Martin Walser: Das Sofa. Uitg. Suhrkamp, 72 blz. ...

Martin Walser: Das Sofa. Uitg. Suhrkamp, 72 blz. Prijs ƒ 33,60.

Helen Meier: Nachtbuch. Uitg. Ammann, 230 blz. Prijs ƒ 52,-.

Ulla Berkéwicz: Engel sind schwarz und weiss. Uitg. Suhrkamp, 352 blz. Prijs ƒ 53,20.

Hans Sahl: Der Tod des Akrobaten. Uitg. Luchterhand, 188 blz. Prijs ƒ 44,80.

Robert Schindel: Gebürtig. Uitg. Suhrkamp, 359 blz. Prijs ƒ 53,20.

Waltraud Anna Mitgutsch: In fremden Städten. Uitg. Luchterhand, 247 blz. Prijs ƒ 47,60.

De 39-jarige Albert in Martin Walsers toneelstuk De Sofa slijt zijn dagen op een sofa, want, zo luidt zijn motto, "een mens verdraagt zeven keer zoveel wanneer hij ligt'. Kennissen willen samen met hem een onderneming starten, een idee waar deze moderne Oblomov van gruwt. Immers, wat moeten we met al die onzinnige produkten en diensten? Om verstopping tegen te gaan kun je maar beter gaan liggen en "consumeren, stomweg consumeren, geduldig vernietigen wat er op ons neersneeuwt'. In dit niemendalletje uit 1961 voorziet Walser de dynamische types uit de "gezonde' buitenwereld van een nogal starre geest, terwijl zijn statische pantoffelheld over een sprankelende fantasie beschikt. In een dergelijke ongerijmdheid schuilt de magie van literatuur: de geest kan vrij reizen door tijd en ruimte, en ondertussen blijft het lichaam achter, uitgestrekt op een oude sofa.

Martin Walser: Das Sofa. Uitg. Suhrkamp, 72 blz. Prijs ƒ 33,60.

Oreert Walsers personage Albert graag en veel, in de verhalenbundel Nachtbuch van Helen Meier treffen we uitsluitend binnenvetters aan. Het zijn mensen die de maatschappij heeft afgeschreven: hunkerende oude vrijsters, verwarde bejaarden, wraakzuchtige psychiatrische patiënten, suïcidale dominees. Met een nog net niet perverse gretigheid volgt de schrijfster hun aftakeling, die niet alleen uit lichamelijke kwalen en gebreken bestaat, maar vooral uit een schrijnend gevoel van gemis. Wat denkt iemand die zijn eigen naam niet meer weet? Wat gebeurt er met de seksuele energie van een zeventigjarige maagd? Op welk moment gaat onbevredigd liefdesverlangen over in de wens een ander te doden? Helen Meier, zelf zestigplusser, is een laatbloeier in het land der letteren. Zij debuteerde op haar 55-ste. Een van haar vrouwenfiguren, zij die zich het meest van haar gemis bewust is, maakt eveneens zo'n late emancipatie mee. “Elke dag die zij alleen doorstaan had, was een steen, op deze stenen zou zij staan.” Maar ook de overige senioren in deze verhalen zitten nog vol leven, wat zijn neerslag vindt in een verteltrant die dwingend en soms erg heftig is.

Helen Meier: Nachtbuch. Uitg. Ammann, 230 blz. Prijs ƒ 52,-.

Engel sind schwarz und weiss, de eerste roman van Ulla Berkéwicz, begint veelbelovend. Heinrich Fischer steelt ons hart; het zij hem vergeven dat deze muzikale man na Hitlers machtsovername bij de SA gaat omdat er daar zoveel gezongen wordt. Had zijn zoon dezelfde passie voor muziek gehad, dan was ons veel bespaard gebleven. Maar Reinhold, de eigenlijke hoofdfiguur, voelt zich in de eerste plaats dichter. Onvermoeibaar citeert Ulla Berkéwicz uit zijn dagboeken, een verzameling gruwelijk gekunstelde "ontboezemingen' die slechts verraden hoe de jonge dichter zichzelf graag ziet: als een gevoelige knaap die zielsveel van vaderland, ouders en vrienden houdt. Wanneer twee van die vrienden, de een jood, de ander aanstaand SS-er, vlak na elkaar door geweld om het leven komen, verheft de schrijver hen beiden tot martelaar. Ze vergaat van medelijden met de jeugd van het Derde Rijk, misleid en bedrogen door volwassenen die ook misleid en bedrogen zijn.

Reinholds fascinatie voor de semi-religieuze bezweringsformules van het nationaal-socialisme zou ook de lezer geboeid hebben als de auteur wat meer afstand van haar held had genomen en haar stijl te onderscheiden was geweest van de dagboekcitaten. Het toppunt van kitsch is de kortstondige liefde die zij de deserterende aspirant-officier in Rusland met een joods meisje laat beleven, alsof ze met alle macht wil bewijzen dat Reinhold geen antisemiet is. “Ach Golda!” verzucht de sensibele jongeman in zijn dagboek. “Ik leef naar jou toe, ook al ga ik van je vandaan, want de dood komt met elke stap dichterbij. Ik leef naar jou toe, want jij bent mijn vrouw. Man-en-vrouw-zijn is mijn vaderland nu.”

Ulla Berkéwicz: Engel sind schwarz und weiss. Uitg. Suhrkamp, 352 blz. Prijs ƒ 53,20.

