Vuistloze vakbond op retour in de VS

Stakingen komen weinig meer voor in de Verenigde Staten, want werknemers bereiken er zelden succes mee. In nog maar enkele Amerikaanse industrieën gelden vakbonden als serieuze gesprekspartners. De ooit zo machtige organisaties zijn op hun retour.

Na een werkonderbreking van twintig maanden zijn de werknemers van Ravenswood Aluminum Co. in Ravenswood, Virginia, deze maand weer aan het werk gegaan. “Op 1 november 1990 verbood de directie de vakbondsleden toegang tot de fabriek wegens een conflict over de lonen”, vertelt Dick Fontana van de vakbond United Steel Workers (USW) in Washington. “Het bedrijf nam vervolgens voor honderd procent vervangers aan, niet-vakbondsleden uiteraard. Pas in april, toen directeur Emmett Boyle vertrok en werd opgevolgd door William Hampshire, zijn de onderhandelingen heropend. Alle vervangers zijn inmiddels weer ontslagen.”

Fontana beschouwt het als “een van de grootste successen uit de geschiedenis van de vakbond in de Verenigde Staten”. Ravenswood was namelijk niet verplicht de vervangers weg te sturen. Amerikaanse bedrijven mogen in geval van een staking vervangende werknemers aannemen, die niet hoeven te vertrekken als de staking voorbij is. De stakers kunnen niet worden ontslagen, maar ze kunnen hun plaats pas weer claimen als de vervanger opstapt.

Het succes van de Steelworkers is een uitzondering in het huidige Amerikaanse arbeidsbestel. Het ledenbestand van de vakbonden is sterk gedaald, en daarmee hun invloed. En de staking heeft als machtsmiddel aan belang ingeboet doordat in veel sectoren van de industrie de bereidheid ontbreekt om het te gebruiken. Het succes ervan is immers allesbehalve verzekerd door de dreigende mogelijkheid van permanente vervanging.

Sinds de Wagner Labor Relations Act uit 1935 is staken door werknemers in de Amerikaanse industrie een gerechtvaardigd middel om invloed uit te oefenen. Maar onder invloed van de recessie in die zelfde jaren kwam het Hooggerchtshof in 1938 tot de nuance dat stakers wèl mogen worden vervangen. Ondanks die tegenslag bleef de vakbond sterk, mede door de hoge organisatiegraad. Het laatste decennium is echter, door daling van het aantal leden en steeds veelvuldiger vervanging van stakers - of dreiging ermee - de klad in de macht van de bonden gekomen.

De 89 vakbonden die zijn aangesloten bij de American Federation of Labor and Congress of Industrial Organizations (AFL-CIO) hebben nu samen ongeveer 19 miljoen leden, 16 procent van de Amerikaanse beroepsbevolking. Halverwege de jaren vijftig lag dat percentage meer dan twee keer zo hoog.

Fontana van de USW is het niet eens met de uitspraak dat de vakbonden macht verliezen. Hij vindt het voorbeeld van Ravenswood sprekend genoeg. Maar Paul C. Weiler, hoogleraar arbeidsrecht aan de Harvard Law School, vindt Fontana's optimisme misplaatst. “Het is een incident, een voorbeeld van een staking die effect heeft gehad. Wie het slagveld van arbeidsverhoudingen overziet, moet helaas vaststellen dat de bonden aan de verliezende hand zijn. Helaas, zeg ik erbij”, aldus Weiler. De USW is overigens nog wel een van de sterkste bonden, erkent Weiler, samen met de United Auto Workers (UAW), en kon daarom een vuist maken.

Pag.12: De tanende macht van de oude vakbonden in de Verenigde Staten; De Honkbalbond heeft nog behoorlijk wat bereikt voor zijn leden

De vakbond kwam als belangenorganisatie van werknemers in de massa-industrie op in de jaren twintig. In de VS kende de vakbond zijn eerste bloeitijd in de jaren dertig toen het aantal leden tussen 1933 en 1941 verdrievoudigde tot 9 miljoen. In de jaren vijftig bereikte de macht van de bonden een hoogtepunt en ontstonden de vorm en de werkwijze die de organisaties tot op heden hanteren. Kenmerkend is vooral het systeem van onderhandelen over arbeidsvoorwaarden, het zogeheten pattern bargaining. Met een bedrijf in een bepaalde sector, bij voorbeeld autoproducent General Motors (GM), wordt een arbeidsovereenkomst gesloten die uitgangspunt is in de onderhandelingen met de branchegenoten Ford en Chrysler. Het bereiken van een arbeidsovereenkomst in één sector kan ook weer invloed hebben op de onderhandelingen in een andere sector.

Bonden in de VS richten zich traditioneel veel sterker op de "enge' belangenbehartiging van hun leden dan in Europa het geval is. Het belang van een bedrijf of de economie in het algemeen zal de doorsnee Amerikaanse vakbond een zorg zijn; het gaat om de leden en hun portemonnee. Ook de samenstelling van het ledenbestand is eenduidiger: het is bijna ondenkbaar dat iemand op managementniveau lid zou zijn van de bond.

