Portret

Foto's of bewegende beelden geven ons een indruk van de fysiognomie van tijdgenoten die wij nimmer in onze directe omgeving hebben aangetroffen.

Voordat de lichtgevoelige plaat, de voorganger van de film, ontdekt was, werden de gelaatstrekken van politici, geleerden of andere verdienstelijke mensen met potlood of penseel op papier of doek vastgelegd. Zo liet ook in de zeventiende eeuw menig groot heerschap zich door een vaardige kunstenaarshand afbeelden om het nageslacht nog van zijn importantie te laten genieten. Iedereen kent uit een encyclopedie of van museumbezoek wel enkele exemplaren van die statige portretten waarop het deftige en waardige personage zich presenteert. Ook de grote heren waarmee Spinoza verkeerde, zoals Boyle, Hudde, Leibniz, Huygens, De Wit, Oldenburg, hebben zich, voorzien van een deftige pruik, met olieverf laten vereeuwigen.

Hoe zag Spinoza, die ons zo veel van de werkelijkheid heeft onthuld, er zelf uit? De ijdelheid aan ieder mensenhart, ook dat van Spinoza, eigen ging bij hem niet zo ver dat hij ooit geposeerd heeft voor een in opdracht te vervaardigen schilderij. Hij vond schilderijen (picturas) maar stom (mutas) en had er geen geld voor over. Wel heeft Rembrandt's leerling Samuel van Hoogstraten, die gelijktijdig met Spinoza in Den Haag woonde, kans gezien van hem een vluchtige profielschets af te leveren, gedateerd 1670. Dit stuk is thans in Amerikaanse handen.

De Herzog August Bibliotheek te Wolfenbüttel bezit van een onbekende meester een olieverf, waarop een volwassen man ons van opzij met zachte doch doordringende blik aankijkt. Dat het hier om Spinoza gaat is niet meer dan waarschijnlijk. Hoewel door onze gewenning aan deze veel gebruikte afbeelding niemand er meer aan twijfelt. Het eveneens bekende "Haagse portret' schijnt hiervan een copie te zijn.

Het meeste houvast hebben wij vermoedelijk aan de na zijn dood gemaakte kopergravure waarmee een aantal exemplaren van de Opera Posthuma werden verrijkt. De vrienden zouden deze gravure niet hebben opgenomen indien de gelijkenis onvoldoende was geweest. In het ingekaderde medaillon werpt een man met smartelijk getekend gelaat vanuit een woeste, gekrulde haardos een enigszins cynische blik op ons, wederom naar links. Het onderschrift luidt heel pretentieloos, maar wel treffend:

Dit is de schaduw van Spinoza's zienlijk beelt, Daar 't gladde koper geen sieraat meer aan kon geven; Maar zyn gezegent brein, zoo rijk hem meegedeelt, Doet in zijn Schriften hem aanschouwen naar het leven. Wie oit begeerte tot de Wysheit heeft gehad, Hier was die zuiver en op 't snedigste gevat.

Naast verf en lijnenspel zijn ook woorden vaak bij machte om iemands gelaat uit te beelden en ons ermee vertrouwd te maken. Het toeval wil - men zal het geloven of niet - dat wij de oudste verbale informatie betreffende Spinoza's uiterlijk te danken hebben aan het doortastende speurwerk van de Spaanse inquisitie. Deze wrede instantie ter bewaking van de roomse orthodoxie was geïnteresseerd in het gedrag van de Marraan of nieuwchristelijke Jood Dr. Juan de Prado, die zich in de tweede helft der vijftiger jaren in Amsterdam bevond en daar verdacht werd van het verbreiden vana naturalistische ideeën. Een kapitein van de Spaanse infanterie in Vlaanderen, Miguel Perez de Maltranilla, die in Spanje op verlof was, werd bij de kraag gegrepen voor een ondervraging. Hij vertelde dat hij in Amsterdam De Prado vaak in het gezelschap van een zekere Espinosa had gezien; beiden waren ten prooi aan het atheïsme.

Hoe zag Dinges (fulano) er dan uit? Het antwoord, dat zijn verse herinnering van de knaap betrof, luidde: ""Spinosa is een jongeman van een mooie gestalte, fijn gevormd, met lange zwarte haren, wenkbrauwen van dezelfde kleur, een mooi gezicht, ongeveer 33 jaren oud''.

Een Augustijnermonnik, Fray Tomàs Solano y Robles, die in Spanje terugkeerde van een verblijf van zeven maanden in Amsterdam, gaf een gelijkluidende omschrijving van de afvallige Jood, waarmee de inquisitoren verder niets te maken hadden.

Dat Spinoza's uiterlijk bekoorlijke trekken vertoonde, blijkt ook uit wat een vertrouwde vriend uit de latere jaren (J.M. Lucas) schreef: ""Hij had een postuur van middelmatige grootte. Hij had welgeproportioneerde gelaatstrekken, een nogal bruine huid, de haren zwart en gefriseerd, zwarte wenkbrauwen, kleine, zwarte en levendige ogen. Een waarlijk aangename physiognomie en een Portugese manier van doen (l'air Portugais).''

Daarmede moet dan onze nieuwsgierigheid tevreden gesteld zijn. Alle overige portretten, in kleuren of in letters, zijn produkten van de fantasie. Of van de haat en afschuw, zoals de vele creaties van een duivels sombere booswicht in de polemische literatuur. Spinoza's eigen woorden mogen hier misschien ook nog meetellen: ""Ik geniet en leg mij er op toe om het leven niet in droefheid en zuchtten, maar in rust, blijdschap en opgewektheid (laetitia et hilaritate) door te brengen.''