Hagelsee

Hadden we toen gezegd dat we in moeilijkheden zaten, dan hadden we in moeilijkheden gezeten. Dus zeiden we wat anders. We zeiden: er zit niks anders op dan terug te gaan. Dat klonk als een besluit, als iets verstandigs.

Het liep tegen drieën. Vijf uur geleden hadden we de bewoonde wereld achter ons gelaten, het zou vijf uur kosten om erin terug te keren, vooropgesteld dat we steeds ons eigen spoor konden vinden, wat bij de heersende mist twijfelachtig was. In een hoekje van ons besluit ging de mogelijkheid schuil dat we daarboven moesten overnachten. Daarop waren we absoluut niet berekend. We draalden nog wat en doolden nog wat en jezus, zeiden we, dat wordt afzien.

We werden beloond met hagel. Het begon te hagelen, de wolken trokken op, opeens konden we zien waar we waren, konden we verder. Nooit in moeilijkheden geweest.

Hagelsee, 2339 m, onwaarschijnlijk blauwe randen langs het ijs. Daar zat een sneeuwhoen, daar ging een sneeuwvink. In de stromende regen richting Faulhorn, daarna richting First.

Zeven uur thuis. Droge kleren. Een liter cola de man. Een pan soep met bergen brood.

Die nacht, als ik bijna wakker werd, als Daan zich omdraaide in zijn slaap of Rekel zijn zere pootjes begon te likken, dacht ik aan een man die bij wijze van memento mori zijn pad bestrooit met kiezels, kleuren wit en blauw, sneeuw en ijs.