Beter sportleven dan ooit tevoren

De sportstructuur in de Sovjet-Unie mag dan ontmanteld zijn, de macht berust nog bij de functionarissen van weleer. De waardering voor de sporters is verminderd, maar zij zijn de laatsten die erover treuren nu ze hun dollars aan prijzengeld zelf mogen houden.

De anchorman van het oude Sovjet-televisiejournaal Vremja heeft tegenwoordig een wekelijkse sportrubriek. Elke zondag presenteert Leonid Elin, die een jaar geleden nog namens de toenmalige televisie-directeur Leonid Kravtsjenko de conservatief gestaalde bulletins mocht voorlezen en in die hoedanigheid veelvuldig voor de ondergang van de Sovjet-Unie kon waarschuwen, op een van de centrale netten een nostalgisch praathoekje met befaamde sterren uit een ver verleden. Sport is een oude liefhebberij van hem.

Maar het is elke zondag toch ook weer duidelijk dat hij maar moeilijk kan wennen aan deze degradatie. Want in het nieuwe Rusland staat de trend precies haaks op die in Nederland. Bij ons is Mart Smeets belangrijker dan Maartje van Weegen. In de voormalige Sovjet-Unie daarentegen is Joeri Rostov nog altijd gewichtiger dan Leonid Elin. Het is een kwestie van ontwikkelingsfase, zowel van beide landen in algemene zin als van de sport. De Sovjet-burgers hebben momenteel wel wat anders te doen dan sporthelden vereren. Zelfs Gari Kasparov timmert de laatste twee jaar meer aan de weg als semi-politicus dan als wereldkampioen schaken.

In de sportwereld treurt men daar desondanks niet over. Het leven van de gemiddelde topsporter is namelijk beter dan ooit. Zowel voor de bonzen als voor de sporters zelf. Voor de eersten omdat er in hun kring, ondanks de revolutionair ogende wijzigingen in de samenleving, weinig is veranderd. Voor beide categorieën omdat ze financieel steeds beter aan hun trekken komen. De dollars die in het Westerse sport- en sponsorcircuit circuleren mogen ze tegenwoordig zelf houden. Polsstokhoogspringer Sergej Boebka, een Rus uit het Oekraïense Donetsk die nu in Berlijn woont en traint, heeft er zelfs een fraaie truc van gemaakt. Elke keer dat hij het wereldrecord verbetert kan hij de beloning zelf vangen, hetgeen afgelopen jaar door zijn sportieve én boekhoudkundige kwaliteiten (elke keer niet meer dan één centimeter hoger) aardig in de papieren is gelopen.

De toegankelijkheid tot het grote geld van de media-gebeurtenissen is door het verval van de Sovjet-Unie bovendien toegenomen. Niet alleen omdat er geen uitreisvisa meer worden geweigerd, maar ook omdat de "soevereinisering' van de Sovjet-Unie tal van onverwachte mogelijkheden biedt. De drie Baltische landen hebben zich in alle gremia reeds een eigen plaats veroverd, wat voor Litouwen kan leiden tot een ereplaats bij de basketballers omdat het befaamde team van de Unie voor de helft uit Litouwers bestond.

Eensgezindheid voorbij

Voor de elf GOS-staten is de eensgezindheid na Barcelona ook voorbij. De Olympische Spelen in Spanje moeten de laatste worden waar de voormalige Unie nog met één "nationale ploeg' (497 sportlieden en 153 bestuurders, trainers alsmede verzorgers) zal verschijnen. Het IOC heeft de GOS-staten in maart van dit jaar al als zelfstandig erkend. Naarmate er meer onafhankelijke staten komen kunnen er derhalve meer sporters meedingen naar het prijzengeld. Eindelijk ruimte voor de kleine naties binnen het door Rusland gedomineerde verband.

De recente Schaakolympiade in Manila is de eerste voorbode geweest van wat dan wellicht nog gaat komen. In de eindrangschikking eindigde Rusland als eerste (niet verwonderlijk met een team dat door Kasparov zelf werd aangevoerd), volgden Oezbekistan (inderdaad, ook een schaaknatie, ook al wist menig buitenstaander dat niet) op de tweede plaats, Armenië op de derde en Letland (zonder de toen doodzieke Michail Tal) op de vijfde. Alleen de VS wisten zich er tussen te wringen.

“Vroeger was het meedoen op de Olympische Spelen zelf eigenlijk niet zo ingewikkeld: als je daar eenmaal was, wist je als sporter dat er een medaille in het verschiet lag. Voor ons was het daarom moeilijker om via de kwalificatiewedstrijden een plaatsje in het nationale team te bemachtigen dan om uiteindelijk op de Spelen zelf de wedstrijd te winnen”, aldus Vladimir Vasin, thans vice-voorzitter van het nationale Olympisch Comité van Rusland, maar ooit een gevierd duiker die in de jaren zestig "kwam', zich uit die tijd Ada Kok nog herinnert, en zijn sportieve carrière in 1972 in München afsloot met goud op de lage plank.

Het lijkt allemaal zeer revolutionair. Maar dat is het niet. Planning bijvoorbeeld blijft een geliefde bezigheid. Een jaar geleden nog ging het Olympisch Comité van de Unie bij de voorbereidingen van Barcelona van deze prognose uit: 53 gouden medailles, tegen 40 voor het herenigde Duitsland en 30 voor de Verenigde Staten. Die voorspelling is nu iets bijgesteld, tot 49 gouden plakken voor het GOS, 42 voor de Bondsrepubliek en 24 voor Amerika. Het blijven er slechts zes minder dan de Sovjets in 1988 in Seoul in de wacht wisten te slepen.

