De televisie bloedt; De Golfoorlog, stillevens en zonsopgangen in Londen

Een jaarlijkse tentoonstelling waarop Karel Appel vrijwillig naast een Rotterdamse havenschilder hangt en Stanley Brouwn naast Ans Markus, is in Nederland ondenkbaar. In Engeland niet. Op de 224ste zomertentoonstel- ling van de Royal Academy hangen verschrikkelijke schilderijen van zonsopgangen en huisdieren, maar ook werk van Richard Long en David Hockney. Carel Blotkamp is vooral tevreden over de pop art-kunstenaar Richard Hamilton, aan wie de Tate Gallery nu een expositie wijdt. “Hamiltons werk heeft een moraliserende ondertoon, sterker dan gebruikelijk in de pop art.”

Royal Academy Summer Exhibition, Burlington House, Piccadilly. T/m 15 augustus. Ma t/m zo 10-18 uur.

Richard Hamilton, Tate Gallery, Millbank. T/m 6 september. Ma t/m za 10-17.50, zo 14-17.50 uur.

Manet: The Execution of Maximilian. Painting, politics and censorship, National Gallery, Trafalgar Square. T/m 27 september. Ma t/m za 10-18, zo 14-18 uur.

De eerste zaal is een soort erezaal, herinner ik me van vorige gelegenheden, waar tussen de Engelsen op strategische plaatsen enkele buitenlandse eregasten zijn ondergebracht. De groene rechthoek met aangehechte oranje cirkelsector tegen de achterwand is onmiskenbaar een schilderij van Ellsworth Kelly. En nummer 7 in het midden van de linkerwand? Dat is moeilijker. In een roodbruin veld zijn witte silhouetten van dieren uitgespaard. Maar dan zie ik aan de bovenrand, heel donker, de gevouwen benen van een figuur in lotuszit. Zo'n vleugje verre oosten, dat moet Clemente zijn. Het bijna abstracte stadsgezicht links ervan is van Vieira da Silva, de grand old lady van de École de Paris. Ze is kort geleden gestorven, daarom is bij haar schilderij niet alleen een nummer maar ook een naamkaartje geplaatst: The late Vieira da Silva Hon RA.

Wat kan ik nog meer herkennen? Een paar grote kleuretsen van Tàpies. Een ijzeren beeld van Chillida. Een schilderij van Allen Jones. Een werk van Richard Long, een blad met de gedrukte tekst ”Two stones. A stone's throw from the Irish Sea to a stone's throw from the North Sea. A four day walk of 122 miles crossing the Lake District and The Pennines. Whitehaven to Hartlepool. England 1991'.

Meer moeite heb ik met het zeer grote schilderij dat in het midden van de rechterwand hangt en dus wel van een buitenlandse gast zal zijn. Uit de vrije hand zijn kleurige vlekken als bollen wol op het doek aangebracht. Er overheen lopen horizontaal en vertikaal twee brede zwarte sporen, letterlijk sporen: de afdrukken van profielzolen staan in de verf. Het schilderij doet me denken aan werk van Ernst Wilhelm Nay uit de vroege jaren vijftig, maar dat kan natuurlijk niet op deze tentoonstelling van recent werk. Ik raadpleeg de catalogus en heb even een gevoel van schaamte over het falen van mijn warenkennis. Nummer 23 is Der junge Ritter (The Young Knight) van Georg Baselitz.

Exclusief

Ik bezoek de Summer Exhibition van de Royal Academy of Arts in Londen. Dit is de 224ste aflevering. Sinds 1768 is ze zonder een enkele onderbreking jaarlijks gehouden, ongetwijfeld een record in de geschiedenis van het tentoonstellen van kunst.

Aan de Royal Academy is een opleiding verbonden, maar het is toch in de eerste plaats een kunstenaarsvereniging, die nog vrijwel hetzelfde exclusieve karakter en dezelfde hechte hiërarchische structuur heeft als in de achttiende eeuw, met een president (de eerste was Sir Joshua Reynolds) en trustees, enkele tientallen academicians en senior academicians, tien honorary academicians (beroemde buitenlandse kunstenaars, onder wie Balthus, Johns, De Kooning, Tàpies en tot voor kort ook Vieira da Silva), honorary members en honorary fellows, deze laatste categorieën gevormd door kunstlievende leden, onder wie Lord Carrington, Sir Ernst Gombrich en Dame Iris Murdoch.

Of er sprake is van een bloeiend verenigingsleven achter de gevels van het deftige Burlington House aan Piccadilly betwijfel ik. Voor de buitenwacht fungeert het gewoon als een tentoonstellingsgebouw. De Royal Academy heeft verreweg het meest prestigieuze tentoonstellingsprogramma van Londen, zeker op het gebied van oude kunst, impressionisme en klassieke moderne kunst. In de zomer echter is het gebouw voor de academicians zelf en voor de schilders, beeldhouwers, grafici en architecten die gebruik maken van de gelegenheid om vrij in te zenden voor de Summer Exhibition.

