EG meer geïnteresseerd in regels dan in contrôle

Driekwart van de Nederlandse beroepsbevolking behoort tot de wereldelite, de rest is ziek of arbeidsongeschikt. Om dat te verbeteren verdienen ook arbeidsomstandigheden meer aandacht. Aflevering 9: Europese regels.

ROTTERDAM, 17 JULI. Voor het maken van beschermingsmaskers moeten fabrikanten zich in heel Europa houden aan dezelfde voorschriften. Voor het dragen van veiligheidshelmen tijdens gevaarlijk werk gelden in heel Europa minimale veiligheidsvoorschriften. Ziedaar twee voorbeelden van de reikwijdte van Europese regelgeving over arbeidsomstandigheden.

Als het gaat over de veiligheid en gezondheid van werknemers dan zijn de EG-landen het over het algemeen betrekkelijk vlot met elkaar eens. Dit heeft de afgelopen decennia geresulteerd in tamelijk uitgebreide regelgeving op dit terrein. Een extra impuls gaf de Europese Akte van 1987, die het onder meer mogelijk maakte in de Europese Ministerraad richtlijnen voor arbeidsomstandigheden met gekwalificeerde meerderheid (in plaats van unanimiteit) aan te nemen.

Er is sprake van een soort tweesporenbeleid. Enerzijds vaardigt "Brussel' richtlijnen uit die betrekking hebben op de produktveiligheid voor de gebruikers. Deze voorschriften zijn bindend; de lidstaten moeten ze in hun nationale wetgeving vastleggen. Ze mogen de import van bijvoorbeeld beschermingsmaskers uit andere lidstaten niet tegenhouden met strengere (technische) voorschriften. In beginsel dient dit een economisch doel, namelijk het opheffen van handelsbelemmeringen, maar in de praktijk is er vaak een sociaal belang, arbeidsveiligheid, mee gediend.

Anderzijds kondigt "Brussel' richtlijnen af die betrekking hebben op de verbetering van het arbeidsmilieu. Hierbij gaat het om (eveneens bindende) minimumvoorschriften, bijvoorbeeld voor het dragen van veiligheidshelmen in de bouw. Hierbij mag de nationale regelgeving wel strenger uitvallen.

“Brussel bepaalt in toenemende mate de activiteiten van de nationale overheden op het gebied van de arbeidsomstandigheden. De nationale beleidsmarges worden allengs smaller”, zegt dr. H.G. de Gier, hoofd van de afdeling arbeidsomstandigheden-onderzoek van het Nederlands Instituut voor Preventieve Gezondheidszorg TNO in Leiden. Hij publiceerde vorig jaar een vergelijkend onderzoek naar de wijze waarop EG-lidstaten Europese richtlijnen omzetten in nationale regels.

De Giers onderzoek Arbeidsomstandighedenrecht in Europees perspectief had betrekking op een drietal richtlijnen (geluidsrichtlijn, kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid op het werk en machinerichtlijn), waarvan de implementatie werd bestudeerd in Denemarken, Duitsland, Engeland, Frankrijk en Nederland. Hij concludeerde dat er ondanks de toenemende invloed van "Brussel' onderlinge nuance-verschillen blijven. Nederland zou daarbij een middenpositie innemen tussen aan de ene kant Denemarken en Engeland, die zo weinig mogelijk willen vastleggen in wettelijke voorschriften, en aan de andere kant Duitsland en Frankrijk, die opteren voor een strikt formele aanpak.

Jaarlijks worden in de Europese Gemeenschap 4,5 miljoen bedrijfsongevallen gerapporteerd, waarvan 8.000 met dodelijke afloop. Ze kosten de sociale verzekeringskassen om en nabij de 46 miljard gulden. Reden voor de Raad van Ministers van sociale zaken 1992 uit te roepen tot het "Europese Jaar voor de veiligheid en gezondheid op het werk'. De bijbehorende informatie-campagne richt zich vooral op werknemers in de sectoren met de meeste ongelukken: bouw, landbouw, mijnbouw en visserij en het midden- en kleinbedrijf. Daarnaast gaat speciale aandacht uit naar werkende jongeren en leerlingen in het beroepsonderwijs.

