André Mey Sarasani, de directeur van circus Sarasani: "Het publiek stelt andere eisen'

Het Duitse circus Sarasani, negentig jaar geleden opgericht, is na veertien jaar afwezigheid terug in Nederland. De nieuwe directeur is de 20-jarige André Mey Sarasani, achterkleinzoon van de oprichter: “Je kunt natuurlijk niet blijven teren op een schitterende traditie. Langzamerhand begon bij het publiek het idee te ontstaan dat het circus altijd hetzelfde is.”

Circus Sarasani, Amsterdam Sloterpark t/m 19/7, daarna in Leiden, Rotterdam, Utrecht, Haarlem, Heerlen, Eindhoven, Den Bosch, Arnhem, Groningen, Winschoten en Enschede (t/m 12/10).

Op zijn zesde debuteerde hij in de piste met een pony-nummer, toen bekwaamde hij zich in de hogeschool-paardrijkunst, maar daarna stuurden zijn ouders hem naar een internaat voor een ordentelijke schoolopleiding. En toen André Mey Sarasani na zes jaar studie in het circus terugkeerde, had hij geen neigingen meer om weer in de piste te staan: “Ik was te oud geworden om nog een nummer in te studeren.” In plaats daarvan is hij nu, op zijn twintigste, de directeur. Ook terwijl hij in de buffet-tent met een verslaggever zit te praten, beantwoordt hij met vanzelfsprekend gezag de vragen van diverse employés, alsof hij die functie al jarenlang vervult.

Luisterrijke brochures getuigen van het glorieuze verleden van circus Sarasani. Het werd in 1902 opgericht door een jongen uit de burgerwereld die met zijn laatste vijftig pfennig het ouderlijk huis had verlaten, en presenteerde zich over de gehele wereld. Tot tijdens het bombardement op Dresden ook het winterverblijf van het circus in puin werd geschoten en de nazaten van de oprichter hun belangstelling verloren leken te hebben. Sarasani maakte pas in 1956 een comeback door toedoen van ex-bedrijfsleider Fritz Mey, die van de erfgenamen toestemming kreeg hun beroemde naam aan de zijne toe te voegen. De huidige troonopvolger kwam voort uit Mey's samenzijn met een kleindochter van de oprichter. Ja, zegt hij, ook in zijn paspoort staat hij als André Mey Sarasani vermeld.

“Maar je kunt natuurlijk niet blijven teren op een schitterende traditie. Langzamerhand begon bij het publiek het idee te ontstaan dat het circus altijd hetzelfde is. Alle circussen, de goede èn de slechte, werden over één kam geschoren. Terwijl bij ons en ook bij circussen als Krone en Althoff echt wel kwaliteit werd geboden, hadden - en hebben - we allemaal te lijden onder dat vooroordeel. Dat betekent dat we onze strategie moeten herzien. Onze reclamemethoden waren nooit veranderd, het liep altijd wel. Oorspronkelijk hield ik me hier voornamelijk bezig met de logistieke zaken, het transport en de techniek. Daarna ook met de regie van het programma. Maar nu ben ik me aan het verdiepen in de marketing; ik kijk naar de reclametechnieken van grote bedrijven en probeer onze presentatie te verbeteren.”

“Het circus was een beetje in slaap gesukkeld, omdat wij ons niet wilden realiseren dat de smaak en de eisen van het publiek veranderen. Ze zien popconcerten, video, musicals. We zijn meer aandacht aan de kostumering en de belichting gaan besteden. We doen ons best om de voorstelling méér tot een eenheid te maken, vanaf het moment dat de mensen ons terrein betreden tot ze weer vertrekken. We hebben ook de muziek veranderd. Toen we gingen onderzoeken waarom vooral de groep van 16 tot 35 steeds vaker wegbleef van het circus, bleek dat de muziek een belangrijk struikelblok vormde. Altijd maar die hoempa-hoempa, nooit iets anders dan marsmuziek.” Nu heeft Sarasani een andere sound: het schetterend koper barst al bij binnenkomst uit in een contemporain standaardwerkje als Can't buy me love en deinst er niet voor terug bij de gedresseerde honden Rock around the clock ten gehore te brengen.

Ook in de samenstelling van het programma veroorlooft André Mey Sarasani zich experimenten. Afgezien van enkele dansende beren, ontbreken dit jaar de roofdieren. De paardendressuur is eveneens tot een minimum teruggebracht. Nieuwe acrobatische ideeën zijn afkomstig van artiesten uit het vroegere oostblok, die zich sinds de ineenstorting massaal aan westerse circussen aanbieden. “Hun techniek is verbluffend,” oordeelt de directeur. “Alleen moeten ze hun aankleding en hun uitstraling nog verbeteren. Daaraan is op hun circusscholen nooit veel aandacht besteed.” In zijn piste staan nu acrobaten, dresseurs, clowns en trapeze-werkers uit Mongolië en Rusland, terwijl de muzikanten uit Polen komen en de meeste piste-assistenten uit Marokko. “Het moet, allemaal samen, een sfeer opleveren die je alleen maar in een circustent kunt ondergaan.”

Nu moet de buitenwereld daarvan nog worden doordrongen. “Ik heb me bewust vrijgemaakt van het piste-werk, ik ben ook geen spreekstalmeester weer, zodat ik af en toe een dag buitenshuis onze belangen kan verdedigen. Samen met andere Duitse circussen zijn we bijvoorbeeld bezig de gemeentebesturen te bewerken. Vroeger stonden we altijd in het centrum van de stad; nu worden we steeds meer weggeduwd naar de rand, ver weg van de stad, waar we steeds slechter bereikbaar zijn voor het publiek. Er zou in alle centra weer een plek moeten zijn voor popconcerten, kermissen èn het circus. We moeten weer middenin het leven staan, niet ver daarbuiten.”