Op reis met de Halve Maen

Kapitein William Kirk staat dagen op het achterschip en schreeuwt zijn bevelen over het dek of naar de stuurman van de Halve Maen.

Captain Kirk wordt liever Captain Bill genoemd omdat hij anders telkens de grap moet horen dat hij net zo heet als de gelijknamige captain van de televisieserie Starship Enterprise. Kirk, 67 jaar oud, is een paar jaar geleden na een hartaanval met vervroegd pensioen gegaan en heeft zich sinsdien gestort op zijn grote hobby, het varen. Hij is voor een reis van twee weken kapitein op de Halve Maen, die over de Hudson vaart van New York naar Albany, ruim 200 kilometer noordelijker, en weer terug. Alleen tijdens het aan- en afmeren neemt de kapitein af en toe een pilletje.

De Halve Maen van nu is een exacte replica van het schip waarop Henry Hudson in 1609 voor de Verenigde Oostindische Compagnie naar het huidige New York voer. Hudson, die op zoek was naar een noordoostelijke route naar Indië, week van zijn voorgeschreven vaarplan af en besloot naar het westen te gaan. Langs de Amerikaanse kust afzakkend kwam hij bij de vruchtbare baai en eilanden die nu New York vormen en daar kreeg hij alsnog de hoop dat de brede rivier in noordelijke richting naar Indië zou leiden. De rivier heet nu de Hudson en hij leidt beslist niet naar Indië.

De ontdekking van Hudson was wel het begin van een bloeiende kolonie in New York en langs de rivier. De sporen daarvan zijn kenbaar in plaats- en achternamen. Peekskill, Catskill, Saugerties (zagertjes) en Kinderhook zijn de overblijfsels. Andere namen zijn veranderd na de overname door de Engelsen in 1664. Wiltwyck werd Kingston en Beverwyck werd Albany. Mensen in de stadjes langs de Hudson heten DeVeer, Ten Brouck, Gaasbeek en Venema. Niemand spreekt nog een woord Nederlands maar velen zijn zich bewust van de Nederlandse wortels van de streek.

Voor de passagiers en bemanningsleden van de Halve Maen anno 1992 geldt dat ook. Een paar bemanningsleden zijn in dienst van het New Netherlands Museum en behalve onderzoek doen en rondleidingen verzorgen moeten ze tijdens de reis ook het want in en het schip aan- en afmeren. Onder de vrijwillige bemanningsleden is de Nederlander Jan Hulscher, die in 1989 in Albany het schip heeft helpen bouwen. Hulscher is net klaar met zijn studie geneeskunde aan de VU en besteedt zijn vakantie aan deze reis.

De tocht gaat bij gebrek aan ervaren zeelui op de motor. Af en toe wordt er een zeil bijgezet. De Hudson is een prachtige rivier, breed en met voor het grootste deel ongerepte oevers. Bomen aan weerszijden en daarachter de bergen. Bill Weid, die een paar dagen meevaart wijst tussen Kingston en Catskill op een bergrug, die Indian's Head wordt genoemd vanwege de gelijkenis met het profiel van een Indiaan. Zo moet de oorspronkelijke bemanning in 1609 het ook gezien hebben.

Een andere vrijwilliger is Stewart Lehman (34), die curator is van de Senate House in Kingston, waar de jonge VS zijn eerste senaatsvergaderingen had. “Ik houd van geschiedenis en van zeilen”, vertelt Lehman over zijn motivatie om mee te varen. Lehman heeft zich goed voorbereid op de tocht. Hij heeft kaarten bij zich, het dagboek van de eerste officier van Hudson, Robert Juet, en kopieën uit de feestbundel die gemaakt is ter gelegenheid van de eerste replica van de Halve Maen.

De eerste replica van de Halve Maen werd in 1909 in Nederland gebouwd om de driehonderdste verjaardag van Hudsons reis te vieren. Op de vrachtvaarder "Soestdijk' werd het schip overgevaren naar New York waar het samen met een replica van Robert Fultons stoomboot uit 1807 de verjaardag vierde. De schepen kwamen zelfs nog tot een klinkende toast toen de Halve Maen de stoomboot midscheeps ramde, overigens zonder elkaar schade toe te brengen.

De botsing in 1909 was nog maar een lichte slag voor de eerste replica. De Halve Maen van die tijd werd geschonken aan de Palissades Park Commission in New York, die plechtig beloofde het schip te beheren, in goede staat te bewaren en open te stellen voor publiek. Een volgende directie van het Park verkocht de Halve Maen aan een restauranthouder in Waterford, in het noorden van de staat New York. Het schip rotte weg op een eilandje bij de Cohoes Falls en bleef onbeheerd achter. De jongeren in de buurt gebruikten het als ontmoetingspunt, tot iemand op een dag de brand erin stak.

Ook de huidige Halve Maen werd door ongeluk achtervolgd. Het schip ging in juni 1989 van stapel in Albany en zou daar verder worden afgebouwd. Meester-timmerman Nicholas Benton, die het plaatsen van de masten en de tuigage zou begeleiden kwam bij een val uit de mast op een ander schip om het leven. Hij liet geen tekeningen of plannen achter zodat het project vertraging opliep. Bovendien brak er een strijd uit over wie nu de laatste hand aan het schip kon en mocht leggen. Het schip kwam gereed, zij het veel later dan initiatiefnemer en financier Andrew Hendricks had voorzien.

Na voltooiing in 1990 werd de Halve Maen naar North Carolina versleept, waar het schip voor publiek werd opengesteld. Hendricks, die anderhalf miljoen dollar in de bouw stak, moest nog wachten op publiek vertoon van een varende Halve Maen tot 3 juli van dit jaar.

“Ik wist niets van schepen en ook niet van de Nederlandse invloed in deze streek”, vertelt Nicholas Burlakoff, directeur van de Half Moon Visitor Center/New Netherlands Museum. Vorig jaar april kreeg hij zijn huidige baan. Sindsdien is het project weer vlotgelopen. In het kader van Op-Sail '92, de grote Columbusviering in New York, mocht ook de Halve Maen meedoen. Op 3 en 4 juli voer het schip trots met volle zeilen door de haven. Captain Bill vond het een “geheel nieuwe ervaring, een avontuur”. Om met de Halve Maen te zeilen zijn vijftien ervaren bemanningsleden nodig en dat kost veel geld of vereist een groot aantal vrijwilligers. Maar het was eindelijk voor het eerst mogelijk en Captain Bill ziet geen reden om niet met een goede bemanning de oceaan over te varen. “Ik hoop dat ik nog vaak kapitein van dit schip zal zijn,” zegt hij.

Burlakoff heeft genoeg plannen met het schip. De reis heen en terug naar Albany verloopt goed en de belangstelling van de plaatselijke bevolking is overweldigend. Per haven komen er gemiddeld vierduizend bezoekers en in totaal worden er acht havens aan de Hudson aangedaan. Volgend jaar wil Burlakoff met het schip naar Baltimore en voor 1994 is hij bezig een tocht te plannen langs alle plaatsen die zijn genoemd in Henry Hudsons logboek en Robert Juets dagboek. Of de Halve Maen ooit Nederland zal bezoeken is een vraag die Burlakoff niet kan beantwoorden. Hij zou het wel willen, zegt hij. “Maar de belangstelling van Nederlandse bedrijven valt mij tegen. Amerikaanse bedrijven zijn hard maar ze hebben een gevestigde traditie op het gebied van sponsoring. Van Nederlandse kant merk ik daar niet veel van.” (Overigens sponsort de Rabobank de tocht naar Albany.)

Als het schip Albany nadert, wijst iemand op het Henry Hudson Park langs de oevers. De plaatselijke bewoners hebben bepaald dat dat het noordelijkste punt is wat Hudson in september 1609 heeft bereikt. De geleerden zijn het er niet over eens omdat de reisverslagen van Hudson en Juet te vaag zijn. De Halve Maen van nu moet ver buiten de stad aanmeren en dat is tekenend voor Albany. De hoofdstad van de staat New York en zetel van het belangrijke New Netherland Project, laat zich te weinig gelegen liggen aan de enorme Nederlandse invloed in de staat.