Barcelona houdt steeds meer van zichzelf; Spelen dienen slechts als excuus voor de Grote Verbouwing

De Olympische Spelen hebben het geld en de goede wil gegenereerd die nodig waren om Barcelona voor verkommering te behoeden. Op het gebied van stedebouw diende het Amsterdamse plan-Zuid als grote voorbeeld. Een stad maakt zich op voor de moderne tijd.

Oriol Bohigas herinnert zich als de dag van gisteren het moment waarop hij wist dat Barcelona de Olympische Spelen nodig had - en voor het geval hij het ooit vergeet heeft hij het vastgelegd in zijn memoires.

Het was in de late zomer van 1980. De socialisten hadden voor het eerst de verkiezingen voor de gemeenteraad gewonnen en de nieuwe burgemeester, Narcis Serra, had hem gevraagd om wethouder voor ruimtelijke ordening te worden.

Bohigas weifelde. Als architect en architectuurhistoricus had hij de structuur van zijn stad uitvoerig bestudeerd, als rector van de school voor bouwkunst en als essayist had hij uitgelegd hoe het anders kon, als Catalaan en sociaal-democraat had hij oppositie gevoerd tegen een regering en een stadsbestuur die alleen oog hadden gehad voor de belangen van grote investeerders. Maar juist daardoor wist hij hoe groot de problemen waren. Barcelona was vuil, verstopt, verstoken van behoorlijke verkeersvoorzieningen en met zijn snel groeiende bevolking ingeklemd tussen de bergen en de zee. In een geruchtmakend artikel dat de schrijver Felix de Azua in die tijd in het dagblad El Pais publiceerde, vergeleek hij de stad met de Titanic: in feeststemming, omdat Franco dood was en de democratie hersteld, maar evengoed gedoemd om te vergaan.

Tijdens een van de gesprekken waarin Oriol Bohigas de burgemeester uitlegde hoeveel geld het zou kosten om alle kwalen te verhelpen - geld dat er niet was - ging de telefoon. Het was Juan Antonio Samaranch, pas benoemd tot voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité, met de suggestie dat Barcelona zich kandidaat zou stellen voor de Spelen van 1992. Op slag waren de twijfels van de architect verdwenen. “Een evenement als de Spelen kun je gebruiken als hefboom, als instrument om snel grote veranderingen door te voeren”, legt hij uit. “Het genereert geld en goede wil. Het was precies wat de stad nodig had om het spookbeeld van de Titanic uit te drijven.”

Twaalf jaar later is Barcelona een andere stad. Schoon, voor zover een grote stad ooit schoon kan zijn. Bereikbaar, dankzij een nieuwe luchthaven en een nieuwe ringweg die de verkeersdrukte in de binnenstad aanzienlijk heeft verminderd. Groter, door de bouw van nieuwe wijken. En aangenamer om in te leven, want het centrum is naar zee toe opengelegd en in alle delen van de stad zijn parken en pleinen geschapen om te zitten, te wandelen of te kijken naar de monumentale beelden die er zijn neergezet.

Dat laatste is het werk waarmee Bohigas destijds als wethouder is begonnen. Toen hij aantrad, was het nog lang niet zeker dat Barcelona de Olympische Spelen inderdaad toegewezen zou krijgen en voorlopig was er dan ook geen geld voor een grootse aanpak. Bohigas lanceerde zijn politiek van “kleine interventies”. Hij liet gevels schoonmaken en aanbouwsels verwijderen, brak huizen en fabrieken af om publieke ruimtes te creëren en overreedde kunstenaars van over de hele wereld om tegen een geringe vergoeding een werk af te staan. Door de hele stad kwamen affiches te hangen met de oproep "Barcelona, maak jezelf mooi'.

De campagne werkte. Niet alleen in de ogen van de Barcelonezen, die al snel geconfronteerd werden met de zichtbare resultaten van meer dan honderd kleine projecten, maar ook volgens architectuurcritici in de rest van Europa. Zij prezen Bohigas om zijn aandacht voor het architectonische detail en hoorden met plezier hoe hij fulmineerde tegen de technocraten van de stedebouw, de grootschalige planners van wegen en wijken die functionaliteit belangrijker vonden dan kwaliteit en daardoor geen oog hadden voor de behoeften van gewone mensen in het leven van alledag.

Bohigas meende wat hij destijds zei, al is hij nu ook de eerste om toe te geven dat zijn filosofie voor een deel uit nood geboren was. Want zonder plan voor héél Barcelona gaat het niet. Achter de schermen werden onder zijn leiding dan ook al in het begin van de jaren tachtig de eerste discussies gevoerd en schetsen gemaakt voor de grote verbouwing die het olympische Barcelona zou vergen. Het basisplan lag klaar toen hij na vier jaar wethouderschap afscheid nam. In zijn eigen studio kon hij zich vervolgens wijden aan de uitwerking ervan.

