Het leven amuseert zich; Prentjes van Jacques Prevert

André Heinrich: Album Jacques Prévert. Uitg. Gallimard, 446 blz. Prijs ƒ 31,95.

Dit is nu eens een multi-interpretabele foto. Het enige wat vaststaat is dat de schrijver Jacques Prévert en de schilder Pablo Picasso in april 1951 in Cannes op een bankje naar een fotograaf hebben zitten kijken. Ook kan met redelijke zekerheid worden gezegd dat Picasso hier een minzaam hoofd heeft. Maar hoe is het met Prévert? Kijkt hij vol ongeduld, de eeuwige Gauloise in een strakgetrokken mondhoek, omdat hij het poseren als een hinderlijke onderbreking beschouwt van een vrolijk samenzijn met zijn oude vriend? Is hij onder zijn geprononceerde wenkbrauwen eerder ironisch gestemd, vervuld van ongeloof over de woorden van de fotograaf, die misschien heeft gezegd dat deze opname historische waarde zal hebben? Of is dit gewoon het blasé-gezicht van iemand die al zo vaak is gefotografeerd?

Het laatste zou mij het minst verbazen. In het zojuist verschenen Album Jacques Prévert staan 601 illustraties. Daar zijn scènefoto's bij uit films die hij schreef, omslagen van bundels en bladmuziek en fascimilé-afdrukken van brieven en krabbels, maar op de meeste staat Prévert zelf afgebeeld. Hij had een ideaal schrijversleven voor een biografie in plaatjes - ideaal omdat hij actief was in schrijvers- en theatercollectieven en daarmee veelvuldig de publiciteit zocht, omdat hij zelf soms méé-figureerde en -acteerde, vaak omringd werd door beroemde vrienden en omdat hij (belangrijkst van al) intens betrokken was bij de vormgeving die zijn woorden ondersteunde. Een schrijver aan zijn bureau is voor zo'n iconographie niet interessant; alleen als hij naar buiten komt en gesticuleert, kan zijn leven in beelden worden gevangen. Pas nu realiseer ik me dat hij op al die foto's niet één keer zit te schrijven. Waar haalde hij de tijd vandaan?

Jacques Prévert (1900-1977) schreef ongelooflijk veel - en veel daarvan was ongelooflijk bruikbaar. In het personeelsregister van Le Bon Marché, waar hij als puber zijn eerste baantje had, staat dat hij werd ontslagen omdat hij een dromer en een plaaggeest was. Met die uitstekende schrijverskwaliteiten begon hij zijn carrière temidden van een vriendenkring in de opwindende jaren twintig, die vanzelfsprekend met het marxisme flirtte en alles even fascinerend vond: poëzie, film, fotografie, vormgeving, beeldende kunst en proza. Op één van de foto's uit die tijd ziet men Prévert figureren als cafébezoeker in l'Age d'Or van Buñuel. Zijn biografie valt zo samen met die van een hele kunstenaarsgeneratie. Miró en Picasso maakten vignetten voor bundels van Prévert. Hij schonk op zijn beurt een gedicht aan Joris Ivens, voor diens film La Seine a recontré Paris. De huwelijksacte van Yves Levi (dit Yves Montand) en Henriette Charlotte Simone Kaminker (dit Simone Signoret) werd gesigneerd door de getuigen Jacques Prévert, auteur, en Paul Roux, hotelier.

In de jaren dertig werd Prévert de belangrijkste en produktiefste filmscenarist van Frankrijk. Zijn beroemdste waren Les enfants du paradis en Le Quai des brumes, hoewel in beide gevallen de meeste eer naar regisseur Marcel Carné ging. Zelf werd hij pas echt een nationale figuur toen in 1946 zijn chansonbundel Paroles verscheen. In hetzelfde jaar zong Yves Montand in de film Les portes de la nuit een Prévert-liedje, dat aanvankelijk onopgemerkt bleef, maar snel uitgroeide tot een hit. Het heette Les feuilles mortes en toen in 1947 de bladmuziek verscheen, hadden al twaalf vocalisten het op hun repertoire.

Album Jacques Prévert is niet de plaats om een adequate indruk te krijgen van zijn werk. André Heinrich schreef tussen de prentjes door weinig meer dan een gedetailleerde opsomming van wat Prévert allemaal, soms maand voor maand, heeft gedaan - geen oordeel over de kwaliteit. Het was meestal licht, bedriegelijk licht. Hij hield niet van grote woorden, want die zijn vaak leeg. De kleine woorden die hij schreef, waren daarentegen vol betekenis. Met zinnetjes als La vie s'amuse/ la mort fait la ménage hield hij de balans tussen luchtigheid en zwaarte mooi in stand: enerzijds was het allemaal maar een spelletje, anderzijds moest er op een dag toch iets van betekenis zijn. Wie wilde, kon het tweede deel van de zin makkelijk over het hoofd zien.

Geheel in de geest van Prévert is het aan hem gewijde album een toonbeeld van speelse vrolijkheid. Dat komt alleen al door de omvang: honderden pagina's, maar ter grootte van een missaaltje, voorzien van een bijpassend bladwijzerlint en daarom een genot om ter hand te nemen.

Overigens vond ik de foto van Prévert en Picasso op een prentbriefkaart in het Cocteau-museumpje in Menton; hij is in deze bundel niet opgenomen. Wel drie andere foto's waar beide heren op staan - en die zijn óók prachtig.