Schaduw van Vichy-tijdperk blijft Frankrijk achtervolgen

PARIJS, 16 JULI. Het is vandaag op de dag af vijftig jaar geleden dat Franse politiemannen in de Franse hoofdstad de eerste grote razzia onder joden hielden. Op de avond van de 17de juli waren 12.884 joden, van wie 4.000 kinderen, meest vluchtelingen uit Duitsland, Oostenrijk, Polen, Rusland en Tsjechoslowakije, gearresteerd. Achtduizend werden samengebracht in een overdekte wielerbaan, het Vélodrome d'Hiver. Vandaar werden ze afgevoerd naar de vernietigingskampen van de nazi's. Vanavond worden ze herdacht.

De "rafle du Vel'd'Hiv' is een van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis van het Vichy-regime, de met Hitler collaborerende Franse regering in het toen nog onbezette deel van Frankrijk, met aan het hoofd de destijds al bejaarde maarschalk Philippe Pétain, de held van de slag van Verdun uit de Eerste Wereldoorlog. Bij deze razzia werkte de regering van Vichy nauw samen met de Duitse bezetter: zonder de medewerking van 4.500 Franse politieagenten zou het oppakken van zovele duizenden mensen niet mogelijk zijn geweest.

President François Mitterrand legt vanavond een krans tijdens een bijeenkomst ter herdenking van het drama van "Vel'd'Hiv'. De president willigde daarmee een verzoek in van het herdenkingscomité. Maar een ander verzoek die het comité in een petitie aan het richtte, liet hij onbeantwoord. De president onthield zich van het gevraagde plechtige initiatief om - voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis van Frankrijk - officieel te erkennen “dat de Franse staat van Vichy verantwoordelijk is voor vervolgingen en misdaden tegen de joden van Frankrijk”.

Het comité herinnerde er in de petitie aan dat de “Franse staat van Vichy, op eigen verantwoordelijkheid en zonder dat de Duitse bezetter daarom had gevraagd”, al op 3 oktober 1940 een speciaal "statuut van de joden' invoerde, “getekend door Philippe Pétain, maarschalk van Frankrijk, hoofd van de Franse staat”. De leden van het comité bepleitten een geste naar het voorbeeld dat de Spaanse koning Juan Carlos begin dit jaar gaf, die excuses vroeg voor het edict van 1492, dat bepaalde dat de joden Spanje moesten verlaten. Een dergelijk gebaar is volgens het comité een vereiste voor de “Franse collectieve herinnering die ziek is van wat niet gezegd wordt”.

Mitterrand wees dinsdag in een gesprek met tv-journalisten een dergelijke geste impliciet af met het argument dat de regering-De Gaulle (die na de bevrijding in 1944 werd gevormd) en de republiek, de Vierde zowel als de Vijfde, op het gebied van het recht (dat wil zeggen de gelijkheid van de burgers voor de wet) “gedaan hebben wat ze moesten doen”. De republiek is de afwijzing van Vichy, aldus Mitterrand, die zich daarmee hield aan de gevestigde opvatting dat Vichy wel een "Franse staat' was maar niet een voortzetting van de Franse republiek.

Het onderwerp Vichy is in Frankrijk zoals het lijk in een toneelstuk van Ionesco - het wordt groter wordt naarmate er meer over gesproken wordt. De laatste jaren is er veel gepubliceerd over het regime van Pétain. Maar er is nog steeds veel “wat niet gezegd wordt” en met gegeneerd stilzwijgen wordt omgeven. Zo raakt de petitie van het herdenkingscomité van de "rafle du Vel' d'Hiv' ook aan een taboe rond de persoon van Mitterrand zelf. In datzelfde jaar 1942, toen de Endlösung van de nazi's al een jaar ten uitvoer werd gebracht, was Mitterrand een kleine functionaris in Vichy. Na achttien maanden gevangenschap in een krijgsgevangenenkamp werd de toen 26-jarige advocaat belast met de post informatie bij het Algemeen commissariaat voor de gevangenen. François Mitterrand heeft zich nooit uitgelaten over zijn carrière in de schaduw van Pétain, die overigens in 1943 eindigde, toen hij zich bij het verzet aansloot.

Deze episode is van betrekkelijk belang: er waren meer Fransen en niet de geringste - bijvoorbeeld maarschalk Juin, generaal De Lattre de Tassigny en De Gaulle's koele minister van buitenlandse zaken Couve de Murville - die het eerst met Vichy op een akkoordje hadden gegooid voor ze zich achter het vaandel van het verzet of dat van de Vrije Fransen van De Gaulle schaarden. Het taboe rond Mitterrand is mede blijven bestaan omdat zijn krans bij de herdenking van de "Vel d'Hiv' als het ware wordt afgemeten met die andere die hij, geheel uit eigen beweging, sinds 1987 jaarlijks op 11 november op de tombe van Pétain legt, op het eilandje Yeu, waar de held van Verdun en het staatshoofd van Vichy in ballingschap overleed.

