Leve de verstarring; J.P. Guepin over burgers en bohemiens

J.P. Guépin: Weg met de bohème. Uitg. Bert Bakker, 206 blz. Prijs ƒ 29,90.

In Weg met de bohème gaat Guépin uit van een aantal voorkeuren die hij in zijn inmiddels tien jaar oude De beschaving verdedigde. Cultuur als een precaire overwinning op een beestachtige menselijke natuur, het kwaad als averechts gevolg van goede bedoelingen, het goede als onbedoeld resultaat van egoïsme, dat was de centrale inspiratie van het boek. De daaruit voortvloeiende opvatting over de zin van plausibiliteit in de (mens)wetenschappen, conventies in de politiek en regels in de kunst, oefende ook op mij grote aantrekkingskracht uit.

Guépin baseerde zijn betoog op de retorica, de kunst van het betoog. De retorica gelooft niet in een waarheid buiten de consensus van gesprekspartners om. De retoricus moet niets hebben van het "wezen' van de zaak, hij gelooft veeleer in dubbelzinnigheid en vaagheid. Het wezen van de zaak zoeken leidde in de menswetenschappen tot dogmatisme, in de politiek tot totalitaire aanspraken, in de literatuur tot romantisch gezwijmel. Guépin omschreef een cultuur waarin het compromis centraal stond, waarin uitgegaan werd van de voordelen van bestendigheid, van “de mate van overeenstemming waarop partijen in een debat een beroep doen”.

Het boek was niet vrij te pleiten van een zekere hang naar het paradoxale. Ondanks het feit dat het een pleidooi voor het compromis heette te zijn, deelde het de geschiedenis in perioden van zon en zwarte duisternis in, maakte het oudtestamentisch scheiding tussen de schapen van klassieke schoonheid en de bokken van romantische bombast. Een door en door historisch boek, wilde het de beweging uit de geschiedenis halen, wilde van geen verstarring van het klassieke ideaal en de burgerlijke cultuur weten en bepleitte een eeuwig vrolijk, nadrukkelijk oppervlakkig nabootsen als kunstzinnig ideaal.

Weg met de bohème is een verbijzondering van het hoofdstuk over de kunst, met dien verstande dat Guépin in De beschaving nog ergens vóór was en nu alleen nog maar tegen. Dat maakt het boek nogal schotschrifterig, hier en daar is het zelfs weinig meer dan schimpscheuterig. Guépin richt zich ook, met de felheid van iemand die zich beconcurreerd voelt, tegen een aantal Nederlandse intellectuelen, Drion, Grijs, Hofland, De Swaan - allemaal bohémiens - op een manier die weinig recht doet aan de centrale eis die De beschaving aan een debat stelt: het au sérieux nemen van de tegenstander, de filologische betrouwbaarheid. Tenslotte lijkt hij nu zo in de ban van wat hij als een heilloos verkeerde ontwikkeling beschouwt, dat zijn traktaat veel lijkt op een oorlogsverklaring aan de afgelopen twee eeuwen, op een pleidooi voor het afschaffen van de geschiedenis.

Er bestond vroeger, zo luidt de stelling van Guépin, geen kloof tussen de kunstenaar en de maatschappij. “Het kerkelijk kunstwerk beviel de bisschop: de verheerlijking van het voorgeslacht, in epos of standbeeld, beviel de heer, en de kunstenaar was ook tevreden over zijn werk.” In de negentiende eeuw, met het aan de macht komen van de bourgeoisie, ontstond het verschijnsel van de bohème, de zich tegen de maatschappij afzettende kunstenaar. De liberale democratie, zo constateerde Guépin, “heeft geen algemeen gewaardeerde kunst voortgebracht. Het tegendeel is het geval: De burgerlijke kunst is antiburgerlijk.” En daar heeft hij genoeg van. “Nu heel Nederland bohémien is geworden, wordt het tijd te laten zien hoe hol het non-conformisme is geworden.”

Spaanplaatpartijtje

De schuld van links en het generatieconflict, daar gaat dit boek over. In dat opzicht komt het boek een beetje laat. Iedereen weet dat links in Nederland een kommervol bestaan lijdt in een spaanplaatpartijtje en het generatieconflict schijnt ook uit de wereld te zijn. In het Nederland van 1992 wordt een bepaalde vorm van terreur door mariniers wederom als een belangrijk maatschappelijk signaal gezien en is de jeugd tevredener en aangepaster dan ooit. Wie heel Nederland als bohémien ziet, moet zijn informatie - Guépin staat erop clichés de zeggingskracht van hun vorig leven terug te geven - elders vandaan halen. Guépin houdt het op De Telegraaf en de TROS.

De werkelijkheid is dat Nederland niet doet aan de bohème, zelfs de vijanden van Guépin doen er niet aan. Die vijanden doen min of meer het omgekeerde van wat Guépin doet, dat is waar. Privé lijden ze een gewoon burgerlijk bestaan, terwijl ze zich in hun meningen en culturele voorkeuren marginaler, afstandelijker of extremer opstellen dan de gemiddelde burger oorbaar oordeelt. De burgers van Guépin daarentegen spelen hun rol van achtenswaardig burger en geven zich in hun privébestaan over aan de genoegens van de bohème. Tegen geen van beide heb ik bezwaar en er hoeft ook niet zo'n verschil tussen te bestaan. Beide gaan namelijk uit van die grote mate van overeenstemming die volgens Guépin in het debat niet aan de orde komt.

