Kritiek van Duitse vakgenoten weersproken; Economen op bres voor EMU

Zesenzestig vooraanstaande economen uit verschillende Europese landen noemen de Europese monetaire unie “een risico dat het waard is genomen te worden.” Volgens de groep is er voor de monetaire unie, uit het Verdrag van Maastricht “geen alternatief”.

De groep protesteert in een deze week gepubliceerd manifest tegen een open brief van ruim zestig Duitse hoogleraren economie van half juni. Zij maakten juist ernstig bezwaar maakten tegen de “te vage” Emu-afspraken. De groep Europese economen merkt op dat het huidige stelsel van stabiele wisselkoersen voor Europese munten in de praktijk al als monetaire unie functioneert. De EMU voegt daaraan slechts een institutionele structuur toe, in de vorm van de Europese centrale bank, en zorgt voor grote winst in de vorm van één Europese munt.

Onder de ondertekenaars bevinden zich de Nederlandse economen E. Bomhoff, H. Jager en F. van der Ploeg. Ook de Belgische econoom Robert Triffin, die als toonaangevend op monetair gebied in de wereld geldt, heeft getekend.

De Duitse economen vrezen dat er bij Zuideuropese landen wel eens onvoldoende steun zou kunnen zijn voor een Europees anti-inflatie beleid. Daarop antwoordt de groep van 66 dat uit het succes van het Europese monetaire stelsel (EMS), het steeds geringere verschil tussen de inflatie-percentages binnen de EG en het ondertekenen van het Verdrag van Maastricht, kan worden afgeleid dat politici en vakbondsleiders overal in Europa het belang van anti-inflatie beleid inzien. “Een gedeeld monetair leiderschap gebaseerd op Duitse principes is nu nodig.”

De vrees van de Duitse economen dat de nieuwe centrale bank onvoldoende belang aan prijsstabiliteit zou hechten en onvoldoende onafhankelijk zou zijn, wordt weersproken met een verwijzing naar de leiding van de bank. Er zal een raad van bestuur van de 12 gouverneurs van de nationale banken komen, aangevuld met 6 direct benoemden. De groep van 12 zorgt via de EMS al op bekwame wijze voor prijsstabiliteit - de groep van 6 zal daarop worden geselecteerd. Bovendien worden zij eenmalig voor 8 jaar benoemd, een voldoende grantie voor onafhankelijkheid. De Europese bank zal zelfs onafhankelijker zijn dan de Bundesbank, zo meent de groep - de doelstelling “handhaven van prijsstabiliteit” is bij internationaal verdrag vastgelegd. De statuten van de Bundesbank, waarin slechts wordt gesproken over het bewaren van de “waarde van de munt”, kunnen gewijzigd worden bij eenvoudige wet.

De Europese groep geeft toe dat er forse politieke druk van Zuideuropese landen op de bank kan komen, als deze landen binnen de unie niet blijken te kunnen concurreren, met als gevolg hogere werkloosheid. Maar daartegen brengt zij in dat het Verdrag van Maastricht de mogelijkheid openlaat zwakkere landen buiten de monetaire unie te laten. Dat zwakkere landen buiten de monetaire unie een hogere groei zouden kunnen realiseren, wordt scherp afgewezen. In de jaren '70 en '80 steeg de inflatie in Zuid-Europa en nam de groei af. “Het is niet mogelijk om hogere groei te kopen met hogere inflatie.” Zwakkere landen zijn op termijn beter af in een systeem dat tot lage inflatie dwingt, zo meent de Europese groep.

Dat een monetaire unie op economische gronden niet zonder politieke unie kan, wordt door de groep eveneens bestreden. Zij geloven niet dat door invoering van één munt (en dus het wegvallen van een aantal nationale monetaire bevoegdheden) een aantal regio's binnen Europa tot permanente achterstelling gedoemd zullen zijn. Zij erkennen wel dat er zich “regionale overgangsschokken” kunnen voordoen. De Duitse economen vrezen echter dat daardoor de roep om een sterke federale Europese regering met een eigen fiscaal beleid zal toenemen. Aangezien Europa daaraan nog niet toe is, wordt de Emu in hun visie een mislukking.

De Europese groep brengt daar tegenin dat nationale overheden voldoende armslag houden om via fiscale maatregelen ongewenste effecten te compenseren. Er blijven immers nog genoeg culturele barrières bestaan, die het ontstaan van één arbeidsmarkt verhinderen. Een centrale fiscale autoriteit is dus niet nodig - wel moet er een herverdeling van welvaart binnen Europa op gang komen. Volgens de Europese groep kan dat overigens doelmatiger via automatische fiscale transfers, dan via de structuurfondsen die de Commissie daarvoor nu hanteert.