Acteurs zijn geen wisselpaarden; De falende toneelvoorzieningen in de provincie

Sinds vier jaar worden in de regionale theatersteden Arnhem, Eindhoven en Groningen geen hechte toneelgezelschappen meer gesubsidieerd. In plaats daarvan zijn er de "toneelvoorzieningen' gekomen: kleinere organisaties die telkens andere regisseurs en acteurs de mogelijkheid geven om voorstellingen te maken. Het nieuwe systeem is onzalig: de acteurs zijn te weinig op elkaar ingespeeld, het publiek krijgt geen band met de toneelgroep, en een bezuiniging is het ook niet. Moeten de toneelvoorzieningen weer worden afgeschaft?

Het contrast tussen theater in de drie grote steden en dat in de regio is groot. De gezelschappen in de Randstad, Toneelgroep Amsterdam, het Ro-Theater en het Nationale Toneel uit Den Haag, krijgen de kans zichzelf te profileren. In Groningen, Arnhem en Eindhoven ontstaat elke voorstelling telkens weer uit het niets.

Toen aan het eind van het seizoen 1987-'88 de toneelgroepen Globe in Eindhoven en Theater in Arnhem werden opgeheven, besloot de minister op advies van de Raad voor de Kunst daar geen hechte ensembles meer te subsidiëren, omdat het culturele klimaat er zou ontbreken. In plaats daarvan kwamen er de zogenaamde toneelvoorzieningen.

Een kleine organisatie van artistieke en zakelijke leiding, techniek en publiciteit werd niet zelf verantwoordelijk gesteld voor de produkties. Wel zou ze de voorwaarden moeten scheppen voor regisseurs en acteurs om voorstellingen uit te brengen. Met elke nieuwe voorstelling trad een gastregisseur aan, die met eigen acteurs en vaak met zijn eigen decorontwerper kwam.

Het idee is niet nieuw. In de jaren zestig speelde regisseur en leider van Studio, Kees van Iersel, met de gedachte om de bestaande en verstarde gezelschappen op te heffen en te werken met een zogenaamde "pool' van acteurs en regisseurs.

In de tijd dat er aan oude normen en aan grote gezelschappen werd getornd, kan ik me het voorstel van Van Iersel goed indenken. Hij was uit op vernieuwing en daarbij paste de introductie van nog onbekende auteurs en regisseurs. Halverwege de jaren tachtig kreeg het idee van een "toneelmakerspool' echter vastere contouren. Het bleek, achteraf, niet alleen door idealisme ingegeven, ook door financiële overwegingen. Door de opheffing van Globe en Theater kwam tien miljoen gulden vrij; zoveel hebben de opvolgers, respectievelijk het Zuidelijk Toneel en Theater van het Oosten, nooit gekregen. Daarmee begon de afkalving van de subsidie voor de regio.

De "toneelvoorziening', feitelijk nog maar vier jaar oud, blijkt een onding. Het is de onzalige erfenis van het eerste Kunstenplan.

De voorziening kost bij voorbeeld helemaal niet minder geld. Door de ingewikkelde structuur is er zelfs meer geld mee gemoeid. Grootste manco is dat de drie toneelvoorzieningen in het land geen eigen ensemble kunnen vormen. Het Noord Nederlands Toneel uit Groningen, het Arnhemse Theater van het Oosten en het Zuidelijk Toneel in Eindhoven kregen aanvankelijk van de Raad voor de Kunst het bevel dat ze zich niet mochten toeleggen op het creëren van een eigen gezelschap, dat betekent: geen jaarcontracten voor de acteurs. Het is dus een va et vient van alle betrokkenen, die na een repeteer- en speelperiode van zo'n drie tot vier maanden verdwijnen. De leegte die ontstaat wordt weliswaar opgevuld door een nieuwe cast en daarna nog een, tot het seizoen voorbij is - maar de blijvende waarde die deze regisseurs en acteurs in de drie regionale theatersteden hebben achtergelaten is gering; hun sporen zijn snel uitgewist.

Ondoorzichtig

Er school nog een addertje onder het gras bij de oprichting van de voorzieningen. Er zou in Nederland te weinig talent zijn om de in totaal zes repertoiregezelschappen die dit land rijk is te rechtvaardigen, wat zou blijken uit het teruglopende aantal bezoekers. Daarom moest de provincie het stellen met de voorziening als tussenoplossing.

“Er wordt te veel toneel gemaakt,” is een opmerking die vaak is te horen. Eigenlijk wordt ermee bedoeld: het aanbod is ondoorzichtig, het schort aan groepen die een eigen publiek hebben verworven. Een affiche van het vroegere Globe in de vitrines van de schouwburg zorgde toen voor volle zalen. Zo waren ook Baal en het Werktheater herkenbaar. Het publiek moet bij de ene voorstelling al nieuwsgierig zijn naar de volgende. Anders blijft het thuis wegens gebrek aan een band met het gezelschap.

Agaath Witteman van Theater van het Oosten verwijst naar Ariane Mnouchkine als het gaat om de verwezenlijking van haar ideaal: “Alleen wanneer je met een vaste kern van acteurs door dalen en langs diepten bent gegaan, kun je eens die ene wonderschone voorstelling maken. Dat kost een paar jaar. Als artistiek leider moet je veel aandacht besteden aan het opvangen van nieuwe acteurs die uit alle windstreken komen. De repetities duren daarom langer. Bovendien kun je niet met de ene voorstelling verder bouwen op waar je met de vorige was gebleven. Je komt nauwelijks verder dan het eerste stadium van eenheid van speelstijl. En dan het geld. Ik heb geen casting director, ik zoek mijn eigen acteurs. Dat werven is een tijdrovende en kostbare bezigheid. In feite ben ik constant in touw om de mensen te vinden die in onze voorstellingen gaan spelen. Ik stuur aan op een eigen gezelschap. Dat hoeft niet echt groot te zijn, zo'n negen acteurs. Daarop kun je terugvallen. Met hen maak je dan bij voorbeeld een herdenkingsavond op 4 mei.”

