De Kaatsbaan in de Garden

New York - Mario Cuomo, gou- verneur van New York, heeft gisteravond voor Bill Clinton een geniale nomination speech gehouden: meeslepend in zijn oratorisch talent, overtuigend in zijn opbouw van de presidentskandidaat, vernietigend voor de tegenstander, waterdicht omdat hij nergens onder de gordel aanviel, vlijmscherp in zijn diagnose van de rampen die de Verenigde Staten de afgelopen twaalf jaar zijn overkomen, en daarbij ook nog afstandelijk en van tijd tot tijd ironisch genoeg om de redenaar voor platte demagogie te bewaren.

Wat ik wil zeggen is: het is een genot om naar zo'n talent te luisteren.

De sprekers die maandag de toon voor de Conventie hadden gezet, staken al ver boven het gemiddelde uit. Door dat begin kon men vermoeden dat deze gebeurtenis, gedoodverfd als een plichtmatige reeks vergaderingen zonder verrassingen, zich tot iets meer zou kunnen ontwikkelen. Zo is het gegaan. Edmund G. (Jerry) Brown Jr., de dissidente en zeer gedreven politicus uit Californië, heeft toch op het laatste ogenblik toestemming gekregen de Conventie toe te spreken. Hij heeft dat gedaan op de manier die van hem werd verwacht, meer dan gedreven, fanatiek, en hij heeft de kandidatuur van Clinton niet gesteund. Maar de inhoud van zijn toespraak was niet dissident. Hij is niet geworden wat de organisatoren hadden gevreesd: de outsider die een groter gelijk heeft dan de vergadering zelf en die daardoor een wig in de zorgvuldig bewerkstelligde eenheid kon drijven.

Na hem heeft Cuomo datgene onbetwijfelbaar bevestigd waarvoor de toonzetters de grondslag hadden gelegd: de radicale, compromisloze opstand tegen de regering-Bush en de resultaten van twaalf jaar Republikeins bewind. Wat in die periode aan prestaties is geleverd, op het gebied van de buitenlandse politiek - het einde van de Koude Oorlog, de overwinning in de Golf - telt niet meer voor de kiezers die direct in hun dagelijks bestaan worden bedreigd door armoede, werkloosheid, de crisis der grote steden, aids, drugs, achterstand in het onderwijs en nog het een en ander. Op de bestrijding van deze crisis - een lawine van stille rampen, zei Cuomo - zal de Democratische verkiezingsstrategie zich richten. Het valt trouwens niet te zien dat er nog een andere strategie mogelijk zou zijn.

Hoe groot het nationale vraagstuk is dat hier moet worden opgelost kan men beter beseffen als men zich herinnert hoe oud het al is. De eerste die het heeft herkend en beschreven is John Kenneth Galbraith, in zijn boek The Affluent Society. Bijna vijfendertig jaar geleden waarschuwde hij tegen de combinatie van "particuliere rijkdom' en "publieke verwaarlozing'. Sindsdien is het particuliere inkomen voortdurend gegroeid, zij het voor steeds minder particulieren, terwijl de publieke voorzieningen werden verwaarloosd. In allerlei toonaarden, met soms ook gedeeltelijk andere argumenten, hebben daarna tientallen critici tegen hetzelfde, steeds dieper invretende vraagstuk gewaarschuwd. Een van de laatsten die het daardoor tot grote bekendheid heeft gebracht, is de historicus Paul Kennedy. Toen waren we al vijfendertig jaar verder.

Als men een zo groot vraagstuk dan weer wat meer, dan weer wat minder, maar voortdurend verwaarloost, betekent dit dat men van die verwaarlozing een levenswijze maakt; een manier van bestaan die voor een afnemend deel van het volk nog wel oppervlakkige voordelen kan opleveren maar waarvan een gestaag groeiend deel steeds meer te lijden heeft.

Het programma van de Democraten geeft op alle gebieden van de crisis aan wat voor maatregelen er moeten worden genomen, hoeveel dat zal kosten, wie het zal moeten betalen en welke voordelen er na ongeveer hoeveel tijd kunnen worden verwacht. We nemen aan dat dit allemaal goed is doordacht. Maar er is meer voor nodig dan een verzameling op zichzelf verstandige maatregelen om een levenswijze te veranderen. Begrippen als geduld, geestdrift, uithoudingsvermogen zijn geen programmapunten, maar bestanddelen van de politiek die op een mysterieuze wijze ontstaan en ook weer verdwijnen. Dat valt pas achteraf vast te stellen.

Het is wel zeker dat wat er van over was onder het bewind van Bush is verdwenen. We mogen ook wel aannemen dat Bush en Quayle samen niet in staat zullen zijn een levenswijze te veranderen die ze zelf hebben helpen vestigen, voorzover ze er niet de overtuigde erfgenamen van zijn.

Intussen is de afbraak van de instant-redder die uit de coulissen tevoorschijn sprong, begonnen. Een belangrijke raadgever van Ross Perot heeft zojuist zijn ontslag genomen. Men weet, behalve dan dat hij de tijd voor grote veranderingen gekomen acht, nog altijd niet hoe hij die wil bewerkstelligen. Uit de huid van de volkstribuun met het gelijk van de vismarkt, maakt zich langzamerhand de politieke kwakzalver los.

Er is geen andere macht dan die der Democraten om de verandering te bewerkstelligen, niet alleen van de economie, de banken, de spoorwegen, maar van een wijze van bestaan. Is dat door deze Conventie beseft? Wie zal het zeggen op een ogenblik dat de kandidaat zijn grote redevoering nog moet houden, meer dan vier maanden voor de verkiezingen.

Soms hadden de vergaderingen in hun concentratie en geestdrift iets van de sfeer die we misschien bij de Eed op de Kaatsbaan hadden aangetroffen. Ik geeft toe: het is een gedurfde speculatie. Maar men weet: als er nu niet iets anders gaat gebeuren, zal er nog vier jaar hetzelfde gebeuren en dat is niets bijzonders, afgezien van de rest die niemand wil. Het enorme werk is de geest van deze Conventie buiten Madison Square Garden te brengen.