De uitgepuurde vuurkern van ons nationalisme

Willem Elsschot, “onze grootste schrijver sinds Multatuli” (Karel van het Reve), vervaardigde daarnaast van tijd tot tijd een gedicht. “En al wie een beetje Nederlands kent, en zich aan iets zoals gedichten interesseert, wordt dan wakker” (Louis Paul Boon). Elsschot heeft twee politieke gedichten op zijn naam staan. Het eerste schreef hij in 1934. Dat ging over Marinus van der Lubbe, die werd beschuldigd van het in de brand steken van de Duitse Rijksdag en na een showproces door de nazi's is onthoofd. Tot Elsschots woede en verontwaardiging: “Jongen, met je wankel hoofd / aan de beul vooruit beloofd, / toen je daar je lot verbeidde / stond ik weenend aan je zijde.” Het tweede gedicht schreef hij in 1947. Dat ging over August Borms, beschuldigd van collaboratie met de nazi's en na een showproces gefusilleerd. Tot Elsschots verontwaardiging en woede: “Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend, / maar dat gij Neerlands vaan manmoedig hebt gediend / dat weet ik niettemin zoals 't een ieder weet / die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.”

Hij wilde het gedicht opdragen aan zijn jonge vriend Louis Paul Boon. Die bedankte voor de eer, hoffelijk maar resoluut. “Mijn hart zwelt. Ik zie uw "Verzamelde Verzen', en daarin mijn naam. Beseft ge, beste vriend, dat honderden om zoiets hun ziel zouden verkopen? Ja, ik heb dat gedicht over Borms gelezen. Gij durft tegen heel de wereld stroom op te roeien. Gij hebt moed. Dat is zeer mooi van u. Maar besef tevens dat door de schuld van de Bormsen zovelen mijner vrienden gestorven zijn in Dachau, in Breendonk, in Buchenwald. Ik wil uw gedicht, aan de mens Borms, onderschrijven. Ik wil het niet aan het symbool Borms: Ik heb door de trawanten van dat symbool genoeg vrienden weten neerkogelen. Ziedaar de dingen die ik u in mijn grootste oprechtheid zeg.”

Het was uit met de vriendschap. Dank zij zijn poëtische solidariteitsverklaring met August Borms was Elsschot van de ene dag op de andere de risee van heel vooruitstrevend Vlaanderen.

Borms was, bij leven en welzijn, “de uitgepuurde vuurkern van ons nationalisme”, zegt Karel Dillen, bezuiden Wuustweezel al jarenlang het boegbeeld van alles wat fout en verkeerd is. Zoals een deel der Vlamingen helaas met de verkeerde middelen streed (en strijdt) voor een per definitie goede zaak: de emancipatie van de Nederlandssprekenden tégen het hooghartige Franssprekende deel der natie. Ook Borms koos daarvoor in zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog de verkeerde bondgenoot, waarvoor hij tot tweemaal toe ter dood werd veroordeeld. De tweede keer werd het vonnis daadwerkelijk voltrokken. De geëxcuteerde avanceerde tot volksheld, voor zover hij dat al niet was. “Borms, uw beulen zijn de beulen / van uw Vlaanderen, het mijn. / Wie met staat en baat kan heulen / kan voor God geen Vlaming zijn. / Staat met de daad, / wreekt uw genoot. / Wat Wals is vals is: slaat dood!” (René de Clercq). Er zijn inderdaad ook heel wat slechte gedichten over Borms geschreven; politiek activisme leidt zelden tot grote poëzie.

Behalve dat ene, excellente vers van de anticlericale vrijdenker Willem Elsschot, die het in alle opzichten met zijn "vermetele oude vriend' oneens was, maar niettemin waardering had voor diens strijd tegen de oppermachtige franskiljons. Zie Elsschots onverbeterlijke opstel over "De toestand der Vlamingen', vlak na Wereldoorlog I verschenen in de Nieuwe Rotterdamse Courant. “Sedert de Belgen hun eigen pot weer koken is de toestand der Vlamingen er niet beter op geworden”, constateerde de schrijver. “Vóór de oorlog was een Vlaming slechts een sukkelaar zonder meer, omdat hij geen Frans kende, of een gek omdat hij 't wél kende en tóch van die kennis in 't publiek geen gebruik maakte. In een café een triple-sec of een fles champagne in 't Vlaams bestellen, dat was eenvoudig monsterachtig en de kelners keken dan de centen uit je zak vóór dat ze zo'n dure consumptie uit handen gaven aan een vent die geen Frans kende.”

Elsschots mening over Borms had de noblesse van de principiële Einzelgänger, die niet in stromingen, laat staan in partijen denkt. De Vlaams-nationale leider, vond hij, had ongetwijfeld een dwaalweg bewandeld, niettemin was het een schoftenstreek om, ter herbevestiging van de franskiljonse suprematie, een zieke, kreupele grijsaard de kogel te geven. Dus schreef Elsschot zijn onverschrokken gedicht over het tragische einde van deze "met pest geslagen krukkenvent' waarmee deze "spontane godloochenaar, bedaarde heiden, satansvriend en anarchist' (Ida de Ridder, Elsschots jongste dochter in het weekblad "Markant') vrijwild werd voor al zijn vijanden, de clericalen op kop. “De publicatie sloeg in als een bom, rondom "de dader' ontstond een leegte”, constateert Ida de Ridder. “Allen lieten hem vallen, de prijsuitdelers en de prijsontvangers, de plaatsjesjagers en de plaatsbezorgers.” Het Vlaams rechts-extremisme haalde Elsschot daarentegen victoriekraaiend binnen als een geestverwant, een feit dat de schrijver óók niet vrolijk stemde. Wilde Elsschot werkelijk niets van de "zwarten' weten, zoals zijn dochter beweert? Onzin, zegt het rechts-radicale weekblad 't Pallieterke, een paar weken geleden. Waarom bezocht de schrijver dan steevast het Rubenshof op de Antwerpse Groenplaats? “Dat gasthof werd immers voor het grootste deel bezocht door "zwarten', terwijl de ondertussen overleden eigenaar aan het Oostfront was geweest als oorlogsverslaggever.” Waarschijnlijk om boven een "Germaanse krachtvleesschotel' (Echt, dit gerecht heeft daar jarenlang op het menu gestaan) aan zijn Bormsgedicht te vijlen, hetzelfde gedicht waardoor hij zichzelf, in zijn oprechtheid en onafhankelijkheid, zo ernstig in diskrediet heeft gebracht.

Toen Simon Carmiggelt Elsschot in maart 1948 voor het eerst ontmoette gewaagde zijn Vlaamse collega van een vers dat hij recentelijk had gemaakt. Wilde Carmiggelt het wellicht horen? Elsschot reciteerde het gedicht, uit het hoofd, simpel, met door ontroering verstikte stem. “Uw gratie lag gereed voor 't buigen van uw nek / voor 't beven van uw lip, voor 't eten van uw drek. / Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd / en noch uw dierbaar volk, noch uwe naam onteerd.” Het is het laatste wat Willem Elsschot, dertien jaar voor zijn dood, geschreven heeft, verbitterd over het onbegrip van de linksen, verbijsterd door de annexatiedrift van de rechtsen.