De eerste Europese richtlijn over veiligheid en gezondheid van werknemers dateert uit 1977. Zij gaat over maatregelen op en rondom de werkplek, zoals signalering, materiaal voor eerste hulp, nooduitgangen en evacuatiewegen. Latere richtlijnen hadden betrekking op risico's van zware ongevallen bij industriële activiteiten (de zogenoemde Seveso-richtlijn) en de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan lawaai of bepaalde stoffen (asbest, lood, kankerverwekkers). In totaal gaat het inmiddels om ruim dertig richtlijnen, die van kracht danwel in voorbereiding zijn.

Op 1 januari 1993 worden enkele nieuwe richtlijnen van kracht. De belangrijkste is de genoemde kaderrichtlijn, een soort paraplu waaronder bestaande en toekomstige regels met elkaar in verband worden gebracht. Zij verplicht werkgevers allerlei maatregelen te treffen ter bevordering van de veiligheid en gezondheid van de werknemers.

Op onderdelen gaat deze kaderrichtlijn verder dan de Nederlandse Arbowet, die daarom momenteel wordt aangepast. Voor grote ondernemingen verandert er niet zoveel, maar met name voor het midden- en kleinbedrijf zijn de gevolgen aanzienlijk. Zo moeten werkgevers na 1 januari de arbeidsrisico's in hun organisaties systematisch inventariseren, evalueren en documenteren. Bovendien moeten ze zich voorzien van voldoende deskundige ondersteuning om die risico's te voorkomen of te beperken. Afhankelijk van de situatie kan het gaan om een of meer deskundigen, zoals bedrijfsartsen, veiligheidsdeskundigen, ergonomen, verpleegkundigen en andere "arbo-deskundigen'.

In het verlengde van deze kaderrichtlijn staan bijzondere richtlijnen op stapel over arbeidsplaatsen (met gedetailleerde minimum-voorschriften ter bevordering van de veiligheid en de hygiëne op werkplekken) en over arbeidsmiddelen (met minimum-voorschriften over de beveiliging van alle op de werkplek te gebruiken machines, apparaten, gereedschappen en installaties). Ook lichamelijk zwaar werk en beeldschermwerk (om de twee uur een kwartiertje pauzeren) zullen met Europese regelgeving worden omkleed.

Veiligheid en gezondheid op het werk zijn door "Brussel' geleidelijk opgerekt, zegt De Gier. “Daardoor is de politieke gevoeligheid toegenomen en de aanvankelijke consensus afgenomen.” Zie bijvoorbeeld de weigering van Groot-Brittannië het Europees Sociaal Handvest te ratificeren en de afwijzing door Denemarken van de Acte van Maastricht. Andere illustraties zijn de uiterst moeizame gang van zaken met de Europese voorstellen over de bescherming van zwangere werknemers en over werk- en rusttijden. Telkens wortelen de bezwaren in dezelfde voedingsbodem: Gaat de EG-bemoeizucht langzamerhand niet te ver?

“Het tempo van regelgeving over veiligheid en gezondheid lag de afgelopen jaren behoorlijk hoog. Dat zal nu wel afzwakken. De aandacht verschuift meer en meer naar uitvoering en handhaving. Daar was tot dusver vrij weinig belangstelling voor, maar je kunt nog zulke fraaie regels opstellen, als ze niet worden nageleefd heb je er weinig aan.” Ook juristen zullen bedrijven nopen tot een actievere opstelling, voorspelt De Gier, want net als in de Verenigde Staten zullen zij in Europa meer gespitst raken op risico-aansprakelijkheid (in plaats van schuldaansprakelijkheid) bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, waardoor zij schadeclaims gemakkelijker kunnen binnenhalen.