Waar de bonden vroeger in allerlei takken van industrie een vuist konden maken, is nu alleen nog in de auto- en machine-industrie het aantal leden groot genoeg om gewicht in de schaal te leggen en te kunnen dreigen met een effectieve staking. Het verval begon in de jaren zestig, met de opkomst van de dienstensector - waarin vakbonden altijd al slecht vertegenwoordigd waren - en de automatisering, waardoor een staking niet meer per definitie een bedrijf lamlegde.

In 1969 werden in de Verenigde Staten 412 stakingen uitgeroepen, waarbij ruim anderhalf miljoen werknemers waren betrokken. In 1990 ging het nog slechts om veertig stakingen en 392.000 betrokken werknemers.

Veel Amerikanen hebben een afkeer van vakbonden, die vaak worden geassocieerd met harde stakingen, intimidatiemethoden en banden met de georganiseerde misdaad. Van de laatste zeven leiders van de Teamsters, de vakbond van vrachtwagenchauffeurs, kwamen er drie in de gevangenis terecht wegens belastingontduiking, omkoping van rechtbankjury's en fraude. Een vierde verschafte de maffia toegang tot de gelden van het pensioenfonds. En de vorige knoeide met de offertes voor het drukken van het ledenblad, om zijn schoonzoon de order te verschaffen. Zestig procent van de Amerikanen vond enkele jaren geleden desgevraagd dat “vakbonden te machtig waren en dat hun macht beperkt moest worden bij de wet”.

Op dat moment hadden de bonden al harde klappen gekregen. Uiterst kritiek was 1981 toen Reagan 10.000 stakende luchtverkeersleiders ontsloeg en permanent verving. Ze waren aangesloten bij de vakbond Air Traffic Controllers die, als niet-industriële bond, niet mocht staken. De boodschap was ook duidelijk voor stakingsgerechtigde vakbonden: de regering laat zich weinig gelegen liggen aan dwarse werknemers. Overigens was dat dezelfde Reagan die in die tijd in Polen pleitte voor de oprichting van vrije vakbonden.

Het wapen van de permanente vervanging van stakers - mogelijk sinds 1938, maar tot dan zelden toegepast - is sindsdien vaker gebruikt. Candice Johnson van de vakcentrale AFL-CIO, in een poging die kentering te verklaren: “Misschien had men tot die tijd nog een besef van fatsoen”.

Bekende voorbeelden van het aannemen van vervangers in de jaren tachtig zijn het busbedrijf Greyhound en koperverwerkingsbedrijf Phelps Dodge. Eerder dit jaar dreigde de directie van machinefabrikant Caterpillar ermee, toen ruim tienduizend werknemers vijf maanden staakten. Zonder dat de UAW, de vakbond van de Caterpillar-werknemers, duidelijk winst had geboekt, was het dreigement voldoende om iedereen weer aan het werk te krijgen. De onderhandelingen duren voort.

Harvard-hoogleraar Weiler bevestigt dat het stakingswapen bijna waardeloos is geworden. Op dit moment ligt er een wetsontwerp dat het aannemen van permanente vervangers verbiedt, maar dat de vakbonden weinig soelaas biedt. Het zou een kleine stap zijn in de verbetering van de rechten van de werknemer. Weiler: “Het zit hem in de term "permanente'; vervangers aannemen blijft gewoon mogelijk.” Het wetsontwerp, dat het Huis van Afgevaardigden al is gepasseerd, zal het niet halen in de Senaat. “Er is een meerderheid nodig van zestig man en die steun wordt niet gehaald.”

Bekend is overigens ook al dat Bush er zijn veto over zou uitspreken. “Bush staat nu eenmaal aan de kant van de werkgevers”, aldus Candice Johnson van de AFL-CIO. “Als Bill Clinton tot president wordt gekozen, verwachten we dat het wetsontwerp het volgend jaar haalt.”

Onlangs leidde een staking van de betrekkelijke kleine Machinist's Union ertoe dat de spoorwegmaatschappijen vrijwel al het treinverkeer in de VS stillegden. De staking betrof slechts één van de veertig spoorwegmaatschappijen en was dus op zichzelf vrij onschuldig, maar de werkgevers zetten bewust al het treinverkeer stil om overheidsingrijpen af te dwingen. De aldus ontstane "noodsituatie' liet het Congres binnen een dag een wet aannemen die iedereen weer aan het werk dwong. Die wet schreef zogeheten base ball-arbitrage voor. Dat houdt in dat beide partijen een vertegenwoordiger naar voren schuiven die samen een derde kiezen. Gedrieën zoeken ze de "meest redelijke' van de oplossingen die de partijen in het conflict aanbieden.

Mark Filipovic, woordvoerder van de Machinist's Union noemt het Congres-besluit “belachelijk en opportunistisch. Overheidsingrijpen is vaker gebeurd in de geschiedenis”, zegt hij, “maar dit is de eerste keer dat zulke arbitrage is voorgeschreven”. Als de president deze arbitrage-overeenkomst ondertekent, is zij bindend. Alleen als hij niet tekent, is staken nog toegestaan. Filipovic: “Dergelijke methoden schaden het stakingsrecht en dus de rechten van de georganiseerde werknemer”.

