"Angola of Alabama, arme mensen overal altijd gelijk'; Catherine Bertini nieuwe directeur World Food Program

ROME, 18 JULI. Catherine Bertini is in dubbel opzicht een uitzondering binnen de top van de Verenigde Naties: ze is een vrouw en ze is een Amerikaanse. Toch leidt ze sinds een paar maanden de belangrijkste instelling voor multilaterale voedselhulp: het World Food Program.

“Dat ik een vrouw ben, heeft me geholpen bij mijn benoeming”, erkent de 42-jarige Bertini openlijk. De voormalige staatssecretaris van landbouw onder Bush werd in april de derde vrouw onder de leiders van de 32 VN-organisaties. De overgang is niet eens zo groot, vertelt Bertini. Zij was in Washington verantwoordelijk voor dertien programma's voor voedselhulp aan de Amerikaanse bevolking. Nu leidt ze vanuit het rommelige en te kleine hoofdkwartier van het World Food Program, aan een drukke verkeersweg in Rome, een VN-organisatie van 1.600 man die de slachtoffers van hongersnood waar ook ter wereld probeert te helpen. “In zekere zin ben ik hetzelfde werk blijven doen”, zegt Bertini. “De klanten zijn dezelfde, of het nu in Angola is of Alabama. De problemen van arme vrouwen die niet genoeg te eten hebben, zijn overal hetzelfde.”

Bertini vindt het niet vreemd dat een Amerikaanse, na alle kritiek vanuit Washington op de Verenigde Naties, een VN-organisatie leidt. De kritiek is verminderd waar de situatie is verbeterd, zegt ze. Bovendien is het World Food Program, met zijn relatief kleine staf en zijn projecten met meestal direct zichtbare resultaten, in Washington veel minder omstreden dan sommige andere VN-organisaties.

De overgang van een nationale regering naar een internationale organisatie bevalt haar goed. “Het is een grote uitdaging om het voedsel snel op de goede plaats te krijgen”, zegt ze enthousiast. “En een voordeel hier is dat de opbouwende sfeer: iedereen werkt voor hetzelfde doel.” Maar sommige van de 400 WFP-medewerkers op het hoofdkantoor moeten wennen. “Ze heeft een goede start gemaakt omdat veel mensen blij waren dat haar voorganger weg ging”, zegt een staflid dat anoniem wil blijven. “Maar je ziet nu al dat mensen moeite beginnen te krijgen met haar Amerikaans-directe benadering, zeker als dat van een vrouw komt.”

Bertini is een symbool voor de nieuwe zakelijkheid in ontwikkelingshulp. “Ik wil vooral deze organisatie goed runnen”, zegt ze, om daarna helder en schematisch haar prioriteitenlijstje te schetsen. Bovenaan staan veranderingen in de opbouw van de organisatie en in het personeelsbeleid, vanzelfsprekend naast het lobbyen voor meer financiële hulp. Ze wil zich ook niet mengen in algemene discussie over ontwikkeling, bijvoorbeeld het vraagstuk van geboortecontrole. “Dat moeten anderen maar uitmaken”, zegt Bertini. “Mijn taak is om het voedselgedeelte van ontwikkelingshulp te doen.”

Haar eerste maanden in Rome hebben in het teken gestaan van de hongersnood in Zuidelijk Afrika en in de Hoorn van Afrika. “Eind vorig jaar heeft het nauwelijks geregend en daardoor is de situatie erg kritiek”, zegt Bertini. In Zuidelijk Afrika hebben 18 miljoen mensen niet genoeg te eten en in de Hoorn van Afrika lijden miljoenen mensen honger.

Vorige week heeft minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking opnieuw noodhulp beschikbaar gesteld voor Afrika, in totaal 70 miljoen gulden. De helft hiervan wordt gegeven via het World Food Program. Als bewijs van vertrouwen mag de organisatie zelf bepalen waaraan het geld wordt besteed, een aanbod dat in Rome dankbaar is ontvangen. Vaak is er onvoldoende geld om de transportkosten te dekken, omdat landen het probleem van de logistiek niet voldoende onderkennen: ze bieden wel voedsel aan, maar laten het transport voor rekening van het World Food Program komen. Bertini schat dat bovenop de waarde van het voedsel nog eens vijftig procent komt om het op de plaats van bestemming te krijgen.

De vorm waarin landen hulp bieden, kan sterk verschillen. Het World Food Program is in 1963 opgericht om een goede bestemming te vinden voor landbouwoverschotten. De VS, Canada en de Europese Commissie, de drie belangrijkste donors (Nederland komt op de vierde plaats), geven nog steeds meer dan de helft van hun hulp in natura. “Natuurlijk is alle hulp welkom, maar als we kunnen kiezen, hebben we het liefst geld”, zegt Bertini. Dan kan het benodigde voedsel ook in Derde-wereldlanden worden gekocht, zodat de boeren daar er van mee profiteren. Een voorbeeld: Zweden heeft geld beschikbaar gesteld voor voedselhulp aan Somalië en het graan daarvoor wordt in Argentinië gekocht.

Wegens een aantal urgente hongersnoden en doordat het World Food Program ook de voedselhulp aan vluchtelingen op zich heeft genomen, ligt de nadruk nu op noodhulp. Dat is een verandering ten opzichte van een paar jaar geleden, toen ontwikkelingsprojecten waarin voedsel centraal staat de meeste aandacht kregen. Die projecten gaan nog steeds door, met een iets kleiner budget: boeren worden geholpen bij de overstap naar gewassen waarmee zij meer kunnen verdienen, landbouwprodukten worden als betaalmiddel gebruikt bij andere projecten, bijvoorbeeld in de bosbouw of de verbetering van de infrastructuur.

Die verschuiving is logisch, zegt Bertini. “Je probeert altijd de grootste problemen het eerst op te lossen. Maar uiteindelijk moet je die hongersnoden voorkomen. Ons hoofddoel is: mensen met voedsel te helpen en hen te leren voor zichzelf te zorgen.”

Vorig jaar heeft het World Food Program vier miljoen ton voedsel verscheept. Als het aan Bertini ligt, is dat dit jaar meer. Natuurlijk moet het World Food Program in de gaten houden waar de nood het hoogst is. Cambodja bijvoorbeeld is een groot probleem, ook al wegens het grote aantal mijnen - volgens Bertini is Cambodja hierdoor het land met het hoogste percentage invaliden geworden.

Maar zij ziet het als een belangrijk deel van haar taak om goed de situatie te onderzoeken in de landen die de hulp moeten geven. Daarom heeft ze in de eerste elf weken in haar nieuwe baan al tien rijke landen bezocht, waaronder Nederland. “Om zoveel mogelijk hulp te geven is het heel belangrijk te weten hoe de prioriteiten in de verschillende rijke landen liggen.” Dan kan, als de nood zich voordoet, vanuit Rome precies het goede register worden bespeeld.