H.E. Henkes, oogarts en verzamelaar van antiek glas, geëerd door Prins Bernhard Fonds; Als ik scherven vind, ga ik graven in mijn geheugen

“Archeologische kennis krijg je door je tastzin te ontwikkelen, door duizenden voorwerpen uit de grond te halen en in je vingers houden.” Dat zegt de emeritus hoogleraar in de Oogheelkunde prof dr H.E. Henkes; hij verzamelt en restaureert oud glas, en documenteert het gebruiksgoed bij museum Boymans-van Beuningen. Onlangs kreeg hij van het Prins Bernhard Fonds een Zilveren Anjer.

Eigenlijk ontstond zijn interesse bij toeval, toen hij in 1959 in een Israëlische bazaar "antiek' glaswerk kocht. Nep natuurlijk, dacht hij, zo goedkoop was het spul. Maar het glas bleek wel degelijk Romeins te zijn. Dit was het begin van een liefhebberij die de Rotterdamse emeritus hoogleraar in de Oogheelkunde prof dr H.E. Henkes (1918) voor glas- en gebruiksgoed koestert. Beperkte zijn interesse zich aanvankelijk tot het kopen en bestuderen van glas, later breidde deze zich uit. Henkes ging zelf opgravingen doen, restaureerde vondsten en publiceerde erover. Als vrijwilliger beschreef hij de collectie gebruiksgoed van museum Boymans-Van Beuningen. Op het moment werkt Henkes aan een handboek over glaswerk uit de periode tussen 1300 en 1800. Onlangs kreeg hij voor zijn "onverplichte culturele arbeid' van het Prins Bernhard Fonds een Zilveren Anjer uitgereikt.

“Glas is zoveel mooier dan aardewerk”, zegt Henkes als ik hem opzoek in zijn voormalige kanunniken-woning onder de rook van Pernis. “Vooral het zestiende- en zeventiende-eeuwse glaswerk kent een enorme verscheidenheid aan vormen, versieringen en kleurstellingen. Je hebt kelken en roemers van helder glas, ondoorzichtig melkglas, azuur-, kobalt- of heel donkerblauw glas. Er zijn glazen versierd met dieren, mensenfiguren, glasdraden, braamnoppen, doornnoppen, gladde noppen et cetera. Die variëteit tref je niet in een kookpot: die had zijn functie in de keuken, terwijl glas een luxe-artikel was.”

Omdat glas vroeger duur was, kom je het zelden in de grond tegen. Glas werd gerecycled, opgebruikt. Alleen als de vroegere gebruikers het per ongeluk in een water- of beerput lieten vallen, bestaat de kans dat een archeoloog tegenwoordig scherven opgraaft. Dit glas is doorgaans niet ouder dan vierhonderd jaar. “Glas verdwijnt in drassige grond, het valt uit elkaar, ook als je het zorgvuldig in vitrines opstelt en de vochtigheidsgraad van de lucht in de gaten houdt,” zegt Henkes en hij wijst op een vaasje dat door aantasting in de grond bedekt is met regenboogringen. “Kijk, mijn tijd dient het ding nog wel uit, maar in 2300 is het zeker weg.”

Tot voor kort ging Henkes ieder weekend met zijn vrouw op pad, gewapend met schop en krabbertje. Als lid van de Archeologische Werkgemeenschap zeefde hij geduldig de grond bij vindplaatsen in Delft, Haarlem, Boertange, en spitte hij de tuin rond zijn eigen huis om. “Dat is een van de opwindendste bezigheden. Uit een kist vol scherven komt altijd iets te voorschijn waar niemand op gerekend heeft. Ik ben verschrikkelijk nieuwsgierig. Het moment dat ik scherven of brokstukken vind, ga ik graven in mijn geheugen. Wat betekent die scherf? Van wat voor voorwerp is hij afkomstig? Door welke mensen werd het gebruikt? Onder welke omstandigheden leefden ze? Om die vragen te beantwoorden moet je veel lezen - niet alleen over glaskunst, maar ook over sociale geschiedenis en archeologie. Daarnaast moet je kijken en vooral voelen. Archeologische kennis krijg je door je tastzin te ontwikkelen, door duizenden voorwerpen uit de grond te halen en in je vingers te houden.” Het resultaat van Henkes' speurzin staat voor een deel op zolder in zijn privé-museumpje opgesteld. Een groot deel van de collectie is ook gekocht, bij particulieren en op veilingen in Nederland en Duitsland, waar een scherf rond de 75 gulden opbrengt. Met de reconstructie van voorwerpen is Henkes erg voorzichtig, want een reconstructie die niet optimaal is, komt niet ten voordele van het publiek en al helemaal niet aan het object. “Met kunsthars kun je wel kleine fragmenten opvullen, maar een beker die op een of twee scherven na is opgevuld met kunsthars, is lelijk. Ik heb het vroeger ook zelf gedaan, maar niet tot mijn tevredenheid.” Tegenwoordig gebruiken restaurateurs het (duurdere) plexiglas. De scherven worden op een transparent geraamte geplakt, zodat het lijkt alsof ze zweven. “Het voordeel van deze werkwijze is dat je het idee van het oorspronkelijke voorwerp behoudt, zonder de toeschouwer een kant-en-klaar beeld op te dringen.”

Archeologie is geen schatgraverij. Van "jongens met metaaldetectoren die op blootgelegde beerputten in stadsvernieuwingswijken afvliegen' moet Henkes niets weten. Het gaat hem niet om geldelijk gewin maar om het wetenschappelijk belang van zijn vindingen: om analyses en verklaringen. “Wat dat betreft is er weinig verschil met mijn vroegere beroep van oogheelkundige. Ik ging toen op dezelfde manier te werk als nu, heel gedisciplineerd. Er zijn mensen die graag verbanden leggen tussen mijn glasliefhebberij enerzijds en optiek of glazen ogen anderzijds. Daar heeft het echter niets mee van doen. Ik had net zo goed postzegels of tin kunnen verzamelen. Maar ik vond glas het mooist.”