het brons, die op de 400 meter opnieuw een gooi zullen doen naar het goud. Zoals Johnny Gray, de Amerikaanse recordhouder op de 800 meter.

Santa Monica is een voorstadje van Los Angeles, ingeklemd tussen de stad en de oceaan. Een keurig, blank middenklassestadje, waar zwarten alleen maar komen om te bedienen. Waar alle vrouwen jong en slank zijn, en de hele dag verantwoorde salades zitten te eten met vriendinnen. De Amerikaanse burgermansdroom.

Hier wonen de welgestelden die het zich kunnen veroorloven de stadsjungle de rug toe te keren, maar die te weinig verdienen om naar Malibu te gaan. Met ogen vol misprijzen kijken ze naar de zwervers die zich 's ochtends verzamelen voor het gebouw van de Weight Watchers, hun hele bezit met zich meeslepend in een boodschappenwagen. 's Middags trekken ze naar de pier waar ooit nog "They shoot horses, don't they' werd opgenomen, die film over de Verenigde Staten in de crisisjaren. Dat de politie niets onderneemt tegen zo'n karavaan van verval en vervuiling. En ze nippen met hun dunne lippen van de verse wortelsap.

In een van die volstrekt inwisselbare straten van de voorstad bevindt zich het kantoor van de Santa Monica Track Club. Om precies te zijn op de hoek van Ocean Park Boulevard en 18th Street. Een verkommerde palmboom voor de deur.

In het kantoor heerst de chaos die aan de oerknal vooraf is gegaan. Het postbakje van Joe Douglas is overgelopen en de inhoud vult nu zijn hele bureau. Op de vloer staan dozen met archiefmateriaal, dozen met folders en dozen met kleding.

Secretaresse Della zegt zuchtend dat ze inmiddels vijf dagen achter is met het beantwoorden van boodschappen op het antwoordapparaat. “Het is een dierentuin”, roept Joe Douglas, en hij maakt er dramatische gebaren bij. “Ik heb niet eens tijd om erachter te komen hoever ik achter lig. Ik word nog gek.” Maar zijn glinsterende ogen verraden dat hij ook geniet van de drukte. Die houdt hem alert en maakt hem hyperactief.

Het lijkt wel of hij als een jongleur tien ballen tegelijk in de lucht probeert te houden. Hij maakt notities, converseert, delegeert en telefoneert en dat alles door elkaar en alles in een moordend tempo. Toch geeft hij zijn gesprekspartners aan de telefoon de indruk dat hij alle tijd voor ze heeft. Bij journalisten die bellen voor een interview met Lewis informeert hij belangstellend naar gemeenschappelijke kennissen. Met wedstrijdpromotors die afspraken maken over hotels en aankomsttijden wisselt hij de laatste, meest wilde geruchten uit. “Weet je dat ze Danny Harris hebben gepakt”, vertelt hij, bijna likkebaardend. Pas drie weken later maakt de Amerikaanse atletiekbond bekend dat de zilveren-medaillewinnaar op de 400 meter horden in Seoul wegens het gebruik van doping voor vier jaar is geschorst.

Als hij achter zijn bureau zit, lijkt hij net een kobold. Zijn benen reiken nauwelijks tot de hoogpolige vloerbedekking. Als hij lacht, klinkt hij als Woody Woodpecker en kleppert hij met zijn voetzolen. Joe Douglas, nog geen 1,60 meter. Al zijn atleten torenen ten minste twee koppen boven hem uit.

En toch zien ze tegen hem op. “Want hij is als een vader voor ze”, zegt Rose, de andere secretaresse. “Hij zegt dat ze op hun centen moeten passen. Hij helpt ze als ze in moeilijkheden zitten. Hij geeft om ze.”

Zelf beschouwt Rose zich als de oma van de Santa Monica Track Club. Ze is Joe indertijd als vrijwilligster komen helpen toen de club nog geen geld had. En toen de Club wel de beschikking over voldoende dollars kreeg, heeft Joe haar zonder aarzeling in dienst genomen. Ondanks haar leeftijd. Ze is inmiddels 75. Vorige week hebben ze nog een verjaardagsfeest voor haar gegeven. “Het zijn zulke lieve jongens. Er is zoveel kameraadschap onderling.”

