Kamer is verdeeld over besteding van geld voor onderwijs

DEN HAAG, 16 JULI. De Tweede Kamer is verdeeld over de vraag hoe het geld moet worden besteed dat het kabinet heeft vrijgemaakt voor een salarisverhoging in het onderwijs.

PvdA, CDA en VVD zijn het niet eens met de suggestie van staatssecretaris Wallage dat het extra geld, behalve voor de verhoging van sommige categorieënaanvangssalarissen, vooral moet worden gebruikt om tekorten aan leraren in bepaalde regio's en voor vakken als wiskunde te bestrijden. De PvdA vreest dat het geld - 211 miljoen in 1993 - zo over te veel doelen wordt uitgesmeerd zodat niemand tevreden is. Om het leraarschap voor jongeren aantrekkelijk te maken, legt de PvdA de nadruk op verhoging van de aanvangssalarissen.

CDA-woordvoerder K. Tuinstra wil het extra geld vooral gebruiken om de scholen meer ruimte geven een eigen personeelsbeleid te voeren. De ene school kan dat dan gebruiken om tekorten aan leraren tegen te gaan, de ander zal meer de nadruk op prestatiebeloning leggen. Al bij een eerdere loonsverhoging in het onderwijs in 1990 werd geld vrijgemaakt voor besteding door de scholen zelf.

Ook wil Tuinstra “een eind maken aan de discussie over de effecten van het HOS-salarisakkoord” uit 1985 waarin op de aanvangsssalarissen werd bezuinigd. Deze salarissen moeten omhoog, vooral die van eerste-graadsleraren. Overigens wijst hij er op dat door de decentralisatie niet de Haagse politiek maar vooral de besturenorganisaties iets over de beloning te zeggen krijgen.

De VVD wil afwachten hoe de salarisverhoging precies wordt gefinancierd. VVD-onderwijsspecialist Franssen zegt niet alle vrijkomende middelen aan salarisverhoging te willen besteden. “Wil je de status van het lerarenberoep verhogen dan zul je ook iets aan nascholing moeten doen. Daar is nu nauwelijks geld voor.”