Wijsgeer

Columnist J.L. Heldring vraagt zich af welke plaats Václav Havel in Plato's ideale staat zou innemen (NRC Handelsblad, 10 juli). “In die staat zou dichters het zwijgen opgelegd zijn en zouden wijsgeren de ware regeerders zijn. Havel nu is zowel dichter als wijsgeer.”

Heldrings vraag is eenvoudiger te beantwoorden dan het lijkt: een wijsgeer-dichter zou ongetwijfeld een gerespecteerde plaats in Plato's ideale staat innemen, want een wijsgeer beschikt volgens Plato over inzicht in de ware werkelijkheid (epistèmè) en doet uit dien hoofde altijd het juiste. Wanneer de wijsgeer bovendien nog dichter is, doet dit aan zijn respectabiliteit niets af, want op grond van zijn epistèmè zal de wijsgeer-dichter uitsluitend verheffende poëzie aan de gemeenschap presenteren.

Wie over epistèmè beschikt mag zich naar Plato's opvatting ongecensureerd aan zijn medemensen meedelen, om het even of hij zich op filosofische wijze (dat wil zeggen rationeel) of op dichterlijke wijze (dat wil zeggen beeldend) uitdrukt. Ook Socrates drukt zich in de platonische dialogen wel eens beeldend uit ten behoeve van een jeugdig, niet-wijsgerig publiek, dat volgens hem (nog) niet in staat is een filosofische uiteenzetting te begrijpen.

Alleen dichters pur sang, dus niet-wijsgerige dichters, die volgens Plato niet over ware kennis beschikken en daardoor op onverantwoorde wijze klakkeloos doorgeven wat de Muze hun ingeeft, moeten gezien de explosieve kwaliteit van hun materiaal onder toezicht staan. Hun dichtwerken mogen slechts in de staat worden vrijgegeven voor zover goedgekeurd door wijsgerige censoren. Bij ongecensureerde toelating zouden de hartstochten namelijk kunnen gaan heersen in de staat in plaats van de rede, hetgeen het staatsbestel omver zou werpen. De (overigens hypothetische) figuur van de wijsgeer-dichter vormt in het platonische model evenwel geen gevaar voor de staatsveiligheid, want door zijn epistèmè is hij vanzelf zijn eigen censor.