Geen renstal van vedetten

De Santa Monica Track Club is geen All Star atletiekclub, geen renstal van vedetten, bij elkaar gekocht door een rijke sponsor, zoals ze in de jaren tachtig bij bosjes zijn ontstaan. Joe Douglas heeft de Santa Monica Track Club twintig jaar geleden opgericht als een heel speciaal soort dorpsvereniging. Recreanten uit Santa Monica konden er lid van worden. Hun aantal schommelt nog altijd tussen de 20 en 40, afhankelijk van het jaargetij. Daarnaast moest de club een plaats bieden aan de meer ambitieuze atleten voor wie elders te weinig ondersteuning was.

Voor jeugdige talenten waren er faciliteiten voldoende, zolang ze maar naar het college of de universiteit gingen en daar bijdroegen aan de faam van hun school. Maar als ze dan eindelijk afgestudeerd waren, belandden ze in een niemandsland. Met atletiek was in de Verenigde Staten geen geld te verdienen. En welke coach had zin om zijn tijd aan een armoedzaaier te verspillen? De beste lopers zochten hun toevlucht in het American Football. Of ze wijdden zich aan een maatschappelijke carrière. De gemiddelde Amerikaanse atleet ging met 24 "met pensioen'.

Joe Douglas vond dat een schandelijke verspilling van talent. Hij wilde een vrijhaven scheppen voor oudere atleten, waar ze zich met de juiste begeleiding konden blijven verbeteren. Hij wilde dat ze steun bij elkaar zouden vinden tegenover die meedogenloze buitenwereld.

Wat hij eigenlijk wilde was zijn eigen jeugd verlengen, geeft hij in een schemerig Mexicaans restaurant, proevend van de guacemolo, volmondig toe. De mooiste tijd van zijn leven was toen hij in de beginjaren zestig uitkwam voor de Los Angeles Track Club op de mijl (4.13,2) en de 800 meter (1.51,6). Ze woonden met twaalf lopers in een en hetzelfde huis. En samen hadden ze 45 Amerikaanse records. “De L.A. Track Club was in die tijd de beste van de wereld. Ik wilde dat de Santa Monica Track Club dat ook weer zou zijn.”

In de tijd dat hij hardliep voor de L.A. Track Club had hij ook al eens als assistent-coach gefungeerd. Die draad pakte hij weer op toen hij aan het eind van de jaren zestig leraar wiskunde werd aan de Westchester High School in Los Angeles. Eerst had hij bewegingsfysiologie en biomechanica gestudeerd, maar in dat specialisme had hij nooit aan de kost kunnen komen. Daarom was hij uiteindelijk maar op wiskunde overgestapt.

De meeste mensen kennen Joe Douglas alleen als manager van de Santa Monica Track Club. Het opgewonden standje dat voor zijn atleten door gewapend beton gaat. De keiharde onderhandelaar tegenover sponsors en wedstrijdpromotors. Maar eigenlijk voelt hij zich pas in zijn element als hij mag coachen. Het is dat de club niet zonder zaakwaarnemer kon en dat het werk in het verlengde van de atletiek ligt, anders zou hij zo'n managementfunctie nooit op zich hebben genomen. Dan was hij liever financieel analist geworden. Of effectenmakelaar.

Maar 's middags kan hij het kantoor uit. 's Middags mag hij naar de atletiekbaan. Het keurkorps van de Santa Monica Track Club telt 25 atleten: 20 mannen, 5 vrouwen. De sprinters trainen met "coach T', de universiteitscoach Tom Tellez, in Houston. En de 400 meter-lopers, de middellange-afstandslopers, de marathonmannen werken elke middag met Joe Douglas in Santa Monica.

Ze trainen op dezelfde baan waar Douglas 28 jaar geleden zelf nog zijn rondjes heeft gedraaid en waar hij ook nog heeft gestaan als college-coach. Het is de baan van het Santa Monica City College. Op het grasveld in het midden oefenen American Football-spelers hun spelpatronen. In de buitenbanen slepen eersteklassertjes met dikke konten zich voort, wanhopig achtervolgd door een motorisch gestoorde Japanse. Daar tussendoor hobbelt ook nog een hevig zwetende bejaarde, die door slenterende tienerstelletjes gemakkelijk wordt voorbijgestreefd.