Een enorme sprong voorwaarts

In 1985 kreeg de firma Bohigas, Martorell & Mackay officieel de planningsopdracht voor het olympisch dorp. In oktober 1987 hoorde de nieuwe burgemeester, Pasqual Maragall, in Lausanne dat zijn stad de Spelen inderdaad zou krijgen. Twee jaar later waren de werkzaamheden in volle gang en was Barcelona de grootste bouwput van Europa geworden. In 1992 kijkt Oriol Bohigas tevreden terug op een inspanning die bij elkaar bijna zestien miljard gulden heeft gekost en waarvoor de gemeente, de regionale regering van Catalonië, de nationale overheid maar ook het bedrijfsleven ieder fors in de buidel hebben getast.

Met veel genoegen stelt hij vast dat slechts tien procent van het totale bedrag voor sportaccomodaties is uitgegeven. Niet alleen Bohigas is daar trots op.

Gemeentefunctionarissen en politici van hoog tot laag verzekeren steeds weer dat de Spelen slechts “een excuus” zijn geweest om zo snel mogelijk noodzakelijke verbeteringen in de stedelijke infrastructuur aan te brengen. Soms vertellen ze erbij dat Barcelona een traditie op dit punt heeft: ook de wereldtentoonstellingen van 1888 en 1929 waren aanleiding om alle betrokkenen zodanig op te lieren dat de stad een enorme sprong voorwaarts kon maken, richting moderne tijd.

“Stedebouw is natuurlijk voor een groot deel politiek”, zegt Oriol Bohigas. “Maar gemeentepolitiek is ook voor een groot deel stedebouw. Er is geen ander beleidsterrein waarop je als stadsbestuur zoveel invloed hebt en dat voor de burgers zo belangrijk is. Barcelona heeft het grote geluk gehad dat twee opeenvolgende burgemeesters hebben ingezien dat ze dus een duidelijke opvatting moesten hebben over de inrichting van de stad en die ook zo snel mogelijk in de praktijk moesten brengen.

“Er heerste aan het eind van de jaren zeventig een vreemd klimaat in Barcelona. Mijn generatie architecten had door de dictatuur en door de recessie nog maar weinig kunnen bouwen. Maar we hadden wel eindeloos de tijd gehad om te lezen, te schrijven, te praten en te denken. Op zichzelf was dat geen slechte uitgangspositie. We wisten wat we wilden gaan doen. Achteraf kun je zeggen dat maar zelden een groep architecten zoveel invloed heeft gehad als ons het afgelopen decennium hier in Barcelona gegeven is.”

Ook zonder de Spelen waren veel van de projecten die nu in sneltreinvaart zijn gerealiseerd er op den duur wel gekomen. Maar de nabije datum waarop het olympisch vuur zou moeten worden ontstoken, dwong tot doorwerken waar anders makkelijk patstellingen hadden kunnen ontstaan. De voortdurende ruzies tussen de regionale regering onder leiding van de rechts-nationalistische president Jordi Pujol en de socialistische gemeentebestuurders van Barcelona liepen de laatste jaren minder vaak uit de hand, omdat Pujol en Maragall beiden gijzelaars waren van de Spelen. In een aantal gevallen kwam de (socialistische) regering in Madrid bovendien met extra geld over de brug om geschillen te beslechten, want daar acht men het een nationaal belang dat Barcelona straks een goed figuur slaat voor het oog van de wereld.

Kenners van de Catalaanse verhoudingen durven zelfs te zeggen dat de Spelen geholpen hebben bij de soepele overgang van dictatuur naar democratie in dit deel van Spanje. De rijke bourgeoisie die onder Franco de toon aangaf en de destijds illegale socialisten en communisten hebben zich om praktische redenen neergelegd bij een rolverdeling waarin de laatsten nu het openbare leven domineren, terwijl de ondernemersklasse zonder morren kapitaal ter beschikking stelt (en winst mag maken) zonder met het verleden te worden lastiggevallen.

Natuurlijk gaapt er een enorme kloof tussen mensen als Samaranch, bankier en staatssecretaris voor sportzaken onder Franco, en voormalige studentenactivisten en stakingsleiders zoals Maragall of oud-communisten als de huidige minister van cultuur Jordi Solé Tura en de directeur van het organiserend comité van de Spelen, Miguel Abad. Maar in het openbaar zullen ze dat niet laten merken. Dan is het een en al hartelijkheid. Alleen Bohigas heeft zich per ongeluk nog weleens laten ontvallen dat de leden van het IOC natuurlijk allemaal fascisten zijn, die zo weer de Spelen zouden toewijzen aan Berlijn. Hij meende het ongetwijfeld ernstig, maar vindt het nu niet opportuun om die uitspraak te herhalen.