Het zijn er dit jaar, zoals ieder jaar, vele honderden. Tezamen tonen zij 1736 werken, variërend van etsjes ter grootte van een duim tot sculpturen van acht meter hoogte, alles ondergebracht in veertien zalen. Dat lukte het hanging committee alleen doordat het in enkele zalen de wanden van lambrizering tot plafond bedekte met een mozaïek van kleine formaten. De Small south room, een zaaltje van hooguit vijf bij zes meter, bevat zo'n 250 miniaturen, in de wat grotere Gallery IX vonden 310 nummers een plaats: hung by Peter Blake RA wordt op de persfoto met trots vermeld.

Het is inderdaad een prestatie, en nog wonderbaarlijker is dat ook van werken in de bovenste rijen er verscheidene verkocht zijn, getuige de rode stippen. Zonder verrekijker valt er niets van te zien. Overigens leert de catalogus dat in deze volgepropte zalen nauwelijks iets van academicians hangt. Misschien maken de leden van de Royal Academy forsere kunst, of worden ze bij het hangen toch met iets meer reverentie behandeld. Ze zijn in ieder geval met meer werken per persoon vertegenwoordigd dan de meeste niet-leden.

De Royal Academy Summer Exhibition wordt druk bezocht. Veel bezoekers lopen rond met de grasgroene catalogus die geraadpleegd wordt bij elk nummer dat hun aandacht trekt. Er is heel veel verkocht. Bij de grafiek bij voorbeeld is soms een oplage van veertig volledig uitverkocht, maar ook bij de duurdere schilderijen en beelden wemelt het van de rode stippen. Engelse kranten besteden er veel aandacht aan, al is de kritiek vaak niet mals. Time Out vat het aanbod aldus samen: “Here are all the familiar genres: from knicker-up-the-bum bronzes (-) to dessicated portraits, to several hundred awful paintings of pots, pets, misty mornings over Horsham and so forth. The odd interesting works fight a losing battle in this company.”

Een genot kan een bezoek aan de tentoonstelling inderdaad niet genoemd worden, maar boeiend en intrigerend is het wel, zeker voor buitenlanders. Zo'n instituut bestaat niet buiten Engeland. Stel je in ons land een vergelijkbare situatie voor: een jaarlijkse tentoonstelling waar Karel Appel naast een Rotterdamse havenschilder hangt, Stanley Brouwn tussen Sierk Schröder en Ans Markus, en dat geheel vrijwillig, op basis van eigen inzending. Het is ondenkbaar.

Pop art

De Summer Exhibition is niet representatief voor de huidige staat van de Engelse kunst. Daarvoor ontbreken te veel goede kunstenaars, zeker van de jongere generatie. Maar wel kom je er veel namen tegen die uit een nabij of verder verleden bekend zijn, en zo krijg je een indruk wat er van hen is geworden: de Engelse pop-kunstenaars bij voorbeeld, die in de jaren zestig internationaal furore maakten en min of meer op één lijn werden gesteld met hun Amerikaanse collega's. Ook in ons land kregen ze destijds grote eenmanstentoonstellingen en werk van Blake, Hamilton, Hockney, Jones, Kitaj, Paolozzi en Tilson werd gekocht door de musea van Rotterdam, Amsterdam, Den Haag en Eindhoven. De pop art als beweging is een hoofdstuk in de kunstgeschiedenis geworden, zij het geen vergeten hoofdstuk, getuige onder andere de grote tentoonstelling verleden jaar in Londen, Keulen en Madrid. De hernieuwde belangstelling heeft ongetwijfeld te maken met de rol van de massamedia en het gebruik van massaprodukten in de huidige kunst.

Hoe het de Engelse pop-kunstenaars individueel is vergaan, wat zij nu maken, valt op de Summer Exhibition aan de hand van enkele werken te beoordelen. Erg opwekkend is het niet wat zij, inmiddels bijna allemaal academicians geworden en in het geval van Paolozzi zelfs Sir, laten zien.

Allen Jones maakt lelijke helgekleurde schilderijen met opwindend bedoelde voorstellingen, Tilson wezenloze abstracte composities met Griekse letters. Nu waren dat altijd al zwakke broeders. Maar ook Paolozzi weet niets beters te brengen dan lompe ”gecomputeriseerde' hoofden en figuren, en van Kitaj, vroeger een goede schilder, hangt er een saai schilderij met een bovenaanzicht van een barbecue-party. Het is niet verwonderlijk dat je buiten Engeland weinig meer ziet of hoort van deze generatie, met uitzondering natuurlijk van de zeer populaire David Hockney, en van Richard Hamilton, de aartsvader en vanouds verreweg de meest interessante representant van de Engelse pop art.

