Op bezoek bij illustere mannen; Essays van Antoine Bodar

Antoine Bodar: Gezellin van de stilte. Uitg. Balans, 220 blz. Prijs ƒ 45,-

Gelukkig bestaan ze nog: de erudieten, de geletterden, de filologen, de studiosi, de bibliofielen, de humanisten. Een van hen is Antoine Bodar, die in zijn bundel Gezellin van de stilte laat zien naar welke wetenschapsbeoefening zijn sympathie uitgaat. Volgens Bodar komen wijsgeer, dichter en geleerde slechts in de afzondering van het studeervertrek of de eenzaamheid van de natuur tot bespiegeling. En de bespiegeling ("de gezellin van de stilte') is voor hem, samen met de inspiratie van het lezen, de voedingsbodem voor het schrijven. Op deze manier ontstaan boeken die, wanneer ze de tijd overleven, op hun beurt het schrijven van anderen weer op gang kunnen brengen.

In zijn uitgangspunten vereenzelvigt Bodar zich bijna met de door hem bewonderde Petrarca, wiens levensideaal hij als volgt parafraseert: “Door een vita solitaria leert de eenzame te wensen wat blijft, niet wat vervluchtigt. Hij trekt door de tijd, gaat in en uit bij illustere mannen en praat met hen. Hij geeft zich over aan lezen en schrijven. Nu eens leest hij wat vorigen schreven, dan weer schrijft hij wat lateren lezen. Met het nageslacht vereffent hij de schuld van het voorgeslacht.”

Ook al zijn vijf van de zeven opstellen waaruit Bodars bundel bestaat kunsthistorische studies, de plaats die het woord erin inneemt is opvallend. Bodar benadert de door hem bestudeerde afbeeldingen meer als lezer dan als kijker: wat hij ziet, ziet hij meestal niet rechtstreeks, maar door bemiddeling van een tekst. De homo artisticus loopt in het spoor van de homo litteratus.

Uit Bodars met zorg gecomponeerde essays wordt weer eens duidelijk hoe belangrijk, nee noodzakelijk, het voor een kunsthistoricus is om teksten in het latijn te kunnen lezen. Voor wie de taal der Romeinen niet kent, is een groot deel van de Westeuropese cultuur, om maar eens een latijns woord te gebruiken, terra incognita. Staande aan de oever van een rivier, weet hij dat er aan de overkant iets bijzonders aan de hand is, maar hij heeft helaas geen bootje om er naar toe te varen. Alleen dit al rechtvaardigt, tussen haakjes, het bestaan van het gymnasium.

Bodars opstellen zijn in een precieze en soms ook precieuze stijl geschreven. Thematisch laten ze een eenheid zien in verscheidenheid. Vijf ervan zijn kunsthistorische studies: over Petrarca en zijn Vergilius-codex, de Vitruvius-receptie in Nederland, het Evangeliarium van Otto III, de portretten van Erasmus en de titelpagina van de Spieghel der Deucht. De twee andere opstellen zijn meer beschouwend van aard. Zij gaan over de stilte van de studie en de rol van het boek en over Erasmus' Querela Pacis.

In de twee grote studies over Petrarca en Erasmus (pas étonnés de se trouver ensemble) is Bodar op z'n best. In de eerste analyseert hij de bekende miniatuur die Simone Martini maakte voor de Vergilius-codex van Petrarca. Deze analyse is zeer breed opgezet. Zij behandelt niet alleen de betrekkingen tussen de twee kunstenaars, maar ook de plaats die Vergilius inneemt in Petrarca's wereldbeeld. De hoofdaandacht richt zich echter op de iconografische explicatie van het kunstwerkje zelf: hiervan worden alle onderdelen niet alleen grondig, maar ook boeiend verklaard. In de studie over Erasmus plaatst Bodar de portretten van Quinten Metsys, Albrecht Dürer en Hans Holbein in de traditie van het geleerdenportret. Het is interessant om daarbij te lezen dat Erasmus zich liet vereeuwigen (het woord zegt het al) om zijn roem te vergroten. Veel portretten dienden slechts zijn persoonlijke publiciteit. Ze waren in wezen een soort propagandamateriaal. Hoe belangrijk hij zijn beeltenis echter ook vond, Erasmus wist dat het alleen maar om iets uiterlijks ging: “Het betere portret van mij,” zo schreef hij aan een van zijn vrienden, “vindt u tot uitdrukking gebracht in mijn boeken.”

Liefde

In zijn essays blijkt Bodar te worden gedreven door een grote liefde voor de "klassieke' cultuur, die Europa van de oudheid tot en met de barok beheerste. Daarbij verlaat hij geregeld de kunsthistorische paden om zich te begeven op de belendende terreinen van literatuur, bijbelkunde, taalwetenschap, boekdrukkunst, architectuur en filosofie. Het is moeilijk te zeggen wat bij hem het meeste indruk maakt: zijn engagement met het onderwerp of zijn fenomenale kennis van zaken.

Hoewel Bodar van zijn stof alles, maar dan ook alles, lijkt te weten, wordt zijn "alwetendheid' voor de niet-specialistische lezer (voor wie het boek toch bestemd is) soms wat te veel van het goede. In de talrijke uitweidingen en in de overdadige appendix (maar liefst een vijfde van het geheel) had wat mij betreft gerust wat gesnoeid mogen worden. De leesbaarheid van de essays zou er, denk ik, door hebben gewonnen.

Maar deze opmerking komt voort uit de gedachte dat iets wat al goed is misschien nòg beter had kunnen zijn. Vast staat dat Bodar een boek heeft geschreven dat elke minnaar van kunst en cultuur kan aanspreken. En daar gaat het om.