De wereld op zijn kop

Knarsetandend of niet, president dr. W.F. Duisenberg van De Nederlandsche Bank heeft weinig keus. Als de Bundesbank de teugels aanhaalt en de rentetarieven verhoogt, gaat de Nederlandse centrale bank mee. De Duitse Mark is het anker van het Europese Monetaire Stelsel en dus moet Nederland Duitsland volgen.

“Het leven is nu eenmaal niet anders,” verklaarde Duisenberg op 28 april gelaten in een vraaggesprek met deze krant. Met als kritische noot: “Het is de praktijk van het leven dat ze in Frankfurt nu nog in sterke mate beslissen met het oog op wat er in Duitsland gebeurt.”

Natuurlijk is een renteverhoging in Nederland schadelijk voor het toch al aarzelende conjuncturele herstel. Bovendien is de inflatie duidelijk over het hoogtepunt heen (sinds oktober 1991 is het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie met amper één procent gestegen). Maar de Bundesbank maakt zich zorgen over de groei van de Duitse geldhoeveelheid. Die bedroeg over de eerste vier maanden van dit jaar, gemeten volgens de ruime definitie M3 (geld en deposito's tot vier jaar) bijna 9 procent.

Ook in Nederland trad de laatste maanden een duidelijke versnelling van de geldgroei op. Over de 12-maandsperiode tot en met mei bedroeg de groei van M2 (chartaal en giraal geld en deposito's tot twee jaar) 8 à 9 procent, nadat de groei tot en met maart op ruim 5 procent uitkwam. “Dat beeld,” zegt directeur Studiedienst dr. L.H. Hoogduin, “geldt ook voor M3, de internationaal meer gebruikte definitie waarover de Bank eind dit jaar cijfers zal publiceren.”

De afgelopen jaren nam de geldgroei echter juist af. In 1989 steeg M2 nog met 16 procent, maar in 1990 viel die groei terug tot 6,5 procent en in 1991 zelfs tot minder dan 5 procent. De snellere groei in april en mei 1992 werd niet veroorzaakt door een groei van de kredietverlening door banken, maar door de toestroom van geld uit het buitenland. En, vooral, door het feit dat de banken minder langlopende middelen aantrokken, waardoor per saldo sprake was van meer geldcreatie.

Maar zelfs als de geldgroei verontrustend zou zijn, zou De Nederlandsche Bank vrij machteloos zijn. De liquiditeitsquote (geldhoeveelheid als percentage van het nationale inkomen) fungeerde weliswaar dertig jaar lang als ijkpunt van het monetaire beleid, maar de liberalisering van de internationale geld- en kapitaalmarkten maakte daar in de jaren tachtig een eind aan. “Het voeren van een onafhankelijk geldhoeveelheidsbeleid is nu vrijwel onmogelijk,” stelde Duisenberg eind april vast. De Nederlandsche Bank grijpt nu pas in als er langdurig geld afvloeit naar het buitenland. Maar, verzekert Hoogduin, zover is het nog lang niet.

Net als in andere EG-landen - het meest in de kleine, het minst in Duitsland - liep de liquiditeitsquote in Nederland in de jaren tachtig fors op, van 38 procent eind jaren zeventig tot meer dan 50 procent nu. Desondanks was de inflatie laag, bijna nul zelfs. Maar toen de inflatie in 1990 en 1991 opliep, ging de geldgroei weer omlaag. Dat is de wereld op zijn kop.