Zwart geld (3)

Wanneer de avond is gevallen, bellen er twee mannen aan bij meneer Geld. De oudste van de twee loopt in een smetteloos donkerblauw pak en draagt een hagelwit overhemd.

Zijn das ziet er erg duur uit. “Mijn naam is Zoethout”, stelt de man in het blauwe pak zichzelf voor. “Dit is mijn jongere collega, de heer Dropjes. Wij handelen beiden in oude munten.” Zijn compagnon is nonchalant gekleed, in een T-shirt en een leren jasje. “Aangenaam”, zegt Dropjes, “wij hoorden dat u in een vooroorlogs meubel een stapel oude bankbiljetten hebt gevonden. Als u wilt, kunnen wij taxeren hoeveel die nog waard zijn.”

Meneer Geld knikt. “Kom binnen'", zegt hij tegen de twee. Nadat zijn vrouw koffie heeft ingeschonken, haalt de slimme marktkoopman een verkreukeld biljet van tien gulden uit de oorlog te voorschijn. Dropjes kijkt teleurgesteld. “Zo'n "staalmeester' is op het ogenblik hooguit een rijksdaalder waard. Alleen als het biljet nooit is gevouwen en er verder uitstekend uitziet, willen verzamelaars er misschien een tientje voor neertellen.” Meneer Geld haalt zijn schouders op en laat de heren Zoethout en Dropjes vervolgens een oud biljet van vijfentwintig gulden zien. “Dan zal dit "prinsesje' ook wel niet al te veel waard zijn”, oppert hij.

“Wij noemen het meestal een "moreeltje' ”, zegt de man in het blauwe pak. “Er worden prijzen voor betaald van tien tot dertig gulden, afhankelijk van de staat waarin het biljet verkeert. Rekent u gemiddeld maar op vijftien gulden per stuk.” “En deze duizendjes?” vraagt meneer Geld. Zoethout en Dropjes schieten in de lach. “Meneer, die zijn bijna niks waard. Er zijn nog pakken van die biljetten te koop. Dit type uit 1919/1926 staat in de handel bekend als het "zwart-geldduizendje'. In de oorlog hebben sommige mensen zich verrijkt door zwart te handelen in voedsel. Zij maakten woekerwinsten en bewaarden hun geld thuis. In 1945 heeft de regering meteen een nieuw model van het bankbiljet van duizend gulden in omloop gebracht en werden de oude biljetten ingetrokken. Iedereen mocht de verlopen biljetten omruilen, mits hij kon aantonen dat hij eerlijk aan zijn rijkdom was gekomen. Veel zwarthandelaren konden daarom niet van hun duizendjes af. Die waren in een klap niet meer waard dan het papier waarop ze zijn gedrukt.”

Meneer Geld knikt en maakt snel een rekensom. Bij elkaar zijn de gevonden bankbiljetten toch altijd zeker nog vijftienhonderd gulden waard. “Wat biedt u voor de hele stapel?” vraagt hij aan Zoethout en Dropjes. Die kijken bedenkelijk. “De markt is moeilijk op dit moment”, zegt de een. “Als al deze biljetten tegelijk worden aangeboden, gaat de prijs zakken”, vult de ander aan. Ze willen niet hoger gaan dan duizend gulden. De marktkoopman aarzelt niet lang. “Ik wil er ten minste anderhalf keer zoveel voor hebben, anders houd ik ze liever zelf”, zegt hij vastberaden. De munthandelaren staan op. “Denk nog eens na over ons bod”, zeggen zij, en meneer Zoethout legt een kaartje met zijn telefoonnummer op tafel. Meneer Geld laat hen uit.

“Kijk niet zo ongerust, ik heb een winstgevend plan”, zegt hij tegen zijn vrouw.