Richard Hamilton

Aan hen beiden besteedt de Tate Gallery deze zomer aandacht. Van Hockney hangen zeven grote schilderijen uit eigen bezit bijeen in een aparte zaal. Aan Hamilton, die begin dit jaar zeventig is geworden, is een hele tentoonstelling gewijd. Het is geen plichtmatig eerbetoon. De zorgvuldig samengestelde overzichtstentoonstelling gaat vergezeld van een even gedegen catalogus waarin Hamilton een sleutelfiguur in de naoorlogse Engelse kunst wordt genoemd en waarin wordt benadrukt dat zijn betekenis veel verder reikt dan zijn stimulerende rol in de ontwikkeling van de pop art. Hij heeft in zijn kunst niet alleen een iconografie van het moderne leven geschapen maar zich ook willen meten met de traditie. Hamilton wordt gepresenteerd als een klassiek meester.

Dat is wel terecht. Hamiltons werk is complex en is dat altijd geweest, zeker in vergelijking met de vaak nogal simplistische beelden die andere pop-kunstenaars produceerden. In dit opzicht is hij de Engelse evenknie van Jasper Johns, met wie hij een aan verering grenzende bewondering voor Marcel Duchamp deelt. In hun beider werk wordt diens erfenis veelvuldig aangesproken, zowel wat betreft zijn beeldwereld en de technische realisering ervan als zijn intellectualistische beschouwingswijze. Maar Hamilton is meer pop-kunstenaar dan Johns. Hij gaat veel gretiger in op de moderne beeldcultuur, waarvan hij met een kameleontisch gemak en grote virtuositeit stijlclichés overneemt, om er beelden mee te scheppen die de in die beeldcultuur verborgen mythen, begeerten en machtsmiddelen blootleggen; en soms kritiseren.

Er is een zekere moraliserende ondertoon in Hamiltons werk, sterker dan gebruikelijk in de pop art, die in het algemeen een nogal positief wereldbeeld vertoont. Hamilton veroorlooft zich een scala van reacties, van geamuseerd of mild ironisch tot bijtend sarcastisch. Dat laatste bleek al in de jaren zestig, toen hij met zijn Portrait of Hugh Gaitskell as a Famous Monster of Filmland de leider van Labour hekelde wegens diens harde opstelling ten gunste van nucleaire bewapening. Op de tentoonstelling in de Tate Gallery hangen twee grote figuurstukken uit de jaren tachtig van respectievelijk een IRA-gevangene en een vertegenwoordiger van een militante protestantse groepering in Noord-Ierland, terwijl het meest recente schilderij, War Games, de oorlog in Koeweit en Irak als mediagebeurtenis behandelt. Het is me wat te platvloers (rode verf die als bloed uit het televisietoestel druipt) maar de andere genoemde schilderijen met een politieke lading overtuigen wel degelijk en ze voegen een dimensie toe aan het werk van een kunstenaar die kennelijk chroniqueur van zijn tijd wil zijn naar het beproefde negentiende-eeuwse model, met een koel analytisch oog en toch met betrokkenheid: zeg maar zoals Manet.

Executie

Toeval of voorzienigheid, parallel aan de Hamilton-tentoonstelling vindt in de National Gallery in Londen een tentoonstelling plaats die is gewijd aan Manet als schilder van onderwerpen uit het politieke leven van zijn tijd, waarin de drie versies van zijn Executie van Maximiliaan centraal staan. Voor Manet waren dergelijke schilderijen even vanzelfsprekend en noodzakelijk in zijn conceptie van het moderne kunstenaarschap als zijn Parijse straatgezichten en zomertuinen, zijn paardenrennen, naakten en stillevens van bloemen of asperges. In die verschillende onderwerpen ging hij tevens de confrontatie aan met bewonderde meesters uit het verleden zoals Velazquez, Hals en Chardin.

Hamiltons ambities zijn vergelijkbaar en al is hij zeker niet van Manets ontzagwekkende statuur, hij reikt naar mijn idee toch tamelijk hoog. Hij geeft in zijn werk een panorama van het moderne leven en bedient zich met groot raffinement van uiteenlopende beeldmiddelen, waaronder de meest geavanceerde computertechniek op het gebied van het combineren en manipuleren van beelden. Tegelijkertijd houdt hij de eeuwenoude traditie van de verschillende schilderkunstige genres, landschap, stilleven, (zelf)portret, interieur, in ere en voegt daar zijn eigenzinnige visie aan toe. Veel pop art mag nu de indruk wekken ”modern passé' te zijn, Hamiltons werk heeft zich staande gehouden en het lijkt me ook voor een jongere generatie kunstenaars inspirerend en stimulerend. Dankzij de complexiteit en gelaagdheid ervan opent het zich voor nieuwe interpretaties.