In personele zin heeft de onttakeling van het socialistische rijk tot nu toe eveneens weinig effect gesorteerd. Volgens Vasin is de organisatie van de sport weliswaar “principieel veranderd”, maar zelf blijft hij, net als voorzitter Vitali Smirnov, in eigen persoon het prototype van de continuïteit. Als topsporter heeft Vasin in de jaren zestig keurig een academische opleiding gevolgd aan de Staatsuniversiteit van Moskou. Nadat hij zijn loopbaan in München zo fraai had afgesloten, kwam hij in het Centraal Comité van de jongerenbeweging Komsomol terecht en werd daar verantwoordelijk voor het sportbeleid. Snel volgde de promotie naar een vergelijkbare positie in het Centraal Comité van de grote communistische partij zelf. Waarna een baan bij Gossport, het staatscomité voor sport, het zaakje afrondde. Gossport bestaat nu niet meer - president Boris Jeltsin heeft deze vorm van overheidsbemoeienis na de staatsgreep van augustus vorig jaar per decreet afgeschaft - maar Vladimir Vasin behield keurig zijn functie bij het Olympisch Comité van Rusland.

Bevangen door sponsoring

Volgens Vasin is het aantal actieve sporters in Rusland niet afgenomen. De omstandigheden waaronder ze hun hobby moeten bedrijven worden er echter niet beter op. De grote clubs zijn sinds kort zo bevangen door de sponsoring - de voetbalclub Asmaral uit Moskou, die dankzij een rijke Russisch/Iraanse onderneming deze competitie in één klap bijna alle grote namen opzij heeft weten te zetten, heeft een trend gezet - dat er voor de gewone volkssport veel minder aandacht is. Deze ontwikkeling wordt nog versterkt door de commercialisering in de rest van de maatschappij. Sport was in de voormalige Sovjet-Unie een zaak van de staatsondernemingen. Elk bedrijf of ministerie had zijn eigen club. Het land was met verenigingen als Troed (vakbonden), Spartak (hoger personeel en gemeente-ambtenaren), SKA (leger), Lokomotiv (spoorwegen), Zenit (luchtvaartindustrie) en Dinamo (Binnenlandse Zaken en geheime dienst) één grote verzameling PSV's. Deze conglomeraten zijn nu stuk voor stuk uit elkaar aan het vallen. Daarvoor is vooralsnog niets in de plaats gekomen. Want van een gewoon burgerlijk verenigingsleven, dat de overal aanwezige voorzieningen voor zijn rekening kan nemen, is geen sprake.

De supersterren, die door hun prestaties de kleine jongens en meisjes die nog moeten beginnen moeten stimuleren, pogen bovendien naar het buitenland te vertrekken. Niet alleen mannen als Sergej Boebka, tennissers als Aleksandr Volkov en nagenoeg alle voetballers van niveau zijn thans elders actief. Ook de ijshockey-cultuur is op deze manier ontmanteld. Meer dan tweehonderd ijshockeyers, die de Sovjet-Unie vroeger de naam gaven onverslaanbaar te zijn, schaatsen in den vreemde. In de trainerswereld is het niet anders gesteld.

De faam van deze sport-emigranten in het eigen vaderland houdt nu nog slechts verband met hun marktwaarde. De transfer van voetballer Igor Sjamilov van Foggia naar Inter Milaan was afgelopen maand niet voor niets welhaast nog groter nieuws dan de Europese voetbalkampioenschappen zelf. Daarmee was tenslotte 22,5 miljoen gulden gemoeid. Voor een leuke wedstrijd in de eigen stad gaat men de deur niet meer uit. Vasin houdt de moed er dan ook in door heilig te geloven dat dit alles voorbij zal zijn als de roebel “convertibel” is en Russische topsporters niet voor meer dollars naar het buitenland hoeven. Vorstelijke premies voor wereldrecords en gouden medailles (Wit-Rusland betaalt zijn landgenoten in Barcelona 100.000 roebel voor elke eerste plaats) moeten het pad daarvoor effenen.

Maar verloren is de sport in de voormalige Sovjet-Unie ook zonder die materiële stimuli nog niet. Want wat overkomt me in Omsk, de poort naar Siberië, als kolonel Viktor Tasjboelatov voor de deur van mijn hotelkamer verschijnt? Dit! Viktor werkt bij het ministerie van binnenlandse zaken, subafdeling gevangeniswezen. Zijn smoes is dat hij me nog wat feitelijke gegevens wil verstrekken over de stand van de criminaliteit ter plaatse. Het gesprek draait echter uit op een urenlang vertoon van nostalgie. De schaatsers Lidia Skoblikova en Valeri Kaplan, Michail Tal en doelman Lev Jasjin zijn de bekende namen in zijn litanie over vroeger. Alsmede uiteraard de voltallige selecties van 1974 en 1978: Jan Jongbloed, Roed Krol, Wim Rijsbergen, de brati Van der Kerkhoff, Johan Krjoef natuurlijk, en al die anderen. Zelfs Jan Poortvliet en Dick Nanninga (“een bloemenkoopman, nietwaar?”) duiken onverhoeds uit zijn geheugen op. Maar dan ineens wordt Viktor lyrisch. Cruijff, allemaal mooi en aardig. Maar de echte man voor hem is Piet Keizer geweest. “Dat was pas een kunstenaar”, aldus Viktor. Intens tevreden over zoveel consensus gaan we uiteen.

Ze bestaan dus toch nog in de voormalige Sovjet-Unie: de echte freaks. Zij moeten de gewone sport voor het volk zien te behouden.