De stad Arnhem heeft nauwelijks profijt van het bestaan van de voorziening. De meeste acteurs komen uit Amsterdam. Ze stappen voor café Cox in de flank van de Amsterdamse Stadsschouwburg in de bus, reizen naar Arnhem of naar een van de schouwburgen in het oosten en belanden vervolgens met dezelfde bus na middernacht weer in Amsterdam. De tijd is voorbij dat acteurs en regisseurs zich metterdaad vestigden in Arnhem, zoals Hans Croiset bij Theater, of Gerardjan Rijnders bij Globe in Eindhoven. Het westen trekt, de laatste jaren ook vanwege het financiële gewin dat bij de televisie valt te halen.

Voor Evert de Jager, artistiek leider van het Noord Nederlands Toneel, heeft het streven naar een ensemble eveneens prioriteit. Het openbreken van de vaste gezelschapsstructuur werkt nadelig voor de continuïteit van het repertoire. Elke keer opnieuw moeten de artistieke leiders van een voorziening "kleine gemeenschapjes' samenstellen, omdat acteurs nu eenmaal sterker spelen wanneer ze aan elkaar gewaagd zijn. “Acteren is een eenzaam beroep,” aldus De Jager. “Acteurs zoeken troost in het repertoire, de regisseurs, de andere acteurs. Door het systeem van de voorzieningen vallen ze na de reeks voorstellingen weer terug op zichzelf. Alleen een ensemble kan die vicieuze cirkel doorbreken.”

Fabel

Het woord "voorziening' herinnert de uit Vlaanderen afkomstige regisseur Ivo van Hove, artistiek leider van het Zuidelijk Toneel, aan een hospitaal. Toch is hij optimistisch, niet omdat hij het fenomeen van de voorziening een warm hart toedraagt - integendeel - maar omdat hij zich niets heeft aangetrokken van de gestelde eisen. Voor hem behoort het Zuidelijk Toneel tot de grote ensembles van het land. Van Hove: “Het is een fabel dat uitsluitend voorzieningen met gastregisseurs en -acteurs werken. Bij alle gezelschappen zien we gastacteurs, van wie een aantal bewust free-lance is. Er zijn ook mensen die zich niet willen binden. Acteurs werken graag met nieuwe regisseurs, want dat kan hun ontwikkeling sturen. Op het ogenblik kan ik uit zo'n twintig, dertig acteurs putten. Uiteindelijk wil ik een kern vormen van zes tot acht spelers. Dat is weliswaar geen ensemble. Maar eromheen creëer ik een constellatie van spelers en regisseurs, zodat op den duur het eigen gezicht van het Zuidelijk Toneel ontstaat.

“Wat pijn doet is dat er hier geen respect bestaat voor het theater. Iets is nauwelijks van de grond gekomen, of het wordt afgebrand. Toneel is onvoorspelbaar. De subsidiënten lijden aan het syndroom van de Negende Symfonie. Wie naar de concertzaal gaat waar dit muziekstuk op het programma staat, hoort altijd iets dat nauwelijks verschilt van andere uitvoeringen. Bij toneel is dat onmogelijk. Het is tegelijk de geheime kracht ervan. Ga naar een Hamlet of Drie zusters, en het kan je overkomen dat er iets heel anders op de speelvloer gebeurt dan je je voorstelde. Niemand had verwacht dat Het begeren onder de olmen of Thyestes appelleerden aan de gevoeligheid van een groot publiek. In Nederland heerst de treurigheid van de portemonnee. Mislukt iets, dan word je afgeschoten. Toch wacht ik heus niet op de minister die ons beoordeelt, dat doen we zelf. Ik stel mijn programma samen door extreme speelstijlen tegenover elkaar te stellen, bij voorbeeld exuberantie naast psychologische inleving. Op een dergelijke manier ontstaat het repertoire vanzelf.”

Voor gezelschappen buiten de Randstad zorgt de opdracht "regionaal' geworteld te zijn voortdurend voor verwarring. Naast de binding met de provincie moeten voorstellingen door een voorziening van landelijke kwaliteit zijn. Wat is de maatstaf? Is dat Toneelgroep Amsterdam of het Nationale Toneel? Liever geen van beide. De oplossing is simpel. Schaf de voorzieningen af en laat ensembles daarvoor in de plaats komen. Gun de drie nieuwe gezelschappen die op deze manier ontstaan de tijd om zich een plaats te verwerven in het culturele leven van Groningen, Arnhem en Eindhoven. Laat hen niet telkens opnieuw het wiel uitvinden en beschouw acteurs niet als wisselpaarden. Op den duur, misschien al na een enkel seizoen, krijgt het gezelschap een eigen gezicht. Het toeschouwersaantal trekt aan, want de herkenbaarheid is verhoogd.

Er gaat op die manier weer rumoer uit van de regio: “Kijk, daar is iets gaande!” Het is een kwestie van vertrouwen en een kwestie van tijd.