De historie gecorrigeerd

Iets van een neiging om de historie te corrigeren heeft overigens wel meegespeeld bij de aanwijzing van de Montjuich, de berg nabij het oude centrum van Barcelona, als centrale plek van de Spelen. Het was natuurlijk makkelijker en goedkoper geweest om de grote hal die voor de zaalsporten zal worden gebruikt en een aantal andere faciliteiten op een onbebouwd en liefst vlak terrein buiten de stad neer te zetten. Maar in de eerste plaats strookte dat niet met de gedachte dat de stad baat bij de Spelen zou moeten hebben; nu wordt de heuvel omgetoverd tot een luxueus recreatiegebied. En in de tweede plaats stond op de top van de Montjuich nog altijd het oude stadion, dat in 1929 was gebouwd ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling maar dat altijd bedoeld was geweest om de kandidatuur van Barcelona voor de Spelen van 1936 te ondersteunen. Tientallen jaren was het ding nauwelijks benut en regelmatig was over afbraak gesproken. Bouwkundig gezien was daar ook veel voor te zeggen, want het gevaarte was niet gemaakt om zo lang dienst te doen. Om sentimentele redenen heeft men nu echter de gevel laten staan en daarbinnen een heel nieuw stadion geconstrueerd.

Voor de rest van de Montjuich werd een internationale wedstrijd onder architecten uitgeschreven. De resultaten daarvan laten zien dat Bohigas en de zijnen weliswaar grote invloed hebben gehad op de organisatie van de Grote Verbouwing, maar daarbij op esthetisch gebied veel hebben moeten slikken. Op het immense maar sierlijke sportpaleis Sant Jordi van de Japanse architect Isozaki heeft eigenlijk niemand iets aan te merken. Maar de uiterst dominante zendmast annex zonnewijzer die de Spanjaard Santiago Calatrava daarnaast heeft mogen neerzetten wordt door Bohigas ronduit afschuwelijk bevonden. En op het gebouw voor de vechtsporten van Ricardo Bofill, dat eruitziet als een Griekse tempel uit de blokkendoos en even lager op de heuvel ligt, wil hij zelfs geen commentaar geven. Het is vooral te danken aan het parklandschap met zijn waterpartijen, trappen, paden, pergola's en zitjes dat door vier plaatselijke ontwerpers tussen de verschillende gebouwen is aangelegd, dat de heuvel uiteindelijk toch nog een aangenaam geheel is geworden.

Bofill en Bohigas zijn de twee spraakmakendste Catalaanse architecten van hun generatie, maar zij houden er volstrekt tegengestelde opvattingen op na. Waar de één graag imponeert met statements en citaten, houdt de ander vast aan functionaliteit en de menselijke maat. Burgemeester Maragall heeft niet tussen hen willen kiezen, maar er naar gestreefd gewoon zoveel mogelijk grote namen uit binnen- en buitenland aan zijn plannen voor 1992 te verbinden. Bohigas vindt dat te billijken en heeft zelfs een paar goede woorden over voor het nieuwe hoofdgebouw van de luchthaven dat zijn rivaal ontworpen heeft. De enorme doos van glas en marmer vertoont weliswaar nogal wat technische gebreken, maar vertegenwoordigt ook “een nieuwe opvatting in het denken over vliegvelden”.

Dat Bohigas inderdaad zijn eigen smaak niet heeft willen voorschrijven, blijkt uit de manier waarop het grootste van alle olympische bouwprojecten is aangepakt. De 130 hectare waarop het olympisch dorp is neergezet was een verwaarloosd terrein waarop oude fabrieken stonden en waarover een spoorlijn liep. Alle grond werd onteigend en alle bouwwerken zijn gesloopt terwijl treinen en snelverkeer onder de grond verdwenen, zodat een blanco uitgangssituatie ontstond. Daarop werd een stratenplan geprojecteerd dat een nauwkeurige voortzetting is van het raster dat in de jaren zestig van de vorige eeuw door Ildefonso Cerdá voor de eerste grote uitbreiding van Barcelona, de Eixample, is uitgezet. De huizenblokken meten daarin precies 113 bij 113 meter, hun hoogte is voorgeschreven en ze beschikken over een binnenterrein dat als gezamenlijke tuin voor de bewoners dient.

