Naar de Kongo met de tram; Museum voor Midden-Afrika in Tervuren

Om het voormalige Belgisch-Kongo hangt een nevel van somberheid, treurnis en angst; de Belgen hebben er naar men zegt grote wreedheden begaan. Het in een mooi park gelegen Koninklijke Museum voor Midden-Afrika in Tervuren heft deze zwaarmoedige stemming niet helemaal op. Willem Frederik Hermans bezocht het museum en haalt en passant herinneringen op aan het voormalige Koloniaal Instituut in Amsterdam. “Dit waren plaatsen waar ik werkelijk genoot, al heb ik dit niet verteld aan iedere sukkel die ik destijds ontmoette.”

Nederland en België hebben allebei een museum overgehouden aan hun voormalige koloniale bezit.

En allebei die musea heb ik ook al bezocht toen het koloniale bezit nog niet voormalig was, en niemand dacht dat het dit de eerstvolgende tweehonderd jaar zou worden.

Hoe dat van België er destijds uitzag, weet ik niet meer. Ik ben er maar eenmaal geweest (in 1939).

Dat van Nederland heette het Koloniaal Instituut en stond aan de Mauritskade in Amsterdam. Ik kwam er geregeld, steeds met popelend hart.

Het was opgericht door rijke particulieren, ondernemers die in "ons' Indië veel geld hadden verdiend en een deel daarvan aan culturele en pedagogische doeleinden wensten te besteden. Zonder twijfel wilden zij tonen dat Indië niet alleen een wingewest was, niet alleen rijk aan winstgevende cultures, maar ook in het bezit van zeer gevarieerde culturen, die bewonderenswaardige klederdrachten, versierde gebruiksvoorwerpen, wapens, sabels, lansen, krissen, sculpturen en vernuftig gebouwde huizen voortbrachten. En tot hoeveel pracht en praal gaven sommige daar inheemse godsdiensten geen aanleiding! Het hindoeïsme op Bali, bij voorbeeld, waar doden verbrand werden in een omhulsel dat de vorm had van een levensgrote stier. Zijn horens waren verguld.

De museumruimte bestond uit een grote, hoge hal, door glas gedekt en omgeven door drie, of misschien zelfs wel vier gaanderijen.

In de hal beneden stond die stier, herinner ik me. En dan waren er ook gipsafgietsels van de Boroboedoer-reliëfs. En de instrumenten van een zeer uitgebreid gamelanorkest waren er opgesteld. Op bepaald zondagmiddagen werden deze door authentieke musici in klederdracht bespeeld. Er traden Balinese danseressen op.

Wat er allemaal op de gaanderijen te zien was? Alles. Zelfs op ware grootte nagemaakte cultuurgewassen zoals suikerriet, tabak, rubber, koffie, thee. Poppen in diorama's beeldden dorpstaferelen uit. Er waren vitrines vol mineralen, zaden, kruiden, gesteenten. Wat ouder geworden, bezocht ik het museum vooral om de mineralen en gesteenten.

Wie nog meer informatie wilde, kon deze vinden in hoge, zuilvormige stereoscopen, waarin de ene foto in drie dimensies de andere opvolgde, als je aan een knop draaide.

En dan was er een wandkaart, een zeer grote wandkaart, verbonden met een tableau vol knopjes en namen. Je wou bij voorbeeld weten waar aardolie gevonden werd. Je zocht het woord "aardolie' op en drukte op het knopje ernaast. Dan begonnen overal waar aardolie aangetroffen werd, lampjes te branden op de kaart.

Ik moet de pracht van dit museum helemaal uit mijn geheugen beschrijven. Het is mogelijk dat ik er lectuur over bezit, maar deze is in de chaos die mijn bibliotheek sinds enkele verhuizingen de hare noemen mag, niet terug te vinden.

Ik ben er in geen jaren geweest. De instelling is eerst herdoopt tot Tropenmuseum en daarna tot Koninklijk Instituut voor de Tropen, toen Nederlands-Indië de Republiek Indonesië geworden was. De stereoscopen, is mij verteld, heeft men - eis van ons huidige tijdsgewricht - aan stukken gehakt en naar de vuilnisbelt gebracht.

Plaatsen waar wij lang geleden geweest zijn: landen, steden, onvergetelijke gebouwen en musea die we hebben bezocht, plegen een soort vage algemene indruk achter te laten. Of eigenlijk misschien niet eens een indruk, meer een stemming.