Weiler wijst erop dat de ingreep tegen de machinisten een wat uitzonderlijke maatregel was. Werknemers in het lucht- en railtransport hebben namelijk een aparte positie in de arbeidswetgeving, omdat stakingen in die sectoren volgens de Amerikaanse wetgever andere branches te veel schade berokkenen.

Werkgevers hebben ook andere methoden om de bonden te ontkrachten. Ze kunnen bij voorbeeld union busters inhuren, advocaten die zich toeleggen op controverses met vakbonden, zoals computerfabrikant NCR Corporation doet. Intimidatie, uiteenlopend van een indringend gesprek met een vakbondslid tot een "onschuldige' vraag hoe een sollicitant denkt over vakbonden, kan ook tot de praktijk behoren.

Een bedrijf waarvan werknemers zich willen aansluiten bij een vakbond, kan overgaan tot ontslag een of meer initiatiefnemers. Dat is niet toegestaan, maar procederen tegen de behandeling (unfair labor practice) neemt al snel zes tot acht jaar in beslag, vertelt Candice Johnson van de AFL-CIO. Ze geeft als voorbeeld de gang van zaken bij Seattle First National Bank, waarbij het pas na dertien jaar lukte werknemers te organiseren met behoud van hun baan.

Volgend jaar wordt belangrijk voor de Amerikaanse vakbonden. In september 1993 loopt het driejarig contract af tussen de grote autofabrikanten Chrysler, Ford en General Motors (GM) en hun werknemers, die vrijwel allemaal zijn aangesloten bij de UAW. Of de Grote Drie het contract verlengen, is twijfelachtig nu ze met verlies opereren. De langdurige UAW-staking bij Caterpillar, die nog niets heeft opgeleverd, heeft een precedent geschapen dat de onderhandelingen zou kunnen bemoeilijken.

John Maciarz van GM legt uit hoe dat contract er nu uitziet, en dan met name voor de 74.000 werknemers die moeten vertrekken wegens bezuinigingen. Wie het laatst in dienst in gekomen, moet het eerst weg, enzovoorts. Ze behouden 95 procent van het laatste salaris. Een deel betaalt de staat, het grootste deel komt voor rekening van de werkgever. Dit geldt voor een periode van 36 weken, als ze nog geen andere baan hebben. Na die periode worden de werknemers weer in dienst genomen en volledig doorbetaald.

De kosten van deze voorziening zijn aan een maximum gebonden. General Motors bij voorbeeld heeft voor de lopende periode van drie jaar 3,35 miljard dollar uitgetrokken. Bij zo'n bedrag rijst de vraag of de afvloeiingsmaatregel GM voldoende financiële speelruimte verschaft. Maciarz waagt zich niet aan een voorspelling hoe hard de onderhandelingen volgend jaar zullen zijn.

Voor de UAW, dat sinds 1976 zijn ledenaantal gehalveerd zag, staat er heel wat op het spel. De fabrieken van de Grote Drie behoren tot de laatste vakbondsbolwerken. In de Amerikaanse vestigingen van de Japanse automakers is slechts tien procent van de werknemers lid van een bond.

De tanende macht van de vakbonden heeft de vorming van alternatieve organisaties van werknemers gestimuleerd. De nieuwere organisatievormen zijn vaak kleinschaliger en gericht op samenwerking met de werkgever. De meeste betrokkenen willen het woord union niet gebruiken of horen. Het wordt aangeduid als "het U-woord'.

Echte alternatieven voor vakbonden zijn het niet, meent Candice Johnson, omdat ze zich beperken tot belangbehartiging binnen het bedrijf en een marginale positie innemen. In reactie op die nieuwe organisaties oriënteren de traditionele bonden zich niettemin ook op flexibeler vormen van samenwerking binnen bedrijven en vergroting van de betrokkenheid van werknemers.

In zijn boek Governing the Workplace stelt Paul Weiler voor om in de VS naar Duits model in elk bedrijf een Works Council ("Betriebsrat') te vormen, vergelijkbaar met de ondernemingsraad in Nederland. Dat is volgens hem een noodzakelijke schakel tussen de vakbonden en de ondernemers. Johnson ziet meer in verbetering van de huidige wetgeving om de rechten van werknemers te waarborgen.

Hoelang de vakbonden in de VS het nog zullen uitzingen, kan Weiler niet aangeven. Niet elke bond is namelijk machteloos gebleken. De honkbalbond bij voorbeeld heeft de afgelopen vijfentwintig jaar nog behoorlijk wat bereikt voor zijn leden. Ruben Sierra van de Texas Rangers bewees dat onlangs nog eens. Via zijn bond sleepte hij, na arbitrage, 5 miljoen dollar salaris in de wacht. Zijn werkgever had niet meer dan 3,8 miljoen willen betalen.