Vrijdag 17; Tensegrity

Ze staan een beetje zielig bij het raam van de nieuwe vleugel van het Stedelijk Museum in Amsterdam, de twee replica's van de constructies die de Letse kunstenaar Karl Joganson in 1921 maakte. Ze zijn op het eerste gezicht ook niet zo spectaculair: meer dan drie metalen staven, met elkaar verbonden door ijzerdraad, zijn het niet. Maar wie goed kijkt, ziet dat de staven elkaar niet raken en dat maakt ze bijzonder.

Tot de vervaardiging een jaar geleden van de replica's, die nu deel uitmaken van de tentoonstelling De Grote Utopie, waren Jogansons constructies alleen bekend van obscure foto's: niet lang nadat hij ze had gemaakt, zijn ze van de aardbodem verdwenen. Ook over Joganson (1890-1929) zelf weten we weinig. Begin jaren twintig behoorde hij tot OBMOCHOe, de groep jonge Moskouse constructivisten die druk in de weer was met het maken van sculpturen uit latten. Maar hoe het hem daarna verging, is onbekend.

Over de Amerikaanse uitvinder Richar Buckminster Fuller (1895-1983) weten we veel meer. Bij voorbeeld dat hij in 1949 aan het Black Mountain College werkte en daar zijn zogenaamde "tensegrity'-constructies ontwikkelde, waarbij de samenstellende delen elkaar niet raken, maar elkaar in evenwicht houden door gespannen koorden. Later slaagde Fuller erin om met behulp van deze methode een bol te bouwen. Grote voordeel van "tensegrity' was dat deze methode zeer lichte maar stevige constructies mogelijk maakte. Volgens Fuller was het zelfs geen probleen om een cirkel met een straal van 1,5 kilometer te overkoepelen. In 1960 ontwierp hij een koepel die Manhattan van de 22ste tot de 62ste straat zou overspannen en die van veraf nauwelijks zichtbaar zou zijn, zo ijl en licht was de constructie. Zover is het niet gekomen, maar er zijn sindsdien wel duizenden minder ambitieuze "tensegrity'-torens en -koepels verrezen.

Over de uitvinding van "tensegrity' kreeg Buckminster Fuller ruzie met Kenneth Snelson, die beweerde dat Fuller het idee van een van zijn sculpturen had gepikt toen hij een zomercursus van de uitvinder volgde. Daar had Snelson, van wie overigens een "tensegrity'-toren in de beeldentuin van Museum Kröller-Müller staat, gelijk in. Maar de kwestie is nu futiel geworden, want nu blijkt op De Grote Utopie dat ook niet Snelson, maar Karl Joganson de allereerste uitvinder is van de "tensegrity'-constructie.

Buckminster Fuller zei altijd dat het een jaar of dertig duurde voor zijn uitvindingen werden erkend en toegepast. Het is een uitspraak die grappig genoeg juist niet geldt voor zijn "tensegrity', maar wel voor Jogansons constructies. Het cliché "hij was zijn tijd vooruit' is helemaal van toepassing op Joganson. Alleen hierom al verdienen zijn constructies een betere plek op De Grote Utopie.