Eigenlijk let er niemand op dat groepje topatleten, dat zich heeft verzameld in de buurt van het stinkende noodtoilet. Ze horen bij de entourage. Er is ook niet zoveel te zien aan dat stelletje sporters, dat elkaar loom op de schouders slaat. Traag maken ze hun spieren los en traag gaan ook hun trainingspakken uit. Dat duurt wel drie kwartier. Het enige wat ze hard doen, wat ze ook veel doen, is lachen. Ze hebben veel plezier.

“Ontspannen is net zo belangrijk als inspannen”, doceert Joe Douglas, maar zelf ontspant hij geen seconde. Driftig beent hij op en neer in zijn grijze broek en witte blouse met streepje, alles registrerend, nooit verslappend. Onophoudelijk speelt hij met de stopwatch aan het koordje. Die draait hij steeds weer om zijn pols. En terug.

Hij heeft allang gezien dat Danny Everett vandaag geen puf heeft. Moet je hem bij de warming-up eens zien sjokken. Anders loopt hij altijd aan kop. Maar wat wil je? Drieëneenhalve week heeft hij niet kunnen trainen door een blessure. En het is nooit leuk om te voelen hoever je achterligt.

Douglas troost hem. Douglas praat lang op hem in. Hij moet zich niet vergelijken met Steve Lewis, die al die tijd heeft kunnen trainen. Hij moet doen wat hij kan en niet minder. Hij is zijn eigen maat.

Intussen snelt Steve Lewis verder. In de training en in de wedstrijd is het ieder voor zich. Dat is een regel van de club. Maar daarvoor en daarna steun je je teamgenoten naar vermogen. Dat is een andere regel. Met z'n allen vormen ze een vangnet voor elkaar.

Als Danny Everett naar huis gaat, nog altijd aangeslagen, aait Steve Lewis hem bijna terloops over zijn afgeplatte borstelhoofd.

Zoveel sterren aan het zwerk

Om toe te treden tot het keurkorps hoef je geen olympisch kampioen te zijn. In principe is elke sporter welkom. Wel moet in zijn ogen gegrift staan dat hij de top wil bereiken. Dat hij de beste atleet wil worden die binnen zijn mogelijkheden ligt. En hoe goed dat dan is? Douglas zegt dat hij dat niet belangrijk vindt. “Er staan zoveel sterren aan het zwerk. En ze schitteren geen van alle gelijk. Voor de één zal deelname aan het nationaal kampioenschap het hoogst haalbare zijn. De ander wordt wereldkampioen.”

Hij wijst op een van zijn 10.000 meter-lopers, met wie het nooit wat worden zal. Nooit zal hij de tijd benaderen die hij in zich heeft. Zijn grootste beperking? “Het leven zelf.” Geldproblemen en nachtelijke baantjes en slaapgebrek. Aan zijn lopen zie je dat hij afgepeigerd is.

“Hoe zijn je benen”, roept Douglas hem in het voorbijgaan toe. “Prima”, luidt het antwoord. Waarop Douglas uit zijn slof schiet: “Je liegt het.” “Dat is een andere reden waarom hij het nooit ver zal brengen”, mompelt Douglas. “Hij liegt tegen zichzelf.”

Nee, dit is geen loper die het aanzien van de club zal vergroten. Dit is een geboren verliezer. “En toch is hij net zo belangrijk als de kampioenen”, zegt Douglas. “Omdat hij doet wat hij kan. Omdat iedereen in de club dat ook weet.”

De wet van vraag en aanbod

Maar voor sporters die sjoemelen met de gouden regels kent hij geen genade. Als ze bij de club komen, legt hij ze uit wat er van hen verwacht wordt. Punt één: ze leveren in het openbaar geen kritiek op clubgenoten. Net zoals de andere leden zich onthouden van kritiek op hen. Tenslotte maken ze allemaal deel uit van dezelfde broederschap, hetzelfde ondersteuningsapparaat.

Punt twee: ze lopen niet voor het geld. Ze lopen alleen maar om sneller te worden. Dan komt het geld vanzelf. En zelfs dan mogen ze nog niet morsen met hun krachten. Ze kunnen beter één wedstrijd lopen voor veel geld dan veel wedstrijden voor weinig geld. Dat is de wet van vraag en aanbod. Als ze hun carrière willen rekken, als ze zich niet in recordtijd willen laten opbranden zoals die Afrikaanse lopers, is dat de enige weg. En punt drie: ze brengen de club niet in gevaar of diskrediet.

