Kohl in spagaathouding tussen Washington en Parijs; Bundesbank geeft gemengd signaal

BONN, 17 JULI. Hét buitenlands-politieke doel van kanselier Helmut Kohl is de verdere integratie van de Europese Gemeenschap. En, daarbinnen, van het "irreversibel' maken van de Europese integratie van Duitsland, dat als betaalmeester-van-dienst leeft, en moet zien te leven, in de gevaarlijke zuigkracht van het uiteengevallen Sovjet-rijk in Oost-Europa.

Dat grote doel in Europa moet Kohl zien te verwerkelijken zonder dat Washington, dat andere onmisbare Duitse anker, op (nog) grotere afstand raakt. Daarbij komt dat de Amerikaanse president Bush, de man die als geen ander Westelijk politicus hielp bij de totstandkoming van de Duitse eenheid, nu tot de nek in de economische problemen zit en moet vrezen dat hij in november niet wordt herkozen.

Kortom, sinds de Maastrichtse EG-top van december '91 moet de Duitse kanselier bij oplopende tegenwind in eigen land proberen een spagaathouding te bewaren tussen Washington en Parijs. Want zonder Parijs is de Europese integratie niet goed mogelijk, laat staan dat zonder president Mitterrand het Maastrichtse EMU- en EPU-avontuur mogelijk zou zijn geweest. Een avontuur dat Mitterrand op 20 september aan een riskant referendum van de Franse kiezers wil onderwerpen.

Het laatste wat Kohl in deze situatie kan willen is dat Duitsland zijn Franse buurman of zijn op economisch gebied tobbende angelsaksische vrienden in Londen en Washington zou irriteren. En dat er, bijvoorbeeld op monetair gebied, voor hen nog meer reden tot klagen zou ontstaan dan zij de afgelopen maanden al meenden te hebben.

Precies dát is gisteren nochtans gebeurd. De schuldige heet Helmut Schlesinger en is president, in feite: voor twee jaar overgangspaus, van de Bundesbank. Want de disconto-verhoging (tot 8,75 procent) die deze 67-jarige chef van de Duitse centrale bank gisteren afkondigde is behalve een bijna demonstratief gebaar van grote monetaire onafhankelijkheid jegens het politieke Bonn óók een signaal naar Washington, Parijs, Londen (en Rome en andere Zuideuropese hoofdsteden) dat men in Frankfurt echt géén concessies wil doen als het gaat om de stabiliteit van de D-mark. En dat zij allemaal, als het menens wordt, toch echt hun eigen boontjes moeten doppen, liefst net zo streng als volgens het Frankfurtse handboek gewenst is. Ja, dat anders misschien zelfs maar een verandering van de Europese wisselkoersen moet worden overwogen, al ontkende Schlesinger gisteren dat dát bedoeling van zijn maatregel was.

De Duitse inflatie (niet 2 maar 4 procent), de veel te sterk gezwollen geldhoeveelheid (met 9 procent in plaats van de helft), de "te dure' en tot ver in 1993 doorwerkende nieuwe CAO's van de afgelopen maanden, de ten minste tijdelijke riskante toestand van de Duitse overheidsfinanciën, de te ruime kredietverlening - het zijn voor Schlesinger en zijn Bundesbank evenzoveel gruwels. Dat die kredietverlening ook daardoor wordt aangemoedigd, namelijk in een zevende van alle gevallen, dat Bonn ze (voor de opbouw van Oost-Duitsland) hevig subsidieert, zodat “Frankfurt” hier enigszins dweilt met de kraan open, doet daaraan niet af.

James Baker, nu Amerikaans minister van buitenlandse zaken, destijds minister van financiën, typeerde Schlesinger ooit eens bitter als “starre monetarist die onder elke kiezelsteen een gevaar voor inflatie ziet”. Dat kan hij nu dan herhalen, ook al zal men zelfs in Washington wel inzien dat de stabiliteit van de mark als leidende munt in het Europees Monetair Stelsel (EMS) eigenlijk een zeer groot goed is. Zoals men zich elders, in Europese hoofdsteden, “achter” alle verbale klachten zal realiseren dat Schlesinger c.s. gisteren eigenlijk de noodzakelijke monetaire discipline een dienst hebben bewezen. Menigeen zal zich, dadelijk vooral ook in Duitsland zelf, óók afvragen of in het komende Europa van de EMU dergelijke demonstraties van monetaire onafhankelijkheid nog wel mogelijk zullen zijn.

Er zit wel iets moois in de volgehouden dwarsigheid van de Bundesbank en Schlesinger, een moeizaam formulerende Beierse provinciaal die al sinds 1952 bij de centrale bank werkt. Hij is een heel andere, stuggere, man dan zijn joyeuze, internationaal geverseerde, voorganger Karl Otto Pöhl, die monetair overigens niet minder streng was. Als de D-mark, en haar stabiliteit, te maken hebben met het ruggemerg van de Bondsrepubliek, met haar interne evenwicht ook, dan trekt Schlesinger zelfs aan hetzelfde touw als Kohl, zij het aan de binnenlandse kant. Nu de Bundesbank heeft afgezien van een verhoging van de voor het internationale geldverkeer belangrijkere Lombard-rente kan ook in dat opzicht trouwens best van een “gemengd signaal” worden gesproken.

Duitsland heeft Europa nodig, niet alleen als voornaamste exportgebied maar ook als politieke verankering. Europa ziet Duitsland niet alleen graag zo verankerd maar wil de D-mark, straks eventueel een overeenkomstig sterke Écu, liefst als een sterke spil-valuta bewaren. Zo gezien vullen de heren Kohl en Schlesinger elkaar in hun doelstellingen aan. De vraag is alleen wel of Kohls door acute zorgen geplaagde collega's, voorop de presidenten in Washington en Parijs, dat ook zo willen of kunnen zien.