In Angola zwijgen de wapens, maar vrede is er niet

NAIROBI, 17 JULI. In Angola is de oorlog ten einde maar van verzoening is nog geen sprake en met het naderen van verkiezingen proberen de Angolezen hun zenuwen in bedwang te houden. De overgangsperiode van het vorig jaar mei gesloten vredesakkoord naar vrije verkiezingen eind september dreigt spaak te lopen, zo waarschuwde de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties vorige week.

Bij die vrije verkiezingen maken in september bij gebrek aan een "derde macht' slechts twee partijen een kans: de nog immer antagonistische partijen Unita en MPLA die elkaar zestien jaar lang met de wapens hebben bevochten. De verkiezingsuitslag zal daarom tot nog meer polarisatie kunnen leiden.

Het staakt-het-vuren heeft, behalve in de olie-enclave Cabinda, redelijk standgehouden. De wegen zijn weer open, gebieden die na het uitbreken van de burgeroorlog in 1975 afgesloten waren kunnen weer worden betreden. Unita-leider Jonas Savimbi verklaarde eerder deze maand Jamba, de "rebellenhoofdstad' tijdens de oorlog, voor ieder toegankelijk.

De Zuidafrikanen, jarenlang de stimulerende kracht achter de Unita, worden inmiddels met open armen ontvangen in de hoofdstad Luanda. Ze doen er goede zaken met vertegenwoordigers van hun voormalige aartsvijand, het MPLA. Deze regeringspartij heeft de marxistisch-leninistische ideologie laten vallen en stimuleert nu het kapitalisme.

Er is veel veranderd in Angola, maar nog lang niet genoeg. De vijandschap tussen de Nationale Unie voor de Totale Onafhankelijkheid van Angola (Unita) van Jonas Savimbi en de Volksbeweging voor de Bevrijding van Angola (MPLA) van president José Eduardo dos Santos leeft voort. Beide partijen vuren modder op elkaar af met hun propagandamachines. Beide partijen beschuldigen elkaar van politieke moorden en intimidatie. Eerder deze week bijvoorbeeld werden vier Unita-aanhangers gearresteerd, onder wie een neef van Savimbi, omdat zij Daniel Chipenda, leider van de verkiezingscampagne van het MPLA, zouden hebben willen vermoorden.

Politieke moorden leiden niet tot vervolging, om de fragiele vrede niet te schaden. Volgens het vredesakkoord dienen alle belangrijke besluiten te worden genomen door de gemeenschappelijke politiek-militaire commissie, gevormd door Unita en MPLA. “Dit betekent dat iedere zijde haar veto kan uitspreken tegen maatregelen die mogelijk haar politieke belangen op korte termijn kunnen schaden”, concludeert Amnesty International. “Er bestaan weinig aanwijzingen dat er sprake is van een streven naar een toekomst waarin de rechten en vrijheden van de Angolezen beschermd zullen zijn.”

De 600 VN-waarnemers blijken niet in staat hun taak effectief te vervullen. Angola is vijf keer zo groot als Groot-Brittannië en telt ruim 10 miljoen inwoners. In 1989 zagen eveneens 600 VN-waarnemers toe op de verkiezingen in Namibië, waar nog geen twee miljoen mensen wonen. Het hoofd van het VN-waarnemersteam in Angola, Margaret Anstee, klaagde onlangs: “Ik moet een Boeing-747 vliegen met een hoeveelheid brandstof die voldoende is voor een DC-3”.

Nog vóór de verkiezingen dient er een nieuw nationaal leger van 50.000 man te zijn samengesteld uit het oude regeringsleger en de Unita; andere gewapende eenheden dienen te worden ontwapend. Op de vijftig door de VN bemande verzamelpunten in het land zijn pas 50.000 van de 70.000 Unita-strijders ontwapend, van het regeringsleger pas 130.000 van de 200.000 soldaten. Beide partijen zouden heimelijk troepen achter de hand houden voor een mogelijke verkiezingsnederlaag.

Het organiseren van verkiezingen in een land zo omvangrijk als Angola is onder de meest gunstige omstandigheden al een heidens karwei. In het huidige klimaat van diep onderling wantrouwen kunnen beschuldigingen over fraude gemakkelijk de aanleiding vormen voor nieuwe gewapende strijd. De voorbereidingen voor de verkiezingen lopen achter op het schema, mede omdat het MPLA een beroep doet op de overheidsstructuren ten behoeve van zijn eigen campagne.

Dertig politieke partijen hopen deel te nemen aan de verkiezingen. Door gebrek aan organisatie en financiën kon geen enkele partij zich ontwikkelen tot een derde macht. Vooral onder intellectuelen in Luanda leefde tot voor kort de hoop dat een sterke sociaal-democratische partij zowel Unita als MPLA zou kunnen afhouden van een absolute meerderheid in het parlement. “Deze twee partijen”, zei een leider van een kleine partij onlangs, “hebben het land vernietigd, Unita met de oorlog en MPLA met corruptie en arrogantie. Het volk is uitgeput en heeft vertrouwen in geen van beide. Maar de Unita ontving veel steun van Amerika en het MPLA beschikt over overheidsgelden. Hoe kunnen we daar tegenop?”

De presidents- en parlementsverkiezingen op 29 en 30 september dreigen op basis van stammenafkomst te worden beslist. Wanneer dat het geval is wint de Unita. Savimbi rekent op de steun van de Ovimbundu's, die 40 procent van de bevolking vormen, het MPLA op de Mbundu, 25 procent van de bevolking. Het MPLA is er meer dan de Unita in geslaagd steun te vergaren onder andere stammen.

Tegen het MPLA werken echter de grote verdeeldheid in de partij, wanbestuuur in de economie en corruptie. Maar ook tegen de Unita bestaan grote bezwaren. De autoritaire Savimbi boezemt velen angst in. De uiterst brute wijze van oorlogvoering - guerrillastrijders legden landmijnen op paden naar scholen en akkers - en de inmiddels bevestigde berichten over moorden op Savimbi's rivalen binnen de beweging doen vele Angolezen twijfelen aan het democratische karakter van de Unita. Twee prominent Unita-leden verlieten daarom onlangs de beweging en ook binnen het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken groeien de twijfels over de Unita. Bovendien dreigt Savimbi in zijn verkiezingscampagne “wraak te zullen nemen voor de doden”.

Over twee dingen zijn Unita en MPLA het eens: de afscheidingsbeweging in Cabinda dient te worden gestopt en de verkiezingen moeten op de afgesproken datum plaatsvinden. Met al zijn ernstige gebreken sleept het vredesproces zich dus voort.