Atleten, secretaresses, Joe Douglas, allemaal spreken ze over de club als over hun familie. Leroy Burrell ziet tussen de Santa Monica Track Club en zijn eigen familie nauwelijks meer verschil. Het enige onderscheid is dat hij thuis steeds de leiding krijgt opgedrongen. Terwijl de club “een forum kent van leiders die elkaar aanvullen en samen een onverslaanbare eenheid zijn”. “Iedereen heeft wel zijn hart verloren aan iemand anders van de club.”

Steve Lewis zegt dat de clubgenoten als broers en zussen met elkaar omgaan. “De ouderen, zoals Carl, dienen ons als voorbeeld. Ze vertellen hoe je met de wedstrijddruk moet omgaan, hoe je de publiciteit tegemoettreedt. En wij vervullen voor de jongeren een zelfde functie. Intussen houden we elkaar voortdurend scherp.” Of zoals Carl Lewis het uitdrukt: “Tussen concurrentie en kameraadschap presteren we allemaal het best.”

Belangrijk vindt Steve Lewis ook de sociale controle van de clubgenoten. “Want als je net zoals ik al op je 19de je eerste olympische medaille verovert, dan heb je de neiging om met je hoofd in de wolken te lopen. En om te vergeten wat daar allemaal voor nodig is geweest. En om uit het oog te verliezen waar het werkelijk om gaat. Dan is het belangrijk goeie mensen om je heen te hebben. Mensen die je op het rechte pad willen houden.”

Mensen die je ook beschermen tegen de verleidingen. Tegen uitnodigingen voor ruige feesten met drugs en vrouwen.

Tegen de verraderlijke voorstellen van “bloedzuigers, parasieten en ander uitschot”, zoals Joe Douglas hen plastisch omschrijft.

Misschien is de Club voor de vedetten ook wel een vrijhaven, de enige plaats waar ze geen enkele schijn hoeven op te houden. Waar ze zich niet hoeven te bekommeren om hun image. Waar ze zichzelf kunnen zijn. Atleten onder elkaar.

Voor Joe Douglas is de club zijn familie. Alles wat hij bezit, naast zijn vriendin. En wat hem nog altijd verbaast, wat hem hevig ontroert, is dat de liefde in die familie ook wederzijds is. Ze hebben hem nog nooit laten vallen. Terwijl hij soms toch een knap lastig mens is. Terwijl hij soms zo vreselijk nerveus is. “Maar”, zegt hij met een brede glimlach, “ze weten dat Joe het wel redt.”

En wie hadden hem er weer bovenop geholpen, toen twee jaar geleden zijn moeder overleed. Toen vorig jaar ook nog zijn vader zelfmoord pleegde. Dat waren de clubgenoten. “Wij kunnen op elkaar bouwen. Dat is een deel van onze kracht.”

Douglas heeft aan die formule van de club als broederschap nooit concessies willen doen. Daarom is de club ook nooit met een vaste sponsor in zee gegaan. Hoewel hij toch heel lucratieve aanbiedingen gehad heeft. Al vele jaren geleden van Puma, later van Mazda en nog onlangs van Panasonic. Maar hij wilde de onafhankelijkheid van de Club niet in gevaar brengen. “En”, zegt hij met twinkelende ogen, “ze boden niet genoeg.”

Trouwens, wat betekent geld nou? Vier jaar geleden heeft hij pas voor het eerst een eigen woning kunnen kopen. Tegenwoordig ontvangt hij tien procent commissie van alle sponsorcontracten van zijn atleten. Daar betaalt hij het kantoor en de werknemers van.

Wat hem meer voldoening schenkt dan geld is de reputatie die zijn club heeft verworven. Zijn club telt zoveel grote namen dat ze eisen kan stellen. Ze kan behoorlijke startgelden vragen, behoorlijke hotels voor de atleten. Ze kan ook tekeergaan tegen de hypocrisie van het amateurisme, tegen de ontoereikendheid van het dopingbeleid. En dat die eisen en kritiek de Santa Monica Track Club niet zo populair hebben gemaakt bij wedstrijdpromotors en sportbestuurders, dat kan Joe Douglas weinig schelen. “Wij hebben de atletiek op een hoger plan getild.”