Servische politiek is zelf debet aan slecht imago in de wereld

Toen de bekende Servische schrijver en nationalist Dobrica Cosic tot president van Joegoslavië werd gekozen, kondigde hij een propagandacampagne aan om de wereld de waarheid over Servië te vertellen. Want de hele wereld heeft zich tegen Servië gekeerd, en daaruit trekt Cosic maar één conclusie: wij moeten onze politiek beter verkopen. Alsof die politiek de enig mogelijke is. Het (betrekkelijke) succes van de Kroatische, Sloveense, Bosnische en zelfs Albanese diplomatie wordt in Belgrado verklaard uit een jarenlange, dure propagandacampagne om Servië zwart te maken.

Inderdaad worden de Servische argumenten niet vaak gehoord. Daarom zijn twee artikelen die kortgeleden in Nederland werden gepubliceerd, buitengewoon belangrijk. Het eerste, Isolement van Servië is geen oplossing (NRC Handelsblad, 25 juni), was geschreven door een gerenommeerd journalist en uitgesproken criticus van het huidige bewind in Belgrado, Slavko Curuvija. Het tweede, Het Westen sluit de ogen voor de rampspoed van Servië (de Volkskrant, 29 juni) was van de Servische socioloog Svetozar Stojanovic, die onder meer adviseur is van de nieuwe president Cosic.

Curuvija toont zich een fel tegenstander van de VN-sancties tegen Servië en Montenegro, die hij "onmenselijk' noemt. Hij beweert dat het isoleren van Servië geen oplossing is. Dat is juist; het was vanaf het begin duidelijk dat het bewind in Belgrado zich niets zou aantrekken van de sancties. De betekenis van de VN-sancties is vooral dat er een ernstige waarschuwing wordt gegeven. Maar de sancties onmenselijk te noemen, terwijl Serviërs steden en dorpen belegeren en beschieten en de inwoners verdrijven of vermoorden, is een omkering van de werkelijkheid. Onmenselijk is het beleid van de regering van Milosevic, dat daartoe heeft geleid.

Geklaag over dertig liter benzine per maand in Servië doet ook vreemd aan, als Servische vliegtuigen en tanks Sarajevo en Dubrovnik kunnen bombarderen en beschieten: hoezo gebrek aan benzine? En als er in Servië gebrek aan voedsel en medicijnen is, is dat een gevolg van de keuzes die de regering in Belgrado heeft gemaakt. Want voedsel en medicijnen vallen niet onder de sancties, maar er is geen geld voor - omdat de oorlog ook geld kost. Het is verschrikkelijk dat elf Servische baby's gestorven zijn aan een tekort aan zuurstof; maar hoeveel andere baby's zijn er gewond, verminkt of doodgeschoten in een oorlog, waarvoor het bewind in Belgrado in eerste plaats verantwoordelijk is (en niet de wereldgemeenschap die tot sancties besloot omdat dat het laatste geweldloze middel is waarover zij beschikt)?

In beide artikelen wordt de inmenging van het Westen gekritiseerd, en de bemiddelaars krijgen zelfs de schuld van de escalatie van de oorlog. Maar waarom is het Westen dan zo unaniem anti-Servisch? Is die politiek opzettelijk anti-Servisch omdat ze is ingegeven door onwetendheid, kwaadaardigheid of eigenbelang? Daarover wordt uitvoerig in de Servische media gespeculeerd, maar blijkbaar is nog niemand op de simpele gedachte gekomen dat de huidige Servische politiek daarvoor de enige reden is.

Stojanovic schrijft: “Bij de beslissing het verbrokkelen van Joegoslavië te ondersteunen raakte het Westen verstrikt in paradoxen; enerzijds wakkerde het dit desintegratieproces aan en beriep het zich op het recht van de volkeren op zelfbeschikking; anderzijds hield het evenwel vast aan het behoud van de bestaande interne grenzen in Joegoslavië.” Het recht op zelfbeschikking wordt echter juist in Servië zo gedefinieerd dat het een paradox oplevert. Servië gaat ervan uit dat het eenderde van de Serviërs die buiten Servië wonen, in Servië moeten worden opgenomen. Eenderde deel van de bevolking van het huidige Servië is echter niet-Servisch, maar heeft volgens de officiële Servische politiek niet het recht op zelfbeschikking dat wèl voor Serviërs buiten Servië wordt geclaimd. De Albanezen en Hongaren in Servië bijvoorbeeld krijgen dat recht niet, omdat zij behoren tot volkeren die hun recht op zelfbeschikking al in Albanië en Hongarije hebben gerealiseerd. Maar wat gebeurt er als Albanië of Hongarije (volgens Servisch recept) ook alle Albanezen of Hongaren in één staat willen verenigen? Bovendien hanteren de Servische nationalistische ideologen verschillende criteria: waar Serviërs in de minderheid zijn, zoals in Kosovo, beroepen ze zich op "historische rechten', want Kosovo was de bakermat van de Servische staat.

Het Servische bezwaar tegen erkenning van de vroegere "binnengrenzen' omdat die grenzen louter administratief zijn, is evenmin houdbaar. Er bestaan geen "absoluut rechtvaardige grenzen', zoals Servische ideologen suggereren. Alle grenzen zijn administratief, en alle grenzen kunnen omstreden worden. Serviërs hebben alle recht de bestaande grenzen te betwisten. Maar dat kunnen anderen ook; en dat kan er toe leiden dat Servië Sandzak (met veel moslims), Vojvodina (met veel Hongaren) en Kosovo (met een grote Albanese meerderheid) verliest. Niemand in Servië is tot nog toe in staat geweest deze paradoxen in de Servische politiek bevredigend te verklaren.

Stojanovic schrijft ook: “Verandering van de interne grenzen in Joegoslavië zou immers een gevaarlijk precedent kunnen scheppen - met mogelijkerwijs apocalyptische gevolgen in de voormalige Sovjet-Unie. Zelfs als dit waar zou zijn, dan zou Servië niet moeten worden bestraft, maar op vriendelijke manier ervan moeten worden overtuigd dat het dit offer moet brengen.” Voorlopig is dat een hoogtepunt in politieke hypocrisie. Milosevic verklaarde de voorstellen voor een vreedzame oplossing tijdens de Haagse vredesconferentie onaanvaardbaar, omdat hij dan zou hebben ingestemd met de autonomie van Kosovo en Vojvodina. Want om de territoriale autonomie van Serviërs in Kroatië te realiseren, zou Servië dan regels moeten accepteren waarop ook de Albanezen in Kosovo zich zouden kunnen beroepen, en dat was nooit de bedoeling geweest.

Milosevic koos daarmee voor oorlog, omdat hij alleen door een militaire overwinning zijn wil aan alle anderen kon opleggen. Voor de door Stojanovic bepleite "vriendelijke overtuiging' was dan ook nooit ruimte, en daarom is zijn opmerking hypocriet - nog gezwegen over de methodes die Milosevic' bewind gebruikt tegen iedereen die het met de Servische politiek niet eens is.

Curuvija schrijft dat in het oog van wereld Servië de agressor is, en dat vindt hij niet een juist beeld van de werkelijkheid omdat - naar hij zegt - Kroatische strijdkrachten Herzegovina vernietigen en moslims verantwoordelijk zijn voor de gevechten in Sarajevo. Natuurlijk gebruiken Kroaten en moslims ook geweld. Maar hun aandeel in de schuld voor de burgeroorlog kan nooit gelijkgesteld worden met dat van Servië.

Bovendien hebben de Kroaten van het begin af samengewerkt met de Europese bemiddelaars, en waren ze bereid al hun voorstellen in te willigen. Dat heeft de Kroatische president Tudjman in de Servische pers zelfs de betiteling "Westerse marionet' bezorgd. Servië heeft echter elk compromis als verraad aan de nationalistische idealen van de hand gewezen, en heeft voor oorlog gekozen. Die oorlog verloopt voor Servië succesvol en zal daarom voorlopig ook niet ophouden. In Kroatië is vrijwel alle grondgebied veroverd dat later zal worden ingelijfd, en in Bosnië-Herzegovina is dat nu al bijna het geval.

Ten slotte: Curuvija schrijft dat de Serviërs nu als de slechteriken worden beschreven: “Er is een stereotype bedacht waaraan niemand iets kan veranderen.” Maar als de Servische politici hun politiek veranderen, dan zal dat stereotype snel veranderen; dan zal een eind komen aan de heersende negatieve publieke opinie over Servië. Pas dan kunnen ook de talloze problemen in de andere republieken worden aangepakt, zoals Tudjmans absolutisme en de politieke farce die in Kroatië democratie wordt genoemd.

Maar eerst moet het geweld ophouden: en daarover kunnen tot nu toe alleen de Servische politici beslissen. Zolang de oorlog voortduurt, blijven zij slechteriken.