Deftig

In elk geval is de stemming die de herinnering aan het Koloniaal Instituut bij mij oproept, er een van licht en blijheid. Alles in "ons' Indië was blijkbaar even mooi, deftig en rijk, als je op het hier verzamelde materiaal afging. Zelfs afgodsbeelden, monsters en demonen waren niet echt angstaanjagend. Het waren eerder caricaturen van demonen, die hier, verguld en glanzend rood gelakt, soms met krijtwitte gezichten en vurige tongen, en slagtanden als van wilde varkens, werden getoond.

Van alles schiet me nog te binnen: onder meer een loodzwaar stel salonmeubelen, geweldige ebbenhouten leunstoelen en een onmetelijk grote tafel, door Chinese meubelmakers voor bestuurders van de VOC gemaakt en rijkelijk met uitgesneden ornamenten versierd.

Er was één op het eerste gezicht niet erg spectaculair object, dat zich op de hoogste gaanderij bevond, waarheen ik altijd weer terugkeerde, als ik het Koloniaal Instituut bezocht. Dit was een plat kastje, alzijdig van glas, een meter hoog, tien centimeter diep en, denk ik, tachtig centimeter breed.

Verticale glazen schotten verdeelden het inwendige in vakken, en de bovenzijde bestond uit een lijstvormig deksel, bespannen met horregaas. In elk van de vakken stond een gedroogde aromatische plant, een geurig gras.

Door je neus vlak boven het gaas te houden en diep in te ademen kon je van de verscheidene, verrukkelijke, exotische geuren genieten.

Nu ik sinds een jaar of twintig mijn reukvermogen grotendeels kwijtgeraakt ben, is het geen wonder dat ik altijd nostalgisch aan dit eenvoudige maar leerzame tentoonstellingsvoorwerp terugdenk, zodra het oude Koloniaal Instituut me te binnen schiet.

Behalve de grote museumzaal bevatte het fraaie, enigszins modern-renaissancistische gebouw ook laboratoria, vergaderzalen, een collegezaal en een bibliotheek.

Deze ruimten waren natuurlijk over het algemeen niet toegankelijk voor het gewone publiek, maar wel voor studenten die er in verband met hun studie moesten zijn. De trapportalen waren rijk versierd met veelkleurig marmer.

Nu schiet mij te binnen, al doet het eigenlijk niet ter zake, dat ik in een bepaald studiejaar ook een college moest volgen dat in een van de gebouwen die bij Artis behoren werd gegeven en die zich in dezelfde buurt bevinden. Zo had ik niet alleen gratis toegang tot het Koloniaal Instituut, maar ook tot de dierentuin. Dit waren plaatsen waar ik werkelijk genoot, al heb ik dit niet verteld aan iedere sukkel die ik destijds ontmoette. Maar dit is een autobiografische afdwaling en ik moet nu trouwens erkennen dat het hele begin van deze beschouwing een afdwaling is, want ik had me voorgenomen te schrijven over het museum dat de Belgen bezitten in Tervuren.

Cadeautje

Ook dit Belgische museum had vroeger een andere naam, namelijk Kongo Museum en het is blijven voortbestaan als Koninklijk Museum voor Midden-Afrika.

Soortgelijk is het, maar toch heel anders, misschien alleen al omdat Midden-Afrika zo anders is dan Zuid-Oost Azië en omdat België's koloniale geschiedenis zo sterk verschilt van de onze.

België verkreeg de Kongo-kolonie niet eerder dan in 1906. Het was een cadeautje van zijn vierkant-volbaardige koning Leopold II, die zich er in 1885 meester van gemaakt had voor eigen gebruik. Dat kon toen in Afrika: de brokken die grote mogendheden als Engeland en Frankrijk nog niet hadden ingepikt, lagen voor het oprapen voor de liefhebber. Leopold had zich zelf gebombardeerd tot vorst-soeverein van wat hij de Kongo-Vrijstaat noemde. Tussen 1885 en 1906 bestond er dus geen andere band tussen België en Kongo dan een personele unie, gebaseerd op Leopold's dubbele koningschap. Het was zoiets als de verbintenis tussen Nederland en het Groot-Hertogdom Luxemburg tot 1890 is geweest. Het verschil bestaat hierin, dat Luxemburg een volwaardig Europees ontwikkelde bevolking had, politiek bewust en in het bezit van de toen gebruikelijke politieke vrijheden, terwijl Kongo bewoond werd door diverse met pijl en boog, en soms musketten bewapende stammen die niets te vertellen hadden.

Leopold's Kongo-Vrijstaat heeft helaas een lugubere reputatie. Men zei dat de Belgen zich tegenover de inheemse bevolking grote wreedheden veroorloofden om het volk ertoe te brengen produkten als ivoor, rubber en palmolie te leveren, waar Leopold de Tweede gaarne handel in dreef. Het bloederige en treurige tropenverhaal van Joseph Conrad, Heart of Darkness speelt in Kongo, zegt men, of het is tenminste geïnspireerd door gruwelen die daar plaatsvonden.

Leopold verschafte zich een goed geweten door in de jaren 1891-1899 enkele militaire expedities uit te rusten tegen wat heette de Arabische slavenhandelaars die Midden-Afrika teisterden.

Welke maatstaf dient te worden aangelegd als het erom gaat de grootte van wreedheid te meten? In dit vraagstuk zal ik me hier niet verdiepen.

Wel twijfelt menigeen er niet aan dat de Belgen zich in de Kongo uitzonderlijk gehaat hebben gemaakt.

De Kongolezen koesterden een diepe wrok tegen onze zuiderburen, en, zoals het met wraakzucht meestal gaat, zij kiest de weg van de minste weerstand en richt zich dan op een slachtoffer dat wraakoefening het minst verdiend heeft.

Zo geschiedde ook hier.

Toen de Kongolezen in 1960 bijna zonder bloedvergieten onafhankelijk waren geworden, meende een van degenen die zo pas de staat van zelfstandige hadden bereikt, de vrolijkheid te kunnen verhogen door zich de degen van koning Boudewijn toe te eigenen.

Deze beminnelijke monarch was nog wel, van de nobelste voornemens bezield, naar Kongo gereisd om van ganser harte in de feestvreugde van zijn voormalige onderdanen te delen, en toen sprong een kwalijke grappenmaker op de auto waarin Boudewijn rondgereden werd en maakte zich meester van 's konings degen. Het werd gefotografeerd door Paris-Match, gefilmd door een filmploeg en het was voor de hele wereld op TV en in de bioscoopjournaals te zien.

En dit was alles nog niet.

Een marxist, Loemoemba geheten, dacht een eigen bijdrage aan het historisch materialisme te kunnen leveren, door een voor de vorst en België hoogst beledigende redevoering af te steken. Linkse dichters en literatoren, ook toen al veelvuldig bekoord door alles wat laaghartig, leugenachtig, onbeleefd en plat is, juichten Loemoemba's initiatief hartelijk toe en waren zeer verontwaardigd toen de rode redenaar niet zo lang daarna onder duistere omstandigheden (maar in elk geval niet door de Belgen) werd vermoord.

Zaïre

Politieke tegenstanders vermoorden is natuurlijk nooit netjes. Toch betwijfel ik of Loemoemba, zoals zijn Europese artistieke aanhang dacht, erin geslaagd zou zijn een tropisch paradijs op aarde aan de oevers van de Kongo te grondvesten.

Het land veranderde zijn naam in Zaïre (dit is een oeroude naam, aan het eind van de vijftiende eeuw door een Portugees voor land en rivier bedacht).

Ook de na Loemoemba gekomen politieke tinnegieters hebben er geen paradijs geschapen.

Ik herinner aan dit alles alleen om duidelijk te maken waardoor er om Kongo-Zaïre een soort nevel van somberheid, treurnis en angst is blijven hangen.

En neen, het in Tervuren gevestigde Koninklijke Museum voor Midden-Afrika, voormalig Kongo-museum, heft deze zwaarmoedige stemming niet helemaal op, om haar door wat zon en een illusie van blijdschap te vervangen.

Het is een ernstig museum annex wetenschappelijk instituut van hoog gehalte.

De tocht erheen is overigens aangenaam genoeg. Men late zijn milieuvervuiler thuis en neme onder het Montgomeryplein tram nummer 44.

Het Montgomeryplein, een per metro bereikbare rotonde aan de oostzijde van Brussel, is gemakkelijk te vinden. Jazeker, de halte bevindt zich onder dat plein. Maar de tram, eenmaal op weg naar Tervuren, komt weldra boven de grond, om de passagiers zonder extra betaling te laten genieten van de prachtige parkachtige omgeving, waar hij, over de brede, deftige Tervurenlaan, doorheen rijdt.

Men passeert het Paleis Stocklet, een uit 1906 daterend meesterwerk in Weense Sezessionstijl, van de Weense architect Joseph Hoffmann. Het zit propvol onvergelijkelijke kunstschatten en is helaas (of misschien eigenlijk maar goed) niet toegankelijk voor het publiek. Nog steeds wordt het door een oude mevrouw Stocklet bewoond en omdat haar dochter bevriend was met een geleerde Brusselse vriendin van een met mij bevriende hooggeleerde Amsterdamse heer is het me, een aantal jaren geleden, toch gelukt er binnen te komen en de daar verzamelde wonderen te aanschouwen.

De oude heer Stocklet, bevriend met het koningshuis, had zich een kolossaal fortuin verworven in de (voormalige) Kongo. Moboetoe droeg mevrouw Stocklet de hartelijkste gevoelens toe, zo was haar gebleken bij een recente vakantiereis door Zaïre.

Verder rijdt de tram en aan de noordkant van de Tervurenlaan wordt nu een geheel aan trams gewijd museum gepasseerd. U kunt daar uitstappen en het oude wagenpark bezichtigen met uw zoontjes. En dan kunt u op hetzelfde tramkaartje de reis hervatten en door het verrukkelijke Zoniënwoud (loofbomen, vooral beuken) verder rijden tot het eindpunt in Tervuren. Driehonderd meter daar vandaan vindt u het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika.

Hoezeer verschilt dit, uiterlijk, van ons Koninklijk Instituut voor de Tropen!

Het bevindt zich niet in een enigszins armoedige stadswijk à la Amsterdam-Oost, maar in zijn eigen kostelijke, uitstekend onderhouden park, met vijvers, met glooiende gazons en hier en daar een beeldhouwwerk.

Het is een typisch Franse tuin à la Versailles, alleen schikken de bomen zich hier nog, anders dan in Versailles, grotendeels naar de door de denkbeelden van de tuinarchitect bestuurde snoeischaar. Zo staan er twee groepen struiken die geheel tot Afrikaanse hutten zijn verknipt.

De sculpturen stellen Afrikanen voor.

De voorgevel van het museum is naar dit park gericht. In het midden van de gevel bestijgt men een bordes en kan vervolgens een centraal gelegen vestibule betreden. Links en rechts ontwikkelen zich hieruit de museumzalen. Dit doet enigszins denken aan het "Petit Palais' van Parijs en geen wonder: beide musea zijn door dezelfde architect gebouwd, Charles Girault.

Het gebouw is wat somberder en donkerder dan het overeenkomstige "Petit Palais', maar de luisterrijke tuin maakt veel goed.

Onfortuinlijk

Zijn geschiedenis begint, zoals het royaal uitgevoerde platenboek Koninklijk Museum voor Midden-Afrika uiteenzet, in 1897, toen Leopold II een grote tentoonstelling over zijn vrijstaat liet inrichten in Tervuren. Men vond daarvoor de ruimte op een landgoed dat al een lang en bewogen verleden achter de rug had. Dit zal ik hier niet volledig ophalen. Wel dient te worden vermeld, dat er tussen 1817 en 1821 een nieuw paleis was neergezet voor een zoon van koning Willem I, prins Willem Frederik. In 1830, toen België in opstand kwam tegen diens papa, moest hij zijn heil elders zoeken, neem ik aan. In 1867 “kwam prinses Charlotte, de onfortuinlijke zuster van Leopold II er haar intrek nemen”.

Onfortuinlijk, hoe dat zo?

Ach, ze was de weduwe van de door Napoleon III in 1864 op de troon van Mexico geparachuteerde Maximiliaan van Oostenrijk. Enkele jaren later liet Napoleon III hem in de steek, een opstand stootte Maximiliaan van de troon. Hij beëindigde zijn levensdagen voor een vuurpeloton.

Het paleis van Tervuren brandde af in 1879 en op de plaats waar het gestaan had, liet Leopold in 1897 zijn tentoonstellingsgebouwen neerzetten. Ook werd toen de prachtige laan met vier rijen nu dikke kastanjebomen aangelegd van het Jubelpark naar Tervuren.

Het tentoonstellingsgebouw van 1897 had drie namen: Oranjerie, Koloniënpaleis en Paviljoen 1897.

De gevels zouden uit de achttiende eeuw afkomstig kunnen zijn, de architectuur is dus allesbehalve revolutionair, maar het interieur was uitgevoerd in de Stijl 1900, zoals talrijke bewaard gebleven foto's bewijzen. Of deze stijl, waar ik een zwak voor heb, nu wel zo geschikt is voor tentoonstellingszalen, betwijfel ik sterk: de aandacht van de bezoeker mag toch niet van de getoonde voorwerpen waar het om gaat, afgeleid worden naar de grillen en krullen van de vitrines.

Enfin, dit interieur van het "Oranjerie' en zo voort benaamde paleis, bestaat niet meer. Er zijn nu de wetenschappelijke en andere diensten ondergebracht, die door het gewone publiek niet hoeven te worden bezocht.

De expositie van 1897 had veel succes. Er ontstond een snel groeiende belangstelling voor de dieren, planten, en de etnografie van Midden-Afrika. Daarom besloot Leopold deze Kongo-tentoonstelling tot een permanent museum met wetenschappelijke onderafdelingen om te vormen in een nog fraaier, groter en speciaal ontworpen gebouwencomplex. Het is aanvankelijk de bedoeling geweest het veel uitgebreider te maken, dan wat we nu voor ons zien. De bouw is beperkt gebleven tot het hoofdgebouw.

Wij moeten eindelijk eens naar binnen gaan en onze ogen goed de kost geven. We komen dan, als al gezegd, in de vestibule, onder de centrale koepel. Er staan enkele lage ronde tafels, waarvan de bladen, een meter in doorsnee, gepolijste en geverniste plakken van tropische boomstammen zijn. Rondom deze tafels noden fauteuils de bezoeker die de ene helft gezien heeft, tot rusten eer hij de andere vleugel gaat bekijken.

Wie van buiten komend rechtsaf slaat, komt in de Afrikaanse zaal. Alle voorwerpen in de hier geplaatste vitrines hebben betrekking op de volkenkunde van Afrika. Het is niet te hopen dat de smaak van de westerse mens diepgaand verknoeid wordt door de grote hoeveelheden zogenaamd primitieve kunst (in werkelijkheid machinaal op Taiwan vervaardigd, naar het schijnt) die we op straat aangeboden krijgen.

Gordijnen

Hier in dit museum is te zien hoe mooi en ontroerend primitieve kunst in werkelijkheid kan zijn. De atmosfeer van de zalen is wat duister, want alle ramen zijn met gordijnen afgesloten. Het tentoongestelde zou door te veel licht schade kunnen lijden. Eigenlijk is deze duistere stemming als buiten de zon schijnt, ook al is het de Westeuropese zomerzon dan maar, wel bekoorlijk voor wie ooit musea in de tropen heeft bezocht, waar vanzelfsprekend het zonlicht ook grotendeels buitengesloten wordt.

In de diametraal tegenover deze gelegen andere zaal treft ogenblikkelijk een prachtige boot ons oog, een korjaal van de Lengola, 22½ meter lang en gekapt uit de stam van de sipo (Entandro phragma utile). Er konden wel honderd man in plaats nemen. Het ogenschijnlijk ruwe, ruig uitgehakte vaartuig, verraadt een groot technisch kunnen, want het is recht.

In deze zaal zijn de vitrines tegen de zijmuren niet alleen aan Afrika gewijd, maar ze bevatten ter vergelijking ook voorwerpen uit Oceanië en Zuid-Amerika.

De met etnografica gevulde kasten zullen voor volwassen bezoekers de interessantste zijn, omdat zij unica bevatten. Er is in dit museum van Tervuren nog veel meer te genieten: bijzonderheden over de geologische bouw van de aardkorst, over dieren en planten. Over de mineralen, de gesteenten, de vogels en de insekten van Afrika, ja zelfs de bankbiljetten en de postzegels.

Vele opgezette grote dieren zijn ondergebracht in diorama's, om ons een indruk te geven van het milieu waarin ze leven.

Ik besef dat ik nu van alles door elkaar noem, maar wil nog enkele objecten vermelden die van oudsher een diepe indruk op mij gemaakt hebben: een vitrine met olifanteschedels en olifantstanden. Daarbij twee welgeschapen normale slagtanden die tachtig kilo per stuk wegen. Maar ook getordeerde tanden, en een tand die bijna tot een hoepel is kromgegroeid. En, het merkwaardigste van alles, de schedel van een olifant die, door de natuur te ruim bedeeld, vier slagtanden had, twee in elke slagtandkas en alle vier naar ik schat wel haast een meter lang.

Niet ongenoemd laten wil ik ook een aantal op Meissen porselein geïnspireerde beeldgroepjes, die uitbeelden hoe sommige Afrikanen zich Europeanen voorstellen.