Veel blunders bij blussen van brand in batterij-opslag

ROTTERDAM, 16 JULI. Tekort aan brandslangen, slangen die bezwijken onder de wielen van vrachtwagens, een haperende dompelpomp en gebrek aan perslucht dan wel zuurstof. Bij de bestrijding van de mysterieuze brand in de opslagplaats voor chemisch afval (C2-deponie) op de Maasvlakte, vrijdagochtend 17 april, is er heel wat mis gegaan.

Dat blijkt uit een artikel in het blad Brand & Brandweer, waarin R. Taal, hoofd preventie van het Rotterdamse brandweerkorps, verslag doet van de gebeurtenissen op die dag. Taal, die bij de operatie als hoofdofficier van dienst optrad, kan ook niet verklaren hoe een vracht van 4.000 oude batterijen, die zogenaamd niet kon branden, toch vlam vatte (“De vermoedelijke oorzaak”, schrijft hij, “is broei”), maar duidelijk is wel dat het vuur een hardnekkig karakter had. De Afvalverwerking Rijnmond (AVR), die de deponie beheert, heeft nog wekenlang kleine brandjes moest blussen.

Hoe alles in zijn werk ging en wat er allemaal fout ging - zo valt Taals nabeschouwing samen te vatten. Na het eerste alarm om 6.35 uur kwam een tankautospuit voor zogenoemd brandgerucht in actie. Deze was om 7.05 uur ter plaatse. “Een lange aanrijdtijd”, aldus Taal, “die werd veroorzaakt door de grote afstand tussen de kazerne in Rozenburg en de Maasvlakte.”

Doordat er niemand van de AVR aanwezig bleek te zijn, was tot 8.30 uur onduidelijk wat in de loods lag. Taal: “De brand ontwikkelde zich heel traag, de rookproduktie was vrij constant. Hierdoor en doordat er geen gevaarlijke stoffen vrijkwamen en nog steeds onbekend was welke stoffen er in brand stonden, werd besloten te wachten met het bestrijden van de brand totdat de bedrijfsleider van de C2-deponie aanwezig was.”

Inmiddels bleek de bluswatervoorziening ter plekke zeer beperkt. Men besloot water te onttrekken aan de haven (afstand drie kilometer). Hiertoe werd om 8.31 uur het zogenoemd grootschalig watertransport gealarmeerd. De dichtsbijzijnde units stonden in Brielle. Om 11.15 uur was de watervoorziening opgebouwd en kon het blussen beginnen.

“Dat heeft langer geduur dan noodzakelijk was”, schrijft Taal. “Dat kwam omdat bij de aanvraag om het grootschalig watertransport niet vermeld was dat met ademlucht uitgerukt moest worden en dat er circa drie kilometer slangen meegenomen moesten worden. Hierdoor kwam de brandweer Brielle zonder ademlucht bij de afzetting aan de Europaweg en moest ademlucht aangevoerd worden vanuit Brielle. Rotterdam kon geen ademlucht beschikbaar stellen, omdat Rotterdam werkt met de Dräger integraal helm en Brielle niet. De Rotterdamse gelaatsstukken kunnen alleen maar gebruikt worden in combinatie met de Dräger helm.”

Vervolgens bleek de Brielse brandweer slechts één kilometer bij zich te hebben (“Het ophalen van de wissellaadbak met vier km. zesduims-slang kostte uiteraard extra tijd”) en dat de dompelpomp niet goed werkte. Taal voegt er laconiek aan toe: “De inmiddels in de Hartelhaven gearriveerde Havendienst heeft toen de watervoorziening overgenomen.”

Toen om 11.15 het blussen kon beginnen, zijn eerst op aanwijzing van AVR-deskundigen de daken boven de deponie weggeschoven. Na opening bleken er drie brandhaarden te zijn. Een explosieve verbranding bleef achterwege. Vrij snel daarop werd de rook aanzienlijk minder. Om 12.20 uur was de brand meester en konden de afzettingen worden opgeheven.

Maar daarmee waren de problemen nog niet ten einde. “Toen de afzetting was opgeheven”, aldus Taal, “bleek dat de slangebruggen van het grootschalig watertransport niet bestand waren tegen de zware containervoertuigen die naar het containerbedrijf ECT gingen. Verschillende zesduimers zijn toen gesneuveld. Er zat niets anders op dan het vrachtverkeer weer stop te zetten.”

Ook aan de rol van de pers rond de brand wijdt Taal ettelijka alinea's in zijn nabetrachting. “Terugkijkend op de berichtgeving”, schrijft hij, “kan worden gesteld dat het heel lastig is de pers gerust te stellen. Zij blijken eenvoudig niet te willen geloven dat een brand in chemisch afval onschuldig kan zijn. Bovendien deden de vele brandweervoertuigen die bij het incident waren ingezet (circa twintig) en die gedurende bijna de gehele ochtend met zwaailicht en sirene naar de Maasvlakte reden, het ergste vermoeden.”