Op safari in de Haagse duinen

Tentoonstelling Haagse buitenplaatsen. T/m 13 sept. Haags Historisch Museum, Korte Vijverberg 7. Di t/m vr 11-17u, zo 11-17u. Inl 070-3646940. Bij uitgeverij Waanders verscheen het begeleidende boek Buitenplaatsen in en om Den Haag (144 pag. ƒ 25,-).

Het schilderij voorstellende Jan Verbosch voor zijn buitenplaats Valkenbosch bij Den Haag lijkt een zeventiende-eeuwse voorloper van een Camelreclame. De held is niet afgebeeld in kakishirt met touwen, zakmessen en verrekijkers om iets vreselijk moeilijks te doen, maar met jachthond, valken, wild, gevogelte en geweer. Hij is op safari geweest in de duinen en poseert nu voor zijn buiten. Wellicht steekt hij straks een Goudse pijp aan. Het schilderij hangt op de aardige tentoonstelling "Buitenplaatsen in en om Den Haag' in het Haags Historisch Museum. Verbosch staat voor een hele reeks Haagse burgers die kapitaalkrachtig genoeg waren om een buiten te kopen of zelf aan te leggen. Een verfrissende plek om in de zomer te vertoeven, een eigendom dat bij een stijgende status behoorde en bovendien als het eenmaal goed beheerd werd, ook een renderend bezit, waar op geplant, gejaagd en gevist werd.

De tentoonstelling beslaat de zeventiende tot de negentiende eeuw. Die eerste buitens waren nog verbouwde hoeves, maar al snel, toen de Nederlandse bouwkunst volwassen werd, liet men ook nieuwe buitens ontwerpen door architecten die hun ideeën aan Frankrijk en Italië ontleenden. Groter waren de paleizen van de stadhouders, Honselaarsdijk en het Huis ter Nieuburgh bij voorbeeld, gebouwd voor Frederik Hendrik. Het Huis ten Bosch dateert van iets later. De geneugten van het buitenleven werden bezongen in hofdichten, en als men de inhoud letterlijk zou nemen, was het niets dan groen, frisse lucht en aangename kout dat de klok sloeg.

De tentoonstelling geeft aan de hand van in prent, tekening of op schilderijen afgebeelde huizen en verder met kaarten, tuinbeelden, portretten van eigenaars en met enkele instructieve maquettes een goede indruk van drie eeuwen leven buiten Den Haag. Aan het eind van de achttiende eeuw was de bloeitijd voorbij. De negentiende eeuw kende nog een opleving waarbij de oude huizen een witte pleisterlaag kregen, de nieuwe huizen in neo-classicistische stijl werden opgetrokken en de keurige rechte tuinen een transformatie ondergingen tot glooiende slingerende stukjes pseudo-natuur in Engelse landschapsstijl. De epiloog stemt niet vrolijk. Veel is er afgebroken, veel is onherkenbaar verbouwd. Soms blikkert tussen het groen nog een wit gevaarte: voormalige buitens, ontdaan van hun grote tuinen en omgevormd tot kantoren, ambassades of geleerde instellingen.