Het enige forse accent in de nieuwe wijk wordt gevormd door twee zeer hoge en slanke flats pal aan zee, een hotel en een kantorencomplex, die een soort poort moeten vormen. Binnen dit strakke patroon en onder voorwaarde dat ze in de gevels vooral baksteen zouden verwerken, mochten achttien verschillende architectenbureau's hun gang gaan bij de bouw van de tweeënhalfduizend benodigde woningen. Die achttien waren de achtereenvolgende winnaars van de architectuurprijs van Catalonië.

Bohigas: “Die nogal willekeurige manier van selecteren was niet mijn idee, maar ik sta er geheel achter. Mijn uitgangspunt was steeds, dat het olympisch dorp na afloop van de Spelen onmiddellijk als een normale wijk in de stad moest worden opgenomen. Het moest geen eiland zijn. Om eenheid te scheppen is het stratenpatroon voortgezet. Maar er is niet voor één bouwstijl gekozen. Die vind je immers ook niet in een stad die op natuurlijke wijze is gegroeid. In het olympisch dorp is goede, middelmatige en naar mijn smaak zelfs slechte architectuur te vinden. Ik denk dat we zo de nadelen van een in vitro-wijk hebben weten te elimineren.”

Twijfels van onze tijd

Bohigas zegt, dat zijn grote voorbeeld op het gebied van de stedebouw het Amsterdamse plan-Zuid is. Ook Berlage stelde met steun van het stadsbestuur strenge normen op en liet vervolgens anderen bouwen. Maar hebben de wijken die in het Amsterdam van de jaren twintig verrezen niet wel degelijk een eigen gezicht, een herkenbare stijl? En was de Wereldtentoonstelling van 1888 niet een fantastisch podium voor het Catalaanse modernisme, de stijl van Gaud en Montanér? De bouwmeester van het nieuwe Barcelona kan dat niet ontkennen, maar verdedigt zich door te zeggen dat er aan het eind van de twintigste eeuw nu eenmaal geen dominante architectuurstijl meer te vinden is. Zijn wijk-aan-zee toont “de twijfels van onze tijd”.

Wie zo kort voor het begin van de Spelen door de spookachtig stille straten wandelt, ziet een vooral zakelijke en bruikbare wijk, waar langs een lange promenade een jachthaven en een strand zijn geschapen. Her en der staan verhuiswagens die het meubilair voor de tijdelijke bewoners, de sporters, naar binnen dragen. Het verkoopkantoor bij de toegang tot Nova Icaria meldt dat ongeveer een derde van de huizen en appartementen tot nu toe is verkocht. De locatie is weliswaar schitterend, bij het centrum en aan zee, maar de prijzen zijn niet bepaald voor de smalle beurs. Ruim vierhonderdvijftigduizend gulden voor een flat van krap 140 m2 zonder balkon, een ton méér voor tien vierkante meter minder maar dan wel met uitzicht op zee.

Als er al kritiek op de Spelen in Barcelona is, dan komt die er op neer dat ze uiteindelijk vooral de rijkere stedelingen ten goede komen. De stad wordt mooier, maar ook duurder. Is dat niet wat vreemd voor een onderneming die wordt geleid door een socialistisch gemeentebestuur en waarin het bedrijfsleven voortdurend een slechts ondergeschikte rol heeft mogen spelen? Vreemd misschien, en ook vervelend, geven Bohigas, Maragall en de andere organisatoren van het bouwfeest toe. Maar ook onvermijdelijk. Tien jaar geleden was Barcelona misschien goedkoop, maar ook arm en met de nu gewonnen infrastructuur wint het leven in de komende jaren beslist aan kwaliteit.

Onder het motto “de tijd van het bouwen is voorbij, we moeten nu van het leven gaan genieten” heeft de 67-jarige Bohigas zich dan ook vorig jaar opnieuw tot wethouder laten benoemen, maar nu van cultuur. Van salaris heeft hij afgezien, want hij wil daarnaast ook in zijn architectenbureau kunnen blijven werken.

Als wethouder moet hij de verbouwing van een aantal musea begeleiden, maar vooral inhoud geven aan de belofte dat het leven voor Barcelona na de Olympische Spelen pas goed begint. Het stadsbestuur zal de komende tijd nog flink wat rekeningen moeten betalen, maar hoopt daarnaast vooral te investeren in cultuur en heeft zich voorgenomen dat die voor alle burgers betaalbaar en toegankelijk moet zijn.

De stad is af en Oriol Bohigas vindt dat hij het alles bij elkaar heel goed heeft gedaan. Op de vraag of hij zich kan voorstellen dat er steden zijn, zoals Amsterdam, die alle rompslomp en overlast die komen kijken bij het organiseren van zo'n wereldsportevenement eigenlijk liever helemaal niet willen, barst hij in schaterlachen uit. Nee, in die mentaliteit kan hij zich niet verplaatsen. Een stad die de Spelen niet wil, die houdt niet van zichzelf.