Op een keer (19)

De tor liep door de steppe. Het was midden op de dag en de lucht was blauw. Als hij op zijn tenen ging staan zag hij overal om zich heen niets anders dan de steppe. De verte was zo ver weg dat hij hem niet kon zien.

Zou dit nu groot en onafzienbaar zijn? dacht hij. Maar er was niemand aan wie hij dat kon vragen.

Het was warm en de tor kreeg dorst. Wat zou het voor dorst zijn? vroeg hij zich af. Wat voor soorten dorst heb je eigenlijk? Hij wist dat niet. Maar toen hij zijn tong niet meer kon bewegen omdat hij aan zijn gehemelte plakte, dacht hij: dit is vast grote dorst. Hij keek naar de grond en dacht: misschien is dit wel onafzienbare dorst!

Hij zuchtte en sjokte moeizaam verder.

De zon stond recht boven hem. Hij moest op zijn rug gaan liggen om hem te zien. Maar dat kon hij niet meer, en hij ging zitten.

Mijn moeheid, dacht hij, is ook groot en onafzienbaar.

Hij probeerde alleen nog aan kleine dingen te denken, die hij goed voor zich kon zien. Want anders, dacht hij, worden mijn gedachten ook nog groot en onafzienbaar. En dat leek hem verschrikkelijk.

Eerst dacht hij aan een huis onder een struik, dat zó klein was dat niemand door de deur naar binnen kon. Hij zat in dat huis op een stoel voor het raam. Hij was zelf ook klein. Toen dacht hij aan een klein briefje dat onder de deur door werd geschoven en waarin alleen maar stond "Hallo tor', verder niets, ook geen afzender, een klein, blauw briefje. En daarna dacht hij aan een kleine taart die voor hem op tafel stond en aan een glas met één druppel koud water. De helft daarvan, dacht de tor, wat zou dat heerlijk zijn.

Midden in de steppe zat hij in het dorre gras en dacht aan de kleinste dingen die hij kon bedenken.

De zon ging onder en een rode gloed gleed over de enorme, lege vlakte om hem heen.