Deze ambiguïteit van de president verduistert mede het zicht op het werkelijke karakter van Vichy en - misschien een nog onaangenamer waarheid - het anti-semitisme waarvan de Franse samenleving destijds was doortrokken. Van de razzia van 16 juli 1942 is slechts één foto bekend - van een viertal autobussen, geparkeerd in een straat naast het vélodrome. Het oppakken van "apatride' joden (zonder vaderland) liet de Parijzenaars onverschillig. Geen enkele intellectueel verhief zijn stem. In de zomer van 1942, toen kranten in het strikt neutrale Zwitserland al spraken van de uitroeiing van de joden, waren er nog maar zeer weinigen in Frankrijk die protesteerden. Alleen een generaal in Lyon weigerde zijn soldaten voor de jacht op joden ter beschikking te stellen, terwijl de aartsbisschop van Toulouse protesteerde in een pastorale brief. En dominee Boegner, hoofd van de protestantse federatie van Frankrijk, schreef een verontruste brief aan Pétain. Maar daar bleef het ook bij.

Het lijk van de morele nederlaag wordt ook groter omdat Vichy nog altijd, en zelfs in toenemende mate, zijn verdedigers heeft. Enkele maanden geleden konden ze een grote overwinning vieren. Een rechtbank in Parijs bepaalde dat Paul Touvier, chef van de beruchte (Franse) militie onder Vichy en rechterhand van Klaus Barbie, de Gestapo-chef van Lyon, niet vervolgd kan worden wegens misdaden tegen de menselijkheid. De rechtbank baseerde deze uitspraak op de beperkte, maar juridisch kennelijk sluitende, uitleg van het begrip genocide als een misdaad die alleen door een overheid of staat kan worden begaan. De medewerking van Touvier aan de genocide kan hem niet verweten worden, omdat Vichy bij de jodenvervolging handelde onder verantwoordelijkheid van de nazi's, aldus de rechtbank, die met dit arrest tot veler verontwaardiging “de geschiedenis herschreef”.

De hoogbejaarde en zieke Touvier, die kort na de oorlog ter dood veroordeeld werd maar later gratie kreeg, is vooral ook een beroemd geval omdat hij enkele tientallen jaren door rooms-katholieke geestelijken verborgen werd gehouden. De juridische procedures om te bepalen of hij alsnog in staat van beschuldiging kan worden gesteld wegens misdaden tegen de menselijkheid, zijn gecompliceerd en nemen veel tijd in beslag - zoveel dat Touvier waarschijnlijk een natuurlijke dood zal sterven voordat er ooit een denifitieve beslissing valt over zijn berechting. Hetzelfde geldt voor de procedures tegen twee andere Vichy-functionarissen, Maurice Papon en Rene Bousquet.

De presidentiële krans bij de herdenking van de tragedie van vijftig jaar geleden in Parijs heeft een symbolische waarde, die de persoonlijke ambiguiteit verre te boven gaat. In het licht van wat vele Fransen beschouwen als een sluipende rehabilitatie van Vichy door de recente uitspraak in de affaire-Touvier, doet de republiek in de persoon van de president toch van zich spreken.

Dat lijkt om twee redenen van belang. De eerste is dat de mythe dat de Fransen zich in de Tweede Wereldoorlog onder leiding van de De Gaulle en van de communisten massaal tegen de Duitse bezetters hebben gekeerd, weliswaar al lang is doorgeprikt, maar dat de harde waarheid van de collaboratie, zoals bij de razzia van 16 juli 1942, nog vaak wordt ontweken.

De tweede en belangrijkere reden is dat uiterst rechts - en dat is meer dan alleen het Front National van Jean-Marie Le Pen - steeds openlijker de collaboratie en het antisemitisme van Vichy verdedigt. Zo staat de "Vereniging voor de verdediging aan de herinnering aan maarschalk Pétain' (ADMP), ooit begonnen als een tamelijk onschuldige groep idolate bewonderaars, nu “vierkant achter alle verantwoordelijkheid die Pétain als staatshoofd van Vichy heeft genomen, inclusief het statuut van 1940”, waarbij de joodse Fransen tot "mindere' burgers werden gedegradeerd. Het citaat, onlangs vermeld in het weekblad l'Express, is afkomstig van Yann Clerc, belangrijkste zegsman van de ADMP, en in het dagelijks leven secretaris-generaal van de directie van Le Figaro, het lijfblad van de gegoede Parijse burgerij.

De toename van de “vrije expressie van racisme en anti-semitisme” in Frankrijk is verontrustend, stelde Charles Pasqua onlangs vast in een rondschrijven aan de senatoren van de gaullistische RPR. De geharnaste RPR-fractieleider in de Senaat en oud-minister van binnenlandse zaken, kan niet in de geringste mate van linkse of zelfs maar gematigd liberale ideeën worden verdacht. Pasqua riep zijn collega's op tot samenwerking “om Frankrijk en zijn waarden een ander beeld te geven dan de verdediging van de collaboratie, en het ontkennen van nazi-misdaden en van het racisme, waartegen generaal De Gaulle altijd zonder compromis heeft gestreden”.