Er zit dan ook veel kunstmatigs in Guépins contrast tussen de burgerij en de bohème. Dat is hij zich ook bewust, het gaat hem, zo zegt hij, om de vroeg negentiende-eeuwse stereotypen. “Ik zal net doen alsof die clichés nog opgaan.” Tja, maar als ze nu juist niet opgaan, wat hebben we dan aan dat soort duidelijkheid? En dan de clichés over die eeuwig foute, fellow travelende intellectuelen, die Guépin weer van stal haalt. Op zulke momenten vergeet hij dan het smetteloze blazoen van De Telegraaf uit te steken, wat retorisch toch een omissie is. Guépin prefereert zijn oprechte verontwaardiging te baseren op gefingeerde vooronderstellingen. Beter lijkt mij een geveinsde woede op grond van ware feiten.

Een ander feilen van het boek is het niet luisteren naar de tegenstander. "Weg met Drion' heet het in het eerste hoofdstuk. Het is zinnig hierop wat nader in te gaan, omdat Drion problemen aansnijdt die veel op die van Guépin lijken. Guépin ergert zich onder meer aan wat Drion als karakteristiek beschouwt voor de westerse burgerlijke cultuur, namelijk “dat zij voortdurend een opstandigheid tegen zichzelf genereert en voortdurend deze opstandigheid weet te absorberen en daardoor onschadelijk te maken.” Onder die geabsorbeerde produkten rekent Drion ook de gedachten van Marx. “De gedachten, of de praxis?” vraagt Guépin zich af. En die honderden miljoenen doden, die communisten, anarchisten en nazi's dan? roept hij vervolgens met overslaande stem uit. Maar Drion heeft het helemaal niet over een praxis, maar over ideeën. “Het zou mij niet verbazen,” schrijft hij, “als de gedachten van Marx en zijn leerlingen meer in de humus van de burgerlijke intellectuele kultuur zijn verwerkt dan in de intellectuele kultuur van de landen achter het IJzeren Gordijn.” Voor Guépin is het van Marx naar Stalin, ideeënhistorisch bezien, slechts een hinkestap. Andere simplificateurs wezen op de verantwoordelijkheid van Rousseau voor het totalitaire denken. Zo eenvoudig ligt het voor Drion niet.

Het zegt iets over de manier waarop Guépin zijn tegenstanders leest, niet met aandacht of inlevingsvermogen, nee, met maximale vooringenomenheid. Zo spreekt Drion in zijn essay de overtuiging uit dat bladen als Vrij Nederland en omroepen als de VPRO veel karakteristieker voor de burgerlijke cultuur zijn dan bijvoorbeeld De Telegraaf of de TROS. De Telegraaf hoeft volgens hem niet essentieel te veranderen om denkbaar te zijn in een land als de voormalige Sovjet-Unie. Wat, roept Guépin uit, “De Telegraaf is een efficiënt gemaakte commerciële krant en ook bij de grootste "glasnost' of "perestrojka' is nog geen dergelijke krant denkbaar in Rusland.” Dat is waar, maar wederom heeft het niets van doen met wat Drion voor ogen staat. Drion heeft het in zijn stuk over conformisme.

Monsterverbond

Drion en Guépin verschillen inderdaad fundamenteel van mening over de wortels van de democratie. Volgens Drion liggen die - een opvatting die hij al in Het conservatieve hart verdedigde - zowel in het rationalisme als in de romantiek. Vandaar ook die voortdurende opstandigheid tegen zichzelf. Guépin heeft een grote afkeer van de romantiek. Rousseau en de romantiek vormen de bron van alle kwaad en dienen met wortel en tak uitgeroeid. Een monsterverbond tussen een elite en De Telegraaf en de TROS lijkt hiertoe de aangewezen weg. Ook Drion ziet dat probleem: “Ongetwijfeld vormt de romantische opstandigheid een factor van onzekerheid voor de maatschappij,” zegt hij in Het conservatieve hart, “maar zonder haar is elke maatschappij gedoemd in verstarring en vervormelijking ten onder te gaan.” De opvatting van Drion lijkt me veel vruchtbaarder voor een goed begrip van de democratie en staat niet op voet van oorlog met de geschiedenis.

Weg met de bohème bevat ook een uitgewerkte kunstopvatting, een pleidooi voor het onproblematische imiteren, een kritiek op alles wat naar het verhevene en de authenticiteit zweemt. Vooral het hoofdstuk "Kunst tegen kunst' is een mooi vertoog over de parasitaire verhouding van de antiburgerlijke kunst op de klassieke hofkunst. Het wekt wel de indruk dat het nooit goed is in de wereld van Guépin, maar dat wisten we al. Toch is het een mooi, erudiet stuk, waarvan we de bespreking in De Telegraaf met genoegen tegemoet zien.

Dat was eigenlijk wel wat met het meest trof in dit boek, de wijziging in Guépins opvatting van zijn publiek. In De beschaving heette het nog: “Het peil van dit boek mikt op de Nederlandse lezer.” Of het uit pijnlijke ervaringen dan wel uitgesproken voorkeur geschiedt is onduidelijk, maar bij het schrijven van zijn jongste boek stonden hem “de mensen voor ogen die elk jaar op dezelfde camping komen, die in het ziekenhuis hun eigen tv-programma willen volgen, die trots zijn op hun bezit, hun caravan, hun huis met mooie spullen en die het gevoel hebben dat ze uitgelachen worden door knappe intellectuelen (. . .).” Al die Nederlandse campings met rondslingerende exemplaren van Weg met de bohème, het wordt een mooie zomer.