Allesbehalve sentimenteel zijn de verhalen in de bundel Der Tod des Akrobaten van Hans Sahl, de inmiddels negentigjarige chroniqueur, criticus en verteller. Een van zijn miniaturen lijkt wel een bittere mop: in een vernietigingskamp koopt een jood cyaankali van een andere jood, maar het spul blijkt niet te werken. De man die zelfmoord had willen plegen, overleeft het kamp. Hij emigreert en loopt jaren later in New York de man tegen het lijf die hem de nep-cyaankali verkocht. “Arresteer deze man”, bijt hij een agent toe. “Hij heeft me een kalmeringsmiddel verkocht in plaats van cyaankali. Het is een oplichter.”

Sahl, die tijdens zijn ballingschap in de jaren dertig lid was van de communistische partij, tekende al vroeg openlijk protest aan tegen de hardhandige wijze waarop die partij met minder dogmatisch denkende leden omging. Niettemin neemt de verteller in het verhaal "Schuld' het zichzelf nog tot ver in de jaren vijftig kwalijk dat hij niet eerder uit de partij stapte. Hij heeft daar wel een verklaring voor: “De partij biedt nestwarmte, geborgenheid, een vervanging voor het verloren geboorteland.”

Deze vijfentwintig verhalen dateren van de jaren twintig tot 1990; vier ervan verschijnen nu voor het eerst. Ondanks de droevige onderwerpen maakt de bundel een montere indruk. Sahl heeft zich nooit bij het noodlot neergelegd. Zijn vrijlating uit een interneringskamp in Marseille en zijn daaropvolgende vlucht naar Amerika in 1940 had deze Duitse jood aan een goede ingeving te danken. Op een dag wilde de kampcommandant zijn papieren zien, maar Sahl had geen enkel document op zak. De commandant werd aan de telefoon geroepen. Toen hij terugkwam vroeg Sahl hem met een stalen gezicht: “U heeft mijn papieren toch al gezien?” De commandant knikte verbouwereerd en Sahl mocht het kamp verlaten.

Hans Sahl: Der Tod des Akrobaten. Uitg. Luchterhand, 188 blz. Prijs ƒ 44,80.

In de roman Gebürtig portretteert de Wener Robert Schindel, die eerder drie dichtbundels schreef, een aantal figuren uit het hedendaagse koffiehuismilieu. De omvangrijke roman bestaat uit kunstig met elkaar vervlochten verhalen over mannen en vrouwen die, jaren na de oorlog, gebukt gaan onder het oorlogsverleden van hun ouders. In Oostenrijk is dat minstens even slecht verwerkt als in Duitsland. Eén personage wordt gekweld door de herinnering aan zijn vader, kampcommandant in Polen. Zelf werd hij destijds, een kleuter nog, door sentimentele kampbeulen "prins van Polen' genoemd. Een ander personage legt graag uit dat Mauthausen in een mooie streek ligt. Daar bracht hij een onbezorgde jeugd door; wat kon hij toen weten van dat nabije concentratiekamp! Dat die jeugdherinneringen zijn joodse gesprekspartner irriteren, begrijpt hij niet.

Met cynisch welbehagen neemt Schindel een misschien wel typisch Weens mengsel van gevoelloosheid en fijnbesnaardheid op de korrel. Op zijn scherpst toont hij zich in impressionistische schetsen van bijfiguren, zoals de therapeute die het liefst over zichzelf praat. Schindel typeert haar weinig vleiend. Zijn taalgebruik verraadt de dichter. Zij "tilt een lach uit haar buik die hinderlijk in het lokaal blijft hangen en langzaam op de omzittenden neerdruppelt'. En, wachtend op haar minnaar, "zoekt zij onder haar eigen gezichten een gezicht uit waarmee ze hem kan ontvangen'.

Robert Schindel: Gebürtig. Uitg. Suhrkamp, 359 blz. Prijs ƒ 53,20.

Waarom maken mensen kinderen? Lillian, de heldin uit Waltraud Anna Mitgutsch' roman In fremden Städten, ziet in de voortplanting vooral een kans iets van het geluksgevoel uit de eigen kindertijd door te geven. Er doet zich echter een complicatie voor: Lillian is Amerikaanse, haar man Oostenrijker. Hij vindt dat de kinderen echte Oostenrijkers moeten worden, het gezin woont immers in Innsbruck en niet in Boston. Dat komt voor Lillian neer op het verbod Engels met hen te praten. “Soms vroeg hij [de jongste] haar: hoe noemde je mij vroeger ook alweer? Honeypie, sugarplum, zei ze zacht, en de herinnering deed pijn als een oud litteken, als bevroren ledematen in de zon.” Vervreemd van haar gezin en van zichzelf en bevangen door vage literaire plannen vliegt Lillian naar de Amerikaanse oostkust terug, waar zij haar draai al evenmin kan vinden. Ten slotte zoekt ze haar toevlucht bij haar griezelig veel op haar lijkende vader, die zijn leven in dienst stelde van een veel te hoog gegrepen ideaal en op alle fronten mislukte, als schrijver, in het ouderschap en in de liefde. Het is een knappe prestatie van Waltraud Anna Mitgutsch dat dit subtiele verhaal zich als aanklacht en ziektegeschiedenis tegelijk laat lezen.

Waltraud Anna Mitgutsch: In fremden Städten. Uitg. Luchterhand, 247 blz